Groen van Prinsterer en de politiek van Otto von Bismarck

Groen van Prinsterer en de politiek van Otto von Bismarck 

Groen volgde kritisch de ontwikkelingen in Frankrijk en Duitsland. Ondanks Bismarcks ambitie om een protestants Pruisisch rijk te stichten, was de protestant Groen kritisch op diens buitenlandpolitiek. Bismarck schond volgens Groen de staatssoevereiniteit en liet ten onrechte het recht van de sterkste gelden. Met zijn opvattingen vond Groen een bondgenoot in de Duitse christen-politicus Friedrich Julius Stahl. In dit artikel bespreekt Harm Veldman achtereenvolgens de fasen van de Duitse eenwording, de Frans-Duitse oorlog en de kwestie Luxemburg.

Auteur: Dr. Harm Veldman is gepensioneerd docent geschiedenis aan het Gomaruscollege in Groningen.

Op uitnodiging van Ernst Ludwig von Gerlach reisde Groen van Prinsterer reisde met zijn vrouw op 16 september 1867 naar Duitsland. Von Gerlach had Groens brochure La Prusse et les Pays-Bas ontvangen en was er zeer mee ingenomen. Von Gerlach was opperrechter en had – evenals Groen – veel bezwaar tegen Bismarcks politiek.  Maar velen – ook in Nederland – zagen in Bismarck een groot man die door Gods voorzienigheid aan het vaderland geschonken was. Groen verdedigde de defensiepolitiek om Nederland in staat te stellen goed weerstand te bieden aan agressoren. In Berlijn woonde Groen een zitting bij van de Rijksdag, het parlement van Pruisen, waar de kwestie Luxemburg werd behandeld.  Daar klonk onder meer de stem van Bismarck.  Op 4 oktober keerde het echtpaar Groen terug naar Den Haag.

Otto von Bismarck was een politieke bolleboos die, na verschillende ambtelijke functies te hebben vervuld, in 1862 door koning Wilhelm I met tegenzin werd aangesteld als minister-president van Pruisen. Bismarck was als politicus een wilskrachtige persoonlijkheid die zich niet gauw liet overtuigen door andere persoonlijkheden, maar graag zijn eigen koers uitzette. Overleg was een vorm van democratie die niet goed bij hem paste, maar waar hij overigens na de revoluties van 1848 wel rekening mee diende te houden. De Franse keizer Napoleon III liet weten dat Bismarck ‘geen man was die je serieus moest nemen’. Hij zou het tegendeel ondervinden.  

Groot ideaal

Bismarck had een groot ideaal dat hij in een aantal fasen wilde realiseren. Hij streefde naar een Noord-Duitse Bond, met Pruisen als bruisend en protestants middelpunt. Er bestond weliswaar al een Duitse Bond, waarin veel ‘losse’ staatjes waren verenigd, maar dat was een zwak geheel, waarvan geen inspiratie uitging. In de eerste fase werd het doel vrij gemakkelijk bereikt door een korte oorlog tegen Denemarken dat Sleeswijk en Holstein1 in bezit had. Pruisen kreeg in deze oorlog steun van het keizerrijk Oostenrijk. Zonder veel moeite voegde Bismarck ook Saksen-Lauenberg toe aan Pruisen. Gaandeweg werd duidelijk dat de protestant Bismarck bepaald geen vriend was van het rooms-katholieke Oostenrijk. Hij wilde maar één ding: zijn eigen Pruisen grootmaken! En zo begon de tweede fase.

Oostenrijk werd in een korte oorlog in 1866 de Duitse Bond uitgewerkt. Tegelijk werden de koninkrijken Hannover, Saksen (dat Oostenrijk had gesteund) en Keur-Hessen door Pruisen ingelijfd. De vorsten namen de wijk naar het buitenland. 

In het ‘nieuwe’ Pruisen groeide het enthousiasme voor deze nationalistische politiek die militaire successen boekte Nationale trots beheerste de Duitse bevolking steeds meer, maar ook in het protestantse Nederland groeide de sympathie voor zo’n dappere held.   

In de derde fase richtte Bismarck zich op de zwakke Zuid-Duitse Bond.  Hoe zou hij die kunnen inlijven? De Spaanse troon was vacant in 1868. De keus viel op de Duitse prins Leopold von Hohenzollern-Sigmaringen. Maar die keus – pas bekend gemaakt op 1 juli 1870 – viel bij de Franse keizer Napoleon III helemaal verkeerd. Hij vreesde een Duitse omsingeling. De Franse keizer eiste publiekelijk dat Leopold definitief zou afzien van de Spaanse troon. Maar daarmee was de kous niet af. Bismarck stookte het vuurtje verder op. In zijn ogen had Frankrijk zich bemoeid met zaken die alleen Pruisen en Spanje aangingen. Vervolgens dreef hij de zaak op de spits met scherpe publicatie. Tegelijkertijd werd het sterke Pruisische leger gemobiliseerd, waarbij zich ook de Zuid-Duitse gewesten aansloten. Op deze ondiplomatieke werkwijze reageerden de Fransen met legermobilisatie. De Franse publieke opinie eiste actie. Een oorlog was onafwendbaar. Het leger van Napoleon III trok op 19 juli 1870 het Zuid-Duitse gebied binnen en werd verslagen door samenwerkende Noord- en Zuid-Duitse troepen; een grote klap was de gevangenneming van Napoleon III. Frankrijk werd vernederd. Duitsland eiste Elzas-Lotharingen op en kreeg dat nu in handen; ook moest Frankrijk een fikse herstelbetaling leveren. Maar de allergrootste klap werd begin 1871 uitgedeeld: op 18 januari werd de Pruisische koning Wilhelm I in de Spiegelzaal van Versailles (afb.) uitgeroepen tot keizer van Duitsland.  Op 10 mei 1871 was de oorlog voorbij.  

Groens eerste reactie op het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog luidde: ‘Is inderdaad de oorlog onvermijdelijk? Is er, te elfder ure geenerelei mogelijkheid meer om, door veerkracht der diplomatie, eer de volkeren ter slachtbank worden geleid, herstel van de vrede te bewerken?’2 Groen hield Bismarck verantwoordelijk voor deze oorlog en vreesde dat Europa een nieuwe oorlog te verwerken kreeg.                       

De Luxemburgse kwestie 

Over Luxemburg ontstond in de jaren 1866/67 een conflict dat in Nederland scherp voelbaar werd. Er waren merkwaardige ontwikkelingen. Te beginnen bij koning Willem III van Nederland, die ook groothertog van Luxemburg was. Na de definitieve nederlaag van keizer Napoleon I bij Waterloo was besloten in Wenen (1815) om de expansiedrift van Frankrijk te beteugelen door een groep van samenwerkende landen. Naast Pruisen (met Zuid-Duitsland), Spanje en Geroot-Brittannië kreeg ook het Verenigde Nederland daarin een taak. Daartoe werden de Oranjes aangewezen als hoogste gezagdragers in het groothertogdom Luxemburg. In de stad Luxemburg werd een Pruisisch garnizoen gelegerd. 

Toen België zin 1831 zelfstandig werd, kreeg dat het westelijke deel van Luxemburg als provincie toegewezen. Omdat de Duitse Bond hierdoor een gebied verloor, werd ter genoegdoening ook het hertogdom Limburg lid van de Bond. Het overblijvende deel – met de hoofdstad Luxemburg – was een autonoom gebied, grenzend aan Duitsland en Frankrijk. Zo regeerde daar de Nederlandse koning daar als groothertog. Willem I werd met Luxemburg ook lid van de Duitse Bond. Dat kon gevolgen krijgen voor de handhaving van de Nederlandse neutraliteit. De oorlogen van 1864 en 1866 door Bismarck gevoerd, leidden ertoe dat er ten oosten van Luxemburg een sterke staat was ontstaan – die ernaar streefde het hele Duissprekende gebied tot een machtige eenheid om te vormen. 

De onrust in Frankrijk nam hand over hand toe. Keizer Napoleon III broedde op maatregelen. Hij wilde Luxemburg overnemen van de (zwakke) Duitse Bond. Bismarck kon daar wel mee instemmen, mits er aan deze ‘handel’ geen publiciteit zou worden besteed – dan kon Bismarck dit zonder medewerking van het Pruisische parlement regelen. Hij werkte intussen aan de sterke Noord-Duitse Bond. 

Hoe stond Nederland in de zaak-Luxemburg? De regering – ook koning Willem III – wilde Luxemburg niet graag als lid zien van de Noord-Duitse Bond. Daarop dreigde Bismarck Nederland met een oorlog die Limburg ten oosten van de Maas bij Pruisen zou voegen. Die dreiging bracht de Nederlandse regering ertoe militaire steun te vragen bij Frankrijk.  Napoleon III wilde wel steun verlenen, op voorwaarde dat Luxemburg door aankoop bij Frankrijk ging behoren. 

Koning Willem III had wel oren naar de verkoop van ‘zijn’ groothertogdom. Hij zat in geldproblemen en nu kon hij wellicht 5 miljoen gulden incasseren. Tegelijk was hij van het Luxemburgse probleem af – dan lag de verantwoordelijkheid bij Franrijk als er ooit door Pruisen oorlog om het groothertogdom zou worden gevoerd. Toen deden verschillende landen een poging tot bemiddeling, zonder resultaat. In Londen (1867) werd beslist over Luxemburg. Het eerste was de verklaring dat Luxemburg haar neutraliteit gegarandeerd werd. Bovendien werd het onafhankelijk verklaard, al zou het in een personele unie blijven met Nederland. Ten derde werd besloten dat Limburg en Luxemburg geen deel zouden worden van de Noord-Duitse Bond; Pruisen moest daarom zijn legereenheid uit Luxemburg terugtrekken.  

Deze ontwikkeling werd in de Tweede Kamer kritisch besproken, waarbij naast de rol van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, J.P. J.A. Graaf van Zuylen van Nijevelt, ook die van koning Willem III onder de loep werd genomen. De koning was daar niet van gediend en besloot de Kamer te ontbinden – wat echter geen enkel resultaat opleverde, omdat de nieuwe Kamer eenzelfde kritische stem liet horen. Toen besloot het kabinet tot aftreden. Groen was geen kamerlid meer, maar zou zich zeker hebben aangesloten bij de kritische Kamer. 

Bismarck legde zich er met gemengde gevoelens bij neer. Er kwam bij hem wel een nieuw plan naar boven om (na Oostenrijk 1866) ook Frankrijk de superioriteit van Pruisen te laten voelen. Europa wist wat men aan hem had: hij was de man van ‘Blut und Eisen’ die sluw op zijn doelen afging. Groen bleef nog wel van mening dat het grootste gevaar van een oorlog uit Frankrijk kwam, waar de ijdele en eerzuchtige Napoleon III regeerde. Maar hij hield Bismarck ook in de gaten. 

Groen van Prinsterer bekritiseert Bismarcks politiek

Groen noteerde in de uitgave van Ongeloof en Revolutie van 1868 de kenmerkende woorden: ‘De Moderne Maatschappij, met al haar uitnemendheden, in de dienstbaarheid der ongeloofstheorie geraakt zijnde, wordt telkens meer verleid tot stelselmatige verloochening van den levenden God.’ Zonder God te erkennen kan het nooit goed gaan in een staat! Groen had zich helder aan het Nederlandse volk voorgesteld. Hij stond goed bewapend klaar om de politieke arena in te gaan. 

In 1848 – het jaar van diverse revoluties in Europa – kreeg Groen er ‘zomaar’ een Duitse vriend bij, die hij zeer hoog achtte:  de jurist en christen-politicus Friedrich Julius Stahl. Hoe was deze relatie ontstaan? Mr. T de Vries noteerde in de door hem opgezette bibliografie van Groen de volgende omstandigheid: ‘Groen werd met Stahl bekend inzonderheid sedert 1848 door bemiddeling van C. Star Numan3 van 1833-1857 hoogleeraar (in de rechten) aan de Groningse Universiteit en die met Stahl sympathiseerde.’ Star Numan zorgde er tijdens hun gesprek voor dat Groen in bezit kwam van Stahls standaardwerk ‘Geschichte der der Rechtsphilosophie’ (deel 1, 1847). Star Numan kreeg van hem zijn ‘Ongeloof en Revolutie’.  Groen was blij verrast dat hij in Berlijn een medestander van formaat had die in bijna dezelfde bewoordingen als hijzelf verband legde tussen ‘ongeloof en revolutie’. Stahl was in zijn ogen een invloedrijke ‘Duitse antirevolutionair’. 

Als een van de eerste geschriften van Stahl las Groen Die Constitutionlle Monarchie und die Revolution(1848). Hij gaf aan dat het een ‘uitmuntend’ werk was, gericht op de verdediging van de grondwettige monarchie als stabiele factor. Op het punt van de macht van de soevereine vorst verschilde Groen met Stahl; deze leerde dat de monarch de hoogste macht bezit door goddelijk recht. Groen dacht meer in de zin van het constitutioneel bepaalde recht.4 De daarin omschreven vrijheden van de natie stonden hoog in zijn vaandel. 

Het kenmerkende van Stahl is door Groen beschreven als hij  aangeeft zich gelukkig te prijzen diens geschriften te hebben mogen bestuderen ‘omdat daarin met zeldzame duidelijkheid getoond wordt dat enkel door volledige afzwering van het revolutiebeginsel, enkel door terugkeering tot de eenvoudige en onveranderlijke grondslagen van Staat en Maatschappij, waarheid en kracht verkrijgbaar is voor de vrijheden en regten, voor de instellingen en vormen, die men, in verband met de historische ontwikkeling der tijden, in onze dagen verlangt.’  

In het door hem in 1850 aangekochte dagblad De Nederlander maakte Groen de beginselen van Stahl nader bekend zodat Nederlandse politici gewaarschuwd werden. Groen heeft met instemming gelezen dat Stahl stelde dat bij het liberalisme het begrip ‘koning’ ontbrak – hun democratie kan zonder dat ambt. In die trant sprak Groen daarover zijn verontrusting uit in de Tweede Kamer op 26 september 1849. Hij kwam daarmee op voor de soevereiniteit van het koningschap. Soevereniteit is de volkenrechtelijke basis voor het zelfstandig bestaan van een staat; een staat heeft niet het recht om over een andere staat macht uit te oefenen. 

Ik laat nu even liggen de kritische notities van hen die Stahl vergelijken met Groen en dan stellen dat Groen wel te ver is gegaan door de conservatieve christen Stahl als zijn evenknie te beschouwen. Het is intussen wel zo dat Stahl ook aangaf veel overeenkomsten met Groen te hebben, zoals blijkt uit zijn brief aan Groen van 5 augustus 1860.5

In 1862 herdacht Groen de overleden Stahl met een sympathiek geschrift van 127 bladzijden, getiteld Ter Nagedachtenis aan Stahl. Nog in hetzelfde jaar begon Groen aan een meer uitgebreide studie met betrekking tot Stahl, die hij niet heeft voltooid. De tekst daarvan kreeg in 1988/1991 alsnog een plaats in het laatste deel van de aan Groen gewijde uitgaven van de RGP (pp. 354-416). 

Aan zijn ‘Amis de Berlin’ droeg Groen zijn geschriften op, namelijk: ‘La Prusse et les Pays-Bas. A mes Amis de Berlin’ (maart 1867) met een eerste kritische verwijzing naar de politiek van Bismarck. Direct daarop aansluitend gaf Groen in mei 1867 zijn ‘L’Empire Prussien et l’Apocalypse. A mes Amis de Berlin’ uit – het kwam tot een derde druk!6 

Groen was bezorgd over de meegaandheid van veel Duitse geloofsgenoten die de politiek accepteerden van ‘het recht van de sterkste’ zoals Bismarck die getoond had in de annexatie van Sleeswijk en Holstein en in de oorlog tegen Oostenrijk.

P. Jongeling over Groen – Tweeërlei volkenrecht                              Gereformeerd Gezinsblad 13.10.1962 

“Waarom maakte Groen van Prinsterer zich zo druk over politieke gebeurtenissen die zich buiten onze grenzen afspeelden en in het bijzonder de politiek van Bismarck die met list en geweld de kaart van Europa veranderde? Wel, in de eerste plaats – dat zag Groen heel scherp – bedreigde deze politiek ook de Nederlandse veiligheid. […] Dat was echter niet de enige reden van Groens getuigende activiteit in dezen. De christenstaatsman dacht waarlijk ‘Europees’ in de goede zin des woords. Hij besefte, dat volken, staten en overheden niet als losse zandkorrels naast elkaar bestaan, maar dat er wel degelijk een internationaal recht is, door God gegeven, waaraan allen onderworpen zijn. […].

Groen schreef in de lijn van de grote reformatie van de 16e eeuw, die door haar terugkeer naar de Schrift van ontzaglijke betekenis is geweest voor het volkenrecht. De reformatie die het beginsel ‘pacta sunt servanda’ d.w.z., verdragen hebben verbindende kracht, zo sterk naar voren heeft gebracht, die opkwam voor de vrijheid en onafhankelijkheid der staten en voor hun onderlinge gelijkheid, zodat een grote staat nooit de baas mocht spelen over de kleinen, en die, met afwijzing van de ene wereldstaat, pleitte voor de onderlinge solidariteit van de staten. Zegenrijk waren de gevolgen van deze reformatorische beginselen die een tijdlang grote invloed uitoefenden in Europa. Groen schreef daarover: ‘Vóór de Franse revolutie was het heersende beginsel erkenning van de heiligheid van het recht, gegrond op de wil Gods; erkenning dat de souverein regeerde bij de gratie Gods. […] De Franse revolutie bracht de heerschappij van een ander, een revolutionair volkenrecht dat uitging van de door Rousseau gepredikte volkssouvereiniteit […], van de erkenning van het voldongen feit als rechtsnorm.’ Dit heeft ontzaglijk veel ellende gebracht: twee wereldoorlogen! 

Geraadpleegde geschriften 

Naast de ruim 150 boeken en brochures die Groen van Prinsterer uitgaf tijdens zijn leven is er vanaf 1925 gewerkt aan een serie van de Rijks Geschiedkundige Publicatiën (RGP) die nu negen vuistdikke groene (!) delen telt met de (niet geheel complete ) Briefwisseling van Groen – inclusief die met Abraham Kuyper uit 1937 – en een belangwekkend aantal van Groens niet gepubliceerde teksten. 

De thematiek van Groen en de politiek van rond Bismarck is in 1936 onderzocht door de toenmalige drs. H. Smitskamp (later hoogleraar geschiedenis aan de VU), gepubliceerd in AR-Staatkunde van 1936, pp. 162 – 193. 

Dit onderwerp werd eveneens beknopt behandeld door Hervormde predikant dr. J.W. Kirpestein in zijn proefschrift Groen van Prinsterer als belijder van kerk en staat in de negentiende eeuw (Leiden 1993); daarbij heeft hij het artikel van Smitskamp waarschijnlijk niet ingezien, gelet op het ontbreken ervan in de literatuurlijst. 

Het oud-Kamerlid van de ARP, A. Zijlstra schreef in het Gereformeerd Gezinsblad een serie van vijf artikelen over ‘Groen en Stahl’; 16 – 29 augustus 1961. 

Journalistieke aandacht voor de politiek van Bismarck kwam uit de koker van P. Jongeling; hij schreef – nog voor hij lid van de Tweede Kamer werd – in het Gereformeerd Gezinsblad een week lang, van 8 tot 13 oktober 1962, een reeks van zes hoofdartikelen over Bismarcks politiek en de invloed daarvan op de politiek in Nederland. 

A, Klink, ‘Groen van Prinsterer en Stahl’. In: J. de Bruyn en G. Harinck (red.), Groen van Prinsterer in Europese context. Hilversum 2004, pp. 55vv. 

Dan zijn er de dissertaties: 

  • Roel Kuiper, Zelfbeeld en wereldbeeld, Antirevolutionairen en het buitenland 1848-1905,Kampen 1992 
  • W.G.F. van Vliet, Groen van Prinsterers historische benadering van de politiek, Hilversum 2008 
  • Jelle Bijl, Een Europese Antirevolutionair. Het Europabeeld van Groen van Prinsterer in tekst en context, Amsterdam 2011

 

 

 

Eindnoten

1 Van 1848-1851 was er al oorlog gevoerd om Sleeswijk en Holstein die toen door Pruisen werd verloren. De twee Deense gebieden kenden en sterke Duitstalige minderheid die nationalistische trekken vertoonde. 

2 Groen in: Nederlandsche Gedachten, 23 juli 1870, onder het kopje ‘Neutraliteit’ – belangrijk voor ons eigen land.

3 Star Numan was een discipel van Stahl en de Groninger zou dan ook volgens Groen in Leiden de opvolger moeten worden van J.R. Thorbecke (die zich toen volledig aan de politiek wijdde). Groen stelde: de eenzijdigheid van de liberale Thorbecke zou dan plaats maken voor ‘een heilzame strijd der opinies’. Star Numan bleef echter in Groningen. Hij onderhield een regelmatig briefcontact met Groen.  

4 H. Dooyeweerd (1950), De strijd om het souvereiniteitsbegrip in de moderne rechts- en staatsleer, 14

5 RGP 90, Briefwisseling deel 3, p. 420

6 Kort na 1990 gaf de Groningse kerkhistoricus F.R.J. Knetsch een nieuwe editie (in facsimile) uit van de beide Franstalige brochures van Groen; inclusief inleiding en annotaties.