Elke huisarts is ook straatarts

Iedere huisarts is ook straatarts

Martin Beeres.jpg

Wederkerigheid is voor mij het sleutelwoord in de relatie met de patiënt, zo vertelde voormalig huisarts Martin Beeres in het interview in Groen. “Ik haal er energie uit.” Op de site volgt hier het tweede deel van het interview. 

- Door Karin ter Horst en Aart Deddens

Hoe zit het met de wederkerigheid in de relatie van een straatarts met zijn patiënten? Kun je een relatie opbouwen met daklozen en ongedocumenteerden?

“Dat is precies wat ik moeilijk vind van mijn huidig werk als straatarts: het is veel lastiger om te werken aan een wederkerige relatie. Ik zie op de daklozendag afgelopen donderdag een Poolse meneer met oorpijn. Ik kijk even in zijn oor. ‘Hoe lang heb je het?’ ‘Eén dag’. Ik zeg:  ‘neem maar even een paracetamol. Maar als het niet overgaat dan moet je terugkomen.’ Dan hoop ik maar dat hij vandaag (maandag) bij mijn collega op het spreekuur komt. Maar voor hetzelfde geld komt die dakloze meneer niet. Onlangs heb ik een andere meneer met een opgezette lymfeklier naar zijn eigen huisarts gestuurd, want ik dacht: het is gewoon niet goed. Het is mogelijk kanker. Die man zou een heel intensief zorgtraject in moeten. Dus heb ik van tevoren die huisarts gebeld om een en ander uit te leggen, een afspraak voor hem gemaakt en hem vooral gemotiveerd daadwerkelijk ook te gaan. Die huisarts heeft hem naar de KNO-arts gestuurd. De KNO-arts heeft bevestigd dat het keelkanker is en dat hij chemo zou moeten krijgen. Dat laatste kan eigenlijk niet samengaan met zijn heroïne gebruik. Dus loopt hij weer rond en ik zie hem niet meer. En dat vind ik moeilijk. Ik wil wel graag blijven meezoeken en blijven meeleven. Naast hem gaan en staan.”

De problematiek is dus heel divers.

“Ja, en je ziet ook wisselende trends. Tegenwoordig zien we veel snijwonden, aan handen en polsen. Dat gebeurt bij mensen die in prullenbakken naar blikjes zoeken met statiegeld. Soms komen ze daar heel laat mee, dan is er al een flinke infectie. En de volgende patiënt die op de stoep staat is iemand die in het voren een herhaalrecept voor haar medicatie tegen een bipolaire stoornis wil krijgen om naar haar stervende moeder in Hongarije te kunnen reizen.”

Waar werken jullie als straatarts?

“We hebben twee keer per week een dagdeel spreekuur; de ene keer in de dagopvang en de andere keer in de nachtopvang. We worden geweldig ondersteund door GGD-verpleegkundigen en maken gebruik van het HIS (Huisartsinformatiesysteem) van een huisartsenpraktijk. Bij de nachtopvang zitten we in een klein kamertje. De dagopvang is een plek waar mensen zich kunnen wassen, douchen, kleren kunnen wassen, waar ze een tosti en koffie kunnen krijgen. We zijn met een groep van zes dokters.”

Hoe is de relatie met andere huisartsen?

“Ook daarin wederkerigheid van belang! Ik vind dat die er ook móet zijn. Er hoort er geen onderscheid te zijn. Alle dokters zijn net zo goed ook straatdokter, zo bijzonder is dat nu ook weer niet. Zij hebben namelijk ook patiënten die op straat leven. Dan slapen ze misschien niet hier onder de brug, maar dan slapen ze bij hun familie of vrienden op de bank. Omdat ze geen huis hebben. Daarom zeg ik tegen mijn studenten op de huisartsopleiding: jullie moeten dus altijd doorvragen hoe het met iemand gaat. Vraag naar: Hoe wonen ze, wat doen ze, zijn er financiële zorgen etc etc. Alle dokters hebben verslaafden onder hun patiënten, alle dokters hebben mensen die in armoede leven, alle dokters hebben straatmensen. Je moet er oog voor hebben.

Als het om wederkerigheid gaat zeg ik tegen andere huisartsen bijvoorbeeld, oké, als een patiënt ontregelend in je wachtkamer is en je vindt het vervelend dat hij de boel op stelten zet, laat die maar gewoon naar ons komen. Dan geef ik jou wel een berichtje terug wat ik gedaan heb en wat nodig is. 

Als dan een jong meisje van achttien bij me komt met een klacht over pijn in de onderbuik en vaginale afscheiding en ik zit daar zonder fatsoenlijke onderzoeksbank, dan bel ik diezelfde huisarts van wie ik net die onaangepaste meneer kreeg doorverwezen en dan zeg ik: “Ik heb hier een jonge meid en die moet even heel fatsoenlijk inwendig onderzocht worden. Voor haar is het ook prettiger als ze geholpen wordt in een schone discrete setting en dan ook nog bij voorkeur door een vrouwelijke arts. Wil jij dat even doen? Dat is ook wederkerigheid. We helpen elkaar.” 

En hoe is jullie relatie met het ziekenhuis?

“We hebben hier in Nijmegen twee heel fijne ziekenhuizen: Radboud en CWZ. Ik heb nog nooit meegemaakt dat patiënten die ik doorstuurde niet werden geholpen omdat ze onverzekerd waren, stonken, of moeilijk deden. En het geld komt wel, of niet. Eerst helpen. Specialisten hebben hier een goede houding, en met name op de eerste hulp, want die krijgen het meest te verwerken. Ik hoor ook wel andere verhalen en wat dat betreft hebben we het hier goed.”

Hoe zit dat eigenlijk met geld? Welke mensen worden geholpen en hoe wordt het dan vergoed?

“Er zijn diverse onderscheidingen: je hebt rechthebbenden en zogenoemde niet-rechthebbenden. Dat hangt af van de persoonlijke situatie en voorgeschiedenis. Heb je een woonadres, arbeidsverleden in Nederland, kom je uit een EU-land of daarbuiten?

Daarnaast heb je verzekerden en mensen die hun verzekering niet voor elkaar hebben, omdat ze die bijvoorbeeld niet kunnen betalen, of wat ook. Mensen die hun verzekering niet op orde hebben en er wel recht op hebben, moeten door gemeenten bij de hand genomen worden, is mijn overtuiging.

Er zijn duidelijke richtlijnen voor zorg voor onverzekerden. Er is een subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg voor onverzekerden (SOV) voor rechtmatig in Nederland verblijvende patiënten. Voor onrechtmatig verblijvende (ook wel illegaal genoemd) is de regeling Onverzekerbare Vreemdelingen (OVV). De vergoedingen vinden plaats via het CAK en zorgverleners kunnen daar contracten mee afsluiten.

Alleen, daarvoor moeten dokters aparte formulieren invullen en men is druk bezig dit proces te digitaliseren. Dat kost nu nog moeite en het wordt als te veel papieren rompslomp ervaren. Ook veel ziekenhuizen vinden dat vaak lastig en houden dan de zorg af. Maar in Nijmegen dus niet Voor verslavingszorg, de ggz en paramedische diensten lopen we wel tegen problemen aan.”

Loop je ook weleens tegen ethische dilemma’s aan, bijvoorbeeld: moet je een illegaal verblijvende migrant helpen die zich ernstig geblesseerd heeft bij doorslijpen van koperdraad in het spoor?

“Oef, dat vind ik wel een tendentieuze vraag, net alsof dit soort criminaliteit altijd door migranten gedaan wordt. Ik bestrijd dat en trouwens wij Nederlanders kunnen er ook wat van: we hebben onze VOC-mentaliteit ingezet voor drugslabs en cocaïnehandel. Maar het antwoord op je vraag is eigenlijk heel simpel, ongeacht wat iemand gedaan heeft en ongeacht het letsel dat iemand heeft opgelopen verdient iemand goede medische zorg. Mijn artseneed of -belofte telt voor iedereen! Ik hoef de context niet te weten en heb trouwens mijn beroepsgeheim. Help je zo iemand goed, dan is de kans op recidive criminaliteit ook weer minder.”

Als straatarts krijgen jullie in Nijmegen niets. Jullie doen het vrijwillig.

“Klopt, al vind ik dat persoonlijk niet zo professioneel, moet ik heel eerlijk zeggen. Het gaat me helemaal niet om het geld. Ik doe het graag en met overtuiging. Als er een betaaltitel aan hangt, kun je makkelijker op kwaliteitscriteria aangesproken worden. Dat vinden sommige collega’s of organisaties onwennig en misschien wel bedreigend. Terwijl ook voor vrijwilligersorganisaties er goede kwaliteitswaarborgen en regelingen op te zetten zijn.

Ik vind dat er geen onderscheid zou moeten bestaan. Onze zorg als straatarts zou dezelfde kwaliteit moeten hebben als de zorg die jij en ik als verzekerden in een normale huisartsenpraktijk genieten. Dan reken je op kwaliteit.”

Wat ís goede zorg?

“Ik ben nu webpagina aan het maken op het SharePoint platform voor onze huisartsopleiding waar alle ggz-onderwerpen op staan. Daar heb ik nu een startpagina voor gemaakt. En dan krijg je natuurlijk de waarschuwing dat je bij plaatjes moet opletten dat er geen auteursrechten aan vastzitten. Nou heb ik toch iets gepikt. Van Stichting Pandora: ‘Ooit een normaal mens ontmoet… en beviel het?’

Een neventitel, die ik eronder gezet heb, is: ‘Als je het even niet meer weet, willen we graag samen kijken wat je nodig hebt.’

Ik heb veel geleerd van Jim van Os, psychiater. Jim zegt: ‘wat doe je als een kindje uit een klimrek valt en je erheen loopt?’ Een meisje ligt huilend op de grond. Ga je dan opschrijven: een Kaukasisch meisje, acht jaar, weldoorvoed, huilend, goed gekleed etc. Zoals bij een officieel psychiatrisch onderzoek. Of ga je zeggen van... Goh meid, wat is er gebeurd? Heb je pijn? Kan ik je helpen?

Kortom wat vraag ik als arts bij iedere mentale klacht/probleem: Wat is er gebeurd? Waar wil iemand naartoe? Wat zijn iemands sterke en zwakke kanten? En wat heeft iemand nodig? Die vier vragen. Die vier vragen noemt Jim van Os in zijn boek De DSM 5 voorbij. Goede zorg begint met goed luisteren. 

Niet voor niets heet het Vlaamse handboek voor Eerste hulp bij psychische problemen: Luister.”

En gaat het echt altijd om medische dingen waar jij mee te maken hebt? Want ik krijg uit het boek van Michelle van Tongerloo de indruk, dat zij maatschappelijk werker is, veel meer dan arts.

“Michelle is natuurlijk een bijzondere talentvolle collega en goede pleitbezorger voor onze doelgroep. Ze is niet alleen dokter maar ook journalist, fundraiser etc. Ik houd het nu even bij mezelf. Ik ben in die setting primair dokter. Ik moet wel alert zijn op maatschappelijke noden als huisvesting, geldzorgen, perspectief etc. Maar die hoef ik dan niet allemaal te kunnen oplossen. Daar voel ik mij niet bekwaam en voldoende toegerust voor. Ik weet dat in Rotterdam ook een heel multidisciplinair team is.

Ik hoef dus ook geen geld voor een kinderwagen te geven. Dat heeft helemaal niks met mijn medische opleiding te maken. Daar zijn andere (begeleidende) instanties voor waar ik naar kan verwijzen. 

Het gaat ook om een grens en het hanteren van die grens. In Nijmegen hebben we een hele goede afspraak: voor de niet-medische zaken is de gemeente verantwoordelijk; ze neemt in ieder geval de regie daarin. Een voorbeeld. Op mijn spreekuur komt een jongen met pijnlijke hielen. ‘Ja, ik ben gevallen.’ ‘En hoe komt dat dan?’ ‘Ja, ik ben bezig met een verbouwing en toen viel ik een gat van de kruipruimte.’ Ik laat foto’s maken en dan blijkt dat hij zijn hielbenen aan beide kanten gebroken heeft. En dat is heel vervelend, daar kun je niet zo goed mee lopen. En heling vraagt even tijd. Hij is natuurlijk niet in zo'n kruipruimte gevallen, maar hij is gewoon over een muur gesprongen, ergens voor gevlucht en op zijn hielen geland. Wat er echt gebeurd is doet er niet toe. Dan zeg ik tegen de gemeente: deze jongen moet de komende vier weken even van de straat.Hij kan niet lopen, hij kan niks. Dan zijn er gelukkig geweldige maatschappelijke werkers van de gemeente die gewoon gaan zoeken waar deze jongen ondergebracht kan worden. Dan ga ik gewoon weer door naar de volgende patiënt: een man die langdurig hoest en waarvan ik op moet letten dat hij geen TBC heeft, zodat hij de hele club niet besmet.

Daar ben ik voor opgeleid. Snap je? Ik ben niet te beroerd om onderdak voor die jongen te gaan zoeken. Maar dat kan heel goed iemand anders ook doen. Ik noemde al het Leger des Heils als de allerbeste organisatie voor huisvesting van daklozen.

Natuurlijk heb ik wel mijn minder rationele momenten. Laatst kwam er een patiënt, op de fiets, die letterlijk op zijn velgen reed. Ik protesteerde en zei dat ik als dokter geen bandenleverancier was. Toen heb ik toch mijn portemonnee getrokken en hem vijftien euro gegeven. Nu ik dit zeg, realiseer ik me dat je daar nog niet één buitenband voor kan kopen. Maar dat zijn incidenten. En dan zegt mijn verpleegkundige die naast me zit: Martin, ik denk dat dat toch naar de coke gaat. Waarschijnlijk heeft ze gelijk.” 

Loop je ook in je werk dan tegen beperkingen aan vanuit wetgeving, vanuit regelgeving, vanuit de politiek? 

“Nou, gelukkig is die gekke wet niet aangenomen dat hulpverleners van illegale daklozen ook vervolgd worden. Maar verder loop ik niet zo veel tegen wetgeving aan en wanneer dat wel het geval is, proberen we creatieve oplossingen te vinden. Ik loop meer tegen mensen en organisaties aan die wegkijken! Of die het een beetje ongemakkelijk vinden. Gelukkig zijn we on speaking terms met de buurt rondom een van onze opvangcentra, waarvan de buurt soms veel overlast ervaart. De buurt wil dat dit opvangcentrum naar de periferie van Nijmegen verhuist, driehoog achter in een buitenwijk. Burgemeester Bruls, een goede vent, kan het mooi uitleggen. Je hebt er niks aan als ze in een buitenwijk wonen, want dan komen ze toch in het centrum van de stad. In de periferie is niks te bedelen en niks te handelen. En dan blijven ze toch in de stad hangen. Dan kun je dus beter de opvang in de binnenstad verbeteren en overlast afschermen. Dat helpt mensen. Een beter begrip zorgt voor meer tolerantie.”

Hoe is ten slotte jullie relatie met de politie?

“Jan was een begrip in Nijmegen, zijn opvolger is helaas wegbezuinigd. De filmpjes van Jan en Wendy zijn wereldberoemd in Nijmegen en landelijk. Jan was agent en is nu met pensioen. Wendy is onze sociaal verpleegkundige. Jan kende alle straatmensen en hun plekken. Hij is nu vervangen door een team handhavers, die nooit meer de betrokkenheid en ervaring kunnen opbouwen die Jan had. Niets ten nadele van deze beroepsgroep, maar een toegewijde agent is zijn gewicht meer dan in goud waard.”

Heeft straatarts Martin Beeres, die het afvalputje van de samenleving zo leerde kennen, nog een kerstboodschap?

“Mijn boodschap ontleen ik aan het Credo van Dostojewski. Al stort alles in elkaar en houdt geen ideaal of religie stand, dan geloof ik nog in een samenleving zoals Christus die voorleefde. Omdat dat volgens mij de beste oplossing voor de wereld is.”