Doe niet lacherig over nationale trouw - opinie NRC

Doe niet lacherig over nationale trouw - opinie NRC

18 augustus 2017 by Wouter Beekers (Directeur)

"Ik luister niet naar jou, want jij bent een Nederlander.” Zo reageerde een Turkse jongen toen Wouter Beekers hem vroeg de beker cola op te ruimen die de jongen had neergegooid. Conservatieven zullen op een dergelijke uitspraak een andere reactie hebben dan progressieven, elk vanuit hun overtuigingen. Maar van elkaars overtuigingen kunnen zij veel leren, betoogt Beekers. Over nationale trouw, bijvoorbeeld.

"Ik luister niet naar jou, want jij bent een Nederlander.” Kort daarvoor hadden een paar honderd van mijn stadgenoten zwaaiend met Turkse vlaggen door Rotterdam gelopen en duidelijk gemaakt waar hun sympathie lag. En nu stond een Turkse jongen van een jaar of twaalf voor me. Op het speelpleintje dronk hij verveeld uit een grote beker cola. Toen die halfleeg was – halfvol dus ook – wierp hij hem achteloos op de grond. Op mijn verbaasde vraag of hij dat even wilde opruimen was dit zijn antwoord. „Ik luister niet naar jou, want jij bent een Nederlander.” Dat deed pijn. En het maakte me radeloos. Wat hierop terug te zeggen?
„De komende tijd is bepalend voor de koers van ons land”, schreef Mark Rutte in die tijd aan alle Nederlanders: „Er ligt slechts één vraag voor: wat voor land willen we zijn?”


Identiteit is een politieke kwestie
Het debat over de Nederlandse identiteit verhit de gemoederen. Onze samenleving is geseculariseerd en geïndividualiseerd; wat Nederland nog samenbindt is een vraag geworden. Dat het belangrijk is dat nieuwkomers een plek krijgen op de arbeidsmarkt, daarover zijn we het wel eens. Maar of en hoe nieuwkomers cultureel en politiek moeten integreren, daarover gaan de meningen sterk uiteen. Progressieven en conservatieven staan lijnrecht tegenover elkaar. Smalend lachen ze om de ander. Over die populistische kruistochten voor het paaseitje. Of die politiek-correcte voorstellen voor het Suikerfeest als nieuwe nationale feestdag.
Maar net als in het migratiedebat hebben progressieven en conservatieven elkaar hier meer te vertellen dan zij denken. En is het goed te beseffen dat de vraag naar de Nederlandse identiteit ten diepste een vraag is naar menselijke relaties.


Patriotten hebben groot gelijk
De ‘conservatieve patriotten’ hebben groot gelijk met hun verhaal over de gemeenschap en het belang van een gedeelde cultuur en gedeelde waarden. Democratische natiestaten wortelen in de gedachte van gemeenschappen van burgers, die ontstonden langs lijnen van politiek en cultuur. Morrelen aan de bestaande tradities is niet zonder risico voor dit gemeenschapsbesef.
Gelukkig beseffen de meeste patriotten tegelijkertijd dat er meer is dan cultuur alleen. Zij omarmen daarom niet zozeer een ‘cultureel’ maar een ‘constitutioneel’ patriottisme. De term leen ik van de Duitse socioloog Jürgen Habermas, die bij de Hitlerjugend de gevaarlijke kant van oppervlakkig patriottisme aan den lijve had ondervonden. Het constitutioneel patriottisme zoekt de nationale eenheid niet in culturele gewoonten, maar in de grondwet. Het zijn de kernwaarden van de democratie die ons samenbinden. Binnen het democratisch speelveld is er ook ruimte voor cultureel verschil. Lodewijk Asschers ‘progressief patriottisme’ heeft hier veel van weg.
Tijdens de campagne passeerden nogal wat voorstellen de revue om het besef van de democratische waarden te versterken: van een nieuwe preambule bij de grondwet, een nieuwe ‘Dag van het Staatsburgerschap’, tot een maatschappelijke dienstplicht als leerschool voor de democratie. In dit plaatje past ook de participatieverklaring die nieuwe Nederlanders moeten afleggen, met een adhesieverklaring aan onze democratische kernwaarden.

Als constitutioneel patriot zou mijn antwoord aan de colawerper kunnen zijn: „Het gaat er niet om of jij Turk bent of ik Nederlander. Wij krijgen allebei veel vrijheid, maar ook verantwoordelijkheid. Daar spreek ik je op aan. Zo werkt het in dit land.”
 

… maar pluralisten niet minder
Dan de pluralisten. Al hebben zij veel gevoel bij deze democratische consensus, zij vragen ook aandacht voor diversiteit. En zij hebben groot gelijk, want een democratie kan niet zonder ruimte voor het verschil. Hoeveel democratische waarden we ook delen, er is altijd sprake van een afweging. Het streven naar vrijheid kan op gespannen voet staan met het verlangen naar gelijkheid. Iedereen maakt zulke afwegingen anders. Dat heet vrije wil en dat maakt ons tot mens. Wie zoekt naar een betrokken samenleving, geeft ruimte aan dit verschil. De grondwet kweekt geen betrokken burgers, zei een christelijk staatsman ooit. Betrokken burgerschap kan alleen maar groeien vanuit onze eigen overtuigingen. En ook nieuwkomers zijn uitgenodigd deel te nemen aan het democratische gesprek vanuit hun eigen waarden. Daarom geeft een sterke samenleving ruimte aan die verschillende overtuigingen. Een sterke democratie behoeft een sterke rechtsstaat, die deze ruimte borgt.
Dat is wat hedendaagse pluralisten bedoelen als ze oproepen tot een ‘open’, ‘inclusieve’ of zelfs ‘empathische’ samenleving. Ze wijzen terecht op de lange pluralistische geschiedenis van Nederland. Zo stelde Jesse Klaver voor een ‘Onafhankelijkheidsdag’ te gaan vieren op 26 juli. Op die dag werd in 1581 het Plakkaat van Verlatinghe getekend, waarmee Nederland zich onafhankelijk verklaarde van de Spaanse koning. Die tekst sprak al over de bescherming van de ‘aengeboren vryheyt’ van burgers om naar eer en geweten keuzes te maken in het leven.
Ook de verzuiling begon als pluralistisch project, maar die verstarde. In een reactie daarop bevochten de democraten van de jaren zestig de vrijheid. Zo moeten die democraten van nu weer een beetje leren dat hun secularisme geen dogma is.

Een pluralist zou de colawerper vragen naar zijn diepste motivatie: wat geloof jij dan, leert jouw geloof dit echt? Ook dat lijkt me geen verkeerde aanpak.


Bruggen slaan (en nu maar eens echt)
Inzetten op eenvormigheid is een zwaktebod voor een land, omdat een samenleving wordt gevormd door stuk voor stuk verschillende individuen. Maar een pluralisme dat vervalt in relativisme is ten dode opgeschreven, omdat een gemeenschap van mensen verbondenheid vraagt.
De beoogde coalitiepartners spreken deze dagen veel over de verbinding tussen conservatieven en progressieven. Hadden VVD en PvdA het vier jaar geleden niet ook al over ‘bruggen slaan’? Maar waar Lodewijk Asscher ‘roetpiet’ omarmde, repte Halbe Zijlstra van moord op het sinterklaasfeest. Het is te hopen dat onze politici ditmaal de verleiding kunnen weerstaan om de kloof electoraal te exploiteren en daadwerkelijk op zoek gaan naar de brug.


Tijd voor een cultuur van nationale trouw
Toch zijn we er niet met bruggen alleen. Als menselijke relaties – van liefde, familie of vriendschap – onder druk staan, hebben we het niet alleen over de spelregels van onze omgang. Maar ook over onze trouw: als partner, als ouder, als zoon, als vriend. Sommige relaties, zoals op het werk, zijn formeler van aard. Maar de meesten van ons – hetzij werknemer, hetzij werkgever – worden er toch behoorlijk ongelukkig van als saamhorigheid helemaal geen rol speelt.
We moeten balanceren tussen de democratische consensus en ruimte voor het pluralisme. Anders gezegd: hoe vullen we ons ‘sociaal contract’ in? Maar in het debat daarover dreigen we ons helaas te verliezen in de spelregels. Aan de vraag naar ons ‘sociaal contract’ gaat een vraag vooraf; dat is de vraag of wij nog wel een gemeenschap willen vormen met elkaar. Tegenover het contract-denken spreekt de traditie van de christelijke politiek wel van een verbond-denken. Bestaat er zoiets als trouw aan de gemeenschap Nederland? Een gedachte van een ondeelbare natie?

Precies op die plek deed de reactie van de colawerper pijn. Zijn „jij bent Nederlander, dus ik luister niet naar jou” maakte een einde aan iedere gedachte van verbondenheid.


Allochtonen en dubbele nationaliteiten
 
Mensen met een migrantenachtergrond voelen dat vaak nog pijnlijker, als politiek leiders hen toespreken in termen van: ‘oprotten’, ‘oppleuren’ en ‘minder, minder, minder’. Terecht ligt het woord ‘allochtoon’ gevoelig. Het allochtoon – ‘van vreemde aarde’ – verklaren van burgers, staat haaks op de gedachte van een ondeelbare natie. Het zou goed zijn als ook politici hun woorden zorgvuldiger kiezen. Laat ze vooral problemen blijven benoemen bij groepen met een bepaalde migratieachtergrond, maar dat kan óók gewoon als Nederlanders ‘van eigen grond’.
Evenzeer is het goed dat er debat wordt gevoerd over de dubbele nationaliteit die meer dan een miljoen Nederlanders hebben. Ieder van ons heeft meerdere loyaliteiten in zijn of haar leven. Maar als Nederland en Turkije in een politiek conflict verwikkeld zijn en Turkse Nederlanders gaan demonstreren tegen de Nederlandse staat, dan is het niet gek dat velen gaan twijfelen over hun loyaliteit aan de gemeenschap Nederland. Hun Turkse nationaliteit, met bijkomend Turks stemrecht, speelde daar wel degelijk een rol. De buitenlandse dienstplicht is in dit verband al helemaal problematisch.
Nederland kent al zoiets als het ‘afstandsbeginsel’, waarbij aan betrokkenen wordt gevraagd afstand te doen van de tweede nationaliteit. Maar het is een slapend beginsel, dat trouwens vol juridische haken en ogen zit. Het lijkt me verstandig als de politiek zoekt hoe dit beginsel nieuw leven kan worden ingeblazen.
 

Een Wilhelmus voor onze politici
Wie zoekt naar een cultuur van nationale trouw kan leren van landen met een lange geschiedenis van omgaan met diversiteit, zoals de Verenigde Staten. Publieke bijeenkomsten en schooldagen beginnen er met een belofte van trouw: ‘I pledge allegiance to the Flag of the United States of America, and to the Republic for which it stands, one Nation under God, indivisible, with liberty and justice for all.’
Een cultuur van nationale trouw valt in Nederland van nu niet zomaar uit te vinden. De hoon waarmee op voorstellen voor nieuwe feestdagen wordt gereageerd, laat zien dat gewortelde tradities niet zomaar te herplanten zijn. Dat geldt, vrees ik, evenzeer voor de Wilhelmus-zingende-schoolklasjes van Sybrand Buma.

Wie een samenleving mee wil nemen in een cultuur van nationale trouw, moet zelf voorop durven lopen. Dat vraagt van onze leiders dat ze op zoek gaan naar een gedeeld verhaal over onze democratie, over de vrijheid en de trouw aan Nederland. Laat onze politiek leiders eerst eens zelf die mooie woorden van het Wilhelmus in de mond nemen. ‘Vrij’, ‘onverveerd’ en ‘den vaderland getrouwe’ – het zijn woorden die in een regeerakkoord of troonrede niet zouden misstaan. Zeker niet als ze komen met een verbindend verhaal over de toekomst van ons land. Een cultuur van nationale trouw zou kunnen helpen. Trouw is een goede basis voor een zoektocht naar consensus. Trouw verdraagt veel verscheidenheid.

En de colawerper? Ik keek hem aan, zweeg, stond op en wierp het bekertje zelf in de afvalbak. Op mijn lippen brandde de vraag: „Jij en ik, zullen we het hier niet samen moeten rooien in dit land?” En al heb ik de woorden niet uitgesproken, wie weet heeft hij ze wel verstaan.