Brandpunt voor ontspannen samenleven

Brandpunt voor ontspannen samenleven

Winkel rust

14 december 2021 by Robert van Putten (onderzoeker)

De zondag als wekelijkse rustdag is politiek gezien een bron van ongemak geworden voor de ChristenUnie. En dat valt goed te begrijpen. Het verdedigen van de zondagsrust levert vaak maar weinig populariteit op bij kiezers en irritatie over christelijke drammerigheid ligt op de loer. Het beeld van een achterhoedegevecht dringt zich op. Waarom verloopt het politieke debat over de rustdag zo moeilijk? En hoe kan de rustdag opnieuw een voorhoedegevecht worden en nieuw politiek elan krijgen?

Een religieuze instelling | Historisch gezien heeft een wekelijkse collectieve rustdag een religieuze oorsprong. Inherent aan religies is dat ze ‘heilige tijden’ hebben, momenten in de dag en in de week die afgezonderd worden van het werk. Daarmee werd vanouds het dagelijks bestaan onderbroken voor de eredienst aan God of de goden. Zo ook in de jodendom en het christendom.

Politiek gezien heeft in Europa het christendom een beslissende rol gespeeld doordat een van de eerste christelijke keizers de zondag als collectieve vrije dag heeft aangewezen. Veel later heeft in ons eigen land het gereformeerde protestantisme een belangrijke rol gespeeld in de uitbouw en bescherming van de zondag als collectieve rustdag.

De vraag in de achterliggende eeuwen was daarbij steeds: wat betekent het vierde gebod (dat van de rustdag) vandaag voor christenen en voor de samenleving als geheel? Lange tijd was het antwoord daarop interessant genoeg tamelijk ambivalent. De vroege kerk en de middeleeuwse christenen wilden niet het oude jodendom overdoen. Ook in de zestiende-eeuwse reformatie zie je dat nog terug. In de beroemde Heidelbergse Catechismus bijvoorbeeld wordt dat vierde gebod vooral ingezet om ruimte te scheppen voor godsdienstige activiteiten, niet om van alles te verbieden.

Het is in de achttiende en negentiende eeuw dat puriteinen dat vierde gebod een veel rigider invulling gaan geven en allerlei ‘vermaak’ en recreatieve activiteit willen beperken. Vervolgens zijn het eind negentiende en begin twintigste eeuw de neocalvinisten die met de Antirevolutionaire Partij (ARP) daar beleid en wetgeving op willen maken. De ARP begint zich dan in te zetten voor een strengere Zondagswet, waarin arbeid, handel, recreatie en mobiliteit zoveel mogelijk beperkt worden.

In een seculariserende samenleving gaat zoiets natuurlijk schuren en knellen. Dat geldt zeker in een fase waarin de samenleving bezig is met een proces van emancipatie, van bevrijding uit beknellende structuren. Journalist Annegreet van Bergen heeft in haar boek Het goede leven over toenemende welvaart vanaf de jaren zestig treffend het levensgevoel van veel mensen verwoord: met groeiende welvaart, recreatiemogelijkheden en toenemende mobiliteit kwam er ‘eindelijk een einde aan die lange saaie zondagen’. Kortom, wat calvinisten ervaren als het afbreken van een heilige instelling, ervaren an- deren als een bevrijding uit een benauwend religieus regime.

Privatisering van rust | Intussen spelen ook andere ontwikkelingen een rol. In het vroege en middeleeuwse christendom en overigens ook in de Griekse en Romeinse oudheid draaide rust om contemplatief leven. Vrije tijd draaide om de vrijheid om te kunnen mediteren, religieuze praktijken te onderhouden en te schouwen over het goede, ware en schone. Deze contemplatieve rust gold als het hoogste ideaal van goed leven.

In de moderniteit verandert dat radicaal en krijgt het actieve leven de volle aandacht en hoogste waardering. Daarmee verdwijnt de contemplatieve rust naar de achtergrond ten faveure van de recreatie, het toerisme en het amusement. Rust wordt daarmee niet zozeer afgeschaft, maar krijgt een heel andere invulling.

Die veranderde invulling van rust heeft gevolgen voor het idee dat rust een kwestie is van collectieve ordening en dus een vaste gezamenlijke dag vereist. Wat zich heeft voltrokken is een privatisering van de rust. Recreatieve rust is een kwestie van consumptiepatronen en individuele leefstijlen en voorkeuren. Dat vraagt om marktaanbod, om afwezigheid van collectieve beperkingen.

Bovendien vindt in de zojuist genoemde omkering van rangorde tussen het contemplatieve en actieve leven een radicale vooropstelling van productiviteit plaats. Het stilleggen van productie- en consumptieprocessen is vanuit dat perspectief te kostbaar en zet onze competitie op de gemondialiseerde arbeidsmarkt en ons nationale ‘verdienvermogen’ onder druk. Ook tegen die achtergrond is een wekelijkse rustdag een ongewenste begrenzing geworden, waarvan bevrijding nodig is. Het vraagt maar weinig verbeeldingskracht om hier ook de tirannie van het neoliberalisme te ontwaren.

Problematische argumentatie | Hoewel het instituut van een wekelijkse rustdag het culturele tij niet mee heeft gehad de afgelopen decennia, moet de christelijke politiek ook zelf in de spiegel kijken. De christelijke politiek heeft haar rol in de achterhoede zelf ook wel in de hand gewerkt, door twee argumentatielijnen die beide onvruchtbaar zijn in een geseculariseerde samenleving.

De eerste argumentatielijn noem ik een formalistische. Die draait om het gehoorzamen van Gods gebod. Omdat een wekelijkse rustdag nu eenmaal door God geboden is en als ordening in de schepping is gelegd, moet daaraan gehoorzaamd worden. Vanaf het begin van de christelijke politiek in de negentiende eeuw was dit de toonhoogte van het debat.

Abraham Kuyper refereert in Ons Program, het vuistdikke beginsel- en partijprogramma van de ARP, aan de Franse Revolutie, waar een poging was gedaan om een nieuwe tijdsordening te scheppen met een tiendaagse werkweek. Hij beschouwde dat als revolutionaire poging om Gods scheppingsordening te ondermijnen en daartegen moest gestreden worden. Sociale argumenten voor een wekelijkse rustdag, die van sociaaldemocratische en liberale huize wel werden aangedragen, deed hij denigrerend af als inferieur. Daarmee organiseerde hij welbewust zijn eigen ideologische weerstand.

Ook in de decennia daarna, in de protestantse ethiek die lange tijd de toon zette bij het GPV en de RPF, en zelfs nog in de beginfase van de ChristenUnie, kom je dezelfde formalistische argumentatie tegen. Hoe waar dat theologisch argument voor christenen ook mag zijn, het is nauwelijks een overtuigend politiek argument.

Inmiddels hebben christelijke partijen dat ook door en is een tweede argumentatiestijl toegevoegd, die je ‘pragmatisme’ kan noemen. Om toch de brug naar potentiële medestanders te slaan hoor je vaak zoiets als ‘een rustdag is toch goed voor iedereen, of je nu naar de kerk gaat of niet’. Op dat punt lijken we toch wijzer dan de polemische Abraham Kuyper. Dan wordt gewezen op het belang en de nuttigheid van een dag uitrusten en opladen, door de filosoof Marli Huijer ook wel treffend een ‘accudag’ genoemd.

Hoe waar die nuttigheid mag zijn, deze argumentatielijn is bij nader inzien eveneens weinig inspirerend en dwingt bovendien niet tot bescherming van een collectieve dag. Ieder kan zijn eigen accudag hebben. Maar minstens zo belangrijk is het bezwaar dat deze argumentatielijn ironisch genoeg de betekenis van een wekelijkse rustdag naar beneden haalt, omdat het onderdeel wordt van het streven naar economische productiviteit. Zo bezien had Kuyper wel weer een punt, een pragmatische argumentatie is inderdaad inferieur.

Overspannen samenleving | De vraag is vervolgens: hoe maken we van het eeuwenoude instituut van de rustdag weer een voorhoedegevecht? Dat vraagt voor alles gemeenschappen die de rustdag blijven praktiseren. Als de christenen zelf geen dag van rust, verstilling en loslaten van werk meer houden, kunnen ze het nooit overtuigend tot politiek maken. Daarnaast is een nieuw politiek relevant verhaal nodig. Dat moet een verhaal voorbij formalisme enerzijds en pragmatisme anderzijds zijn. In Kuyperiaanse taal: wat is de sociale kwestie waarop een wekelijkse collectieve rustdag het antwoord is?

Het antwoord ligt volgens mij voor het oprapen, namelijk in de zorgwekkende signalen over toenemende prestatiedruk en burn-outcijfers. We zien alom hoe de ratrace van de prestatiemaatschappij resulteert in een vermoeide samenleving (ik schreef er al eerder over in Groen). Waren eerst alleen opgebrande professionals en daarna studenten en starters het slachtoffer, inmiddels raakt die ratrace allerlei groepen in de samenleving en gaat hij ook politici zelf niet meer voorbij.

Deze problematiek is niet zomaar opgelost met een zak overheidsgeld. Zolang productiviteit de maatschappelijke norm blijft en we geen grenzen inbouwen om die productiviteit bij tijd en wijle te staken, zal de prestatiemaatschappij alsmaar doorhollen en blijven vermoeien. Wat we nodig hebben is een radicale herwaardering van de contemplatieve rust. Politiek en overheid kunnen dat niet realiseren, maar kunnen wel randvoorwaarden scheppen voor ontspannen samenleven.

We hebben nieuwe bufferzones nodig, momenten waarop we uit die ratrace kunnen stappen, open ruimtes om te kunnen herademen. Denk bijvoorbeeld aan het vormgeven van ruimtelijk beleid vanuit het belang van stilte en vertraging. Wat betekent dat voor de publieke infrastructuur en natuurbeheer? Of denk aan het cultureel erfgoedbeleid, voor veel mensen zijn dat vindplaatsen van rust. Zo kan bij diverse beleidsterreinen rust een aandachtspunt worden.

Tegelijkertijd moet de olifant in de kamer ook benoemd worden: het eeuwenoude instituut van de wekelijkse rustdag. De wekelijkse rustdag als collectief ritueel lijkt mij een krachtige poging om afscheid te nemen van het neoliberale juk. Voor wie mentaal vastzit aan de rustdag als beknellend religieus regime vraagt dat wellicht even omdenken, maar wanneer we teruggaan naar het oorspronkelijke Hebreeuwse woord sabbat, dat in het Oude Testament gebruikt wordt voor de rustdag, kunnen we de enorme sociale en politieke potentie ervan opnieuw ontdekken.

Sabbathouden draait om stoppen, om loslaten, om emotioneel, fysiek, spiritueel en sociaal rusten, om vieren en opnieuw omarmen van het leven. Sabbathouden betekent in vreugde het leven aanvaarden. De sabbat schept ruimte voor de niet-instrumentele en niet-nuttige dimensie van het leven. Het is een wekelijkse herinnering dat er meer in het leven is dan productiviteit.

Rust als engagement | In gedachten hoor ik de bezwaren al opkomen dat dit een elitair perspectief is: je moet het je maar kunnen permitteren om te rusten. Of erger nog, het verwijt van apathie of onverschilligheid voor het leed in deze wereld kan klinken. Maar beide zijn volstrekt onjuist. Sabbathouden is uiterst democratisch en sociaal, en draait om diep engagement met deze wereld.

Essentieel aan het sabbatsgebod in het Bijbelboek Deuteronomium is dat de sabbat verbonden wordt aan de uittocht uit de slavernij in Egypte. In Egypte mochten Joden niet rusten, maar moesten ze permanent doorwerken. Sabbathouden is daarom een teken van vrijheid. En precies in het neerleggen van ons werk, in het stoppen met productiviteit, treden we uit het domein van markt en strijd. Sabbathouden betekent ruimte voor vrije ontmoeting waarin mensen elkaars gelijken kunnen zijn en waardoor relaties kunnen opbloeien.

Juist door daarvoor een collectieve regeling te treffen en economische activiteiten van productie en consumptie zoveel mogelijk te beperken kan sociale rechtvaardigheid bevorderd worden. Want bedenk wel, het is de sociaalecono- mische onderklasse die werkt voor onze recreatieve activiteit en onze 24-uurseconomie. Een collectieve rustdag beschermt het recht van kwetsbaren, creëert een gelijk speelveld voor de opbouw van veerkracht en begrenst de oeverloze competitie.

En last but not least, sabbathouden heeft alles te maken met zorg voor de schepping, met duurzaamheid en rentmeesterschap. Sabbathouden gaat over limitering van groei, over dankbaarheid en tevredenheid met genoeg. Door beperking van mobiliteit vermindert de uitstoot van allerlei schadelijke stoffen, de positieve effecten daarvan hebben we gezien bij de uitbraak van de coronacrisis begin 2020.

Welbeschouwd raakt een collectieve wekelijkse rustdag het hart van de christelijk-sociale agenda. Een collectieve rustdag is in een vermoeide samenleving geen achterhoedegevecht meer, maar een voorhoedegevecht. Hopelijk blijven er politici die tegendraads genoeg willen zijn om dit gevecht aan te gaan.


Dr. Robert van Putten werkt als onderzoeker bij het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie. Daar werkt hij aan een project over deugdethiek in de politiek. Met een beurs van het Thijmgenootschap werkt hij daarnaast ook aan een bundel over rust. Dit artikel is een bewerking van zijn lezing op het online minisymposium over de rustdag van afgelopen juni, georganiseerd door het WI en de Bestuurdersvereniging.