Ybo Buruma
Mijn zoon heeft recht op een zes!
Door Aart Deddens
Eind 2025 verscheen het boek De onvoltooide rechtsstaat van Ybo Buruma. De stelling van het boek is dat iedere periode haar eigen problematiek kent en ook haar eigen positivering van het recht. Naar aanleiding van dit boek heeft Buruma weinig interviews gegeven, maar wel veel lezingen, soms wel vijf per week.
Wat hebt u door die lezingen ontdekt?
In ieder geval twee dingen, die misschien wat tegenstrijdig lijken. In de eerste plaats dat het idee van rechtsbescherming wat lijkt te zijn doorgeschoten. In de periode van de rechtsstaat die ik de periode van de culturele revolutie noem, de periode tussen 1970 en 1995, kwam dat heel sterk op, hè? Als patiënt of als soldaat of als verdachte of als veroordeelde of als consument heb je rechten. Als mens hebben we allemaal recht op rechtsbescherming. In onze tijd is dat wat doorgeslagen. Inmiddels zijn er docenten die worden geconfronteerd met ouders die zeggen, mijn kind heeft recht op een 6! Ja, Ik vind het zelf ook komisch. De claim op die bescherming komt los van wetten te staan. Een caféhouder die zegt: ik heb recht op een drempel bij de deur, kan zich op geen enkele wet beroepen, terwijl hij er heilig van overtuigd is dat hij zelf mag bepalen hoe zijn zaak eruit ziet. Iemand in een rolstoel die niet naar binnen kan, kan zich wel op een wet beroepen en wordt dus door het recht beschermd. Ik kan me de wanhoop van docenten wel voorstellen die aan ouders moeten uitleggen dat recht op onderwijs iets anders is dan recht op een zes. Ik denk dat dit diep doorgedrongen gevoel dat je ergens recht op hebt, bijdraagt aan de polarisatie in ons land. Beide partijen vinden het moeilijker ‘common ground’ te vinden, en verliezen uit het oog dat de ander ook ergens recht op denkt te hebben. Of ze keren zich tegen het recht van die ander.
Dat gevoel van ‘ik heb recht op’ is heel sterk gaat vaak gepaard met een ander geluid: ‘er wordt niet naar mij geluisterd’. Wat ik zojuist zei, is niet in tegenspraak met dit tweede punt. Het is kort gezegd wat je toeslagenouders naar voren hoort brengen, wat je mensen in Groningen en mensen in Zuid-Limburg hoort zeggen. Het is een heel breed gedeeld gevoel. Als ik bijvoorbeeld een lezing geef voor burgemeesters hoor ik dat door hun bevestigd. Dan leg ik uit dat het ook een gevolg is van de manier waarop wij onze wetgeving hebben ingericht. In de afgelopen dertig jaar heeft de sociale wetgeving, denk aan de Wet langdurige zorg, de Wmo, de participatiewet, de vrije ruimte in de uitvoering beperkt. Dat wordt nog eens versterkt door een cultuur onder ambtenaren die elkaar of zichzelf weinig scharrelruimte toestaan. Ambtenaren die tegen burgers zeggen: sorry mevrouw, meneer, ik kan gewoon niet anders. Burgers hebben daardoor het gevoel dat alles vastligt en dat ze niet serieus worden genomen. Bij burgemeesters en andere politici pleit ik ervoor individuele gevallen serieus te nemen en juist wel goed te luisteren. Wetten gaan over het algemene en rechtsbescherming gaat over het individuele geval. Inmiddels wordt dat heel goed onderkend, maar dat betekent niet dat de problemen die hierdoor bestaan uit de wereld zijn.
Ybo graaft zich autobio
Uw boek schreef u naar aanleiding van een ontmoeting in Sint Petersburg met Russische collega’s. Die ontmoeting deed u beseffen hoe belangrijk het is om te kunnen leven in een rechtsstaat waarin de rechten van individuele mensen worden erkend. Op dat moment bent u een zeer ervaren rechtsgeleerde, gestaald door de praktijk. Kunt u ons meenemen naar het begin. Wie was die Ybo die in de tijd van Pluk van de Petteflet, van studentenrevoltes en het maken van vuile handen, veroordeeld was tot de verlegenheidskeus om rechten te studeren?
Ik ben geboren in Veghel en na een paar korte omzwervingen getogen in Putten op de Veluwe en daar heb ik vanaf mijn zevende gewoond. Ik zat op het christelijk College Nassau Veluwe in Harderwijk. Ja, dat is waarschijnlijk goed gebied voor u.
Misschien toch aardig om erbij te zeggen: Mijn grootvader was doopsgezind predikant in In Nijmegen Dat is een enorm toeval, maar ik kwam in Putten en dan is het verschil groot. Het liberale wat ik van een huis uit had meegekregen en toch wel streng calvinistische van de verschillende varianten van wat nu de PKN is.
Omdat ik geen idee had wat ik moest studeren heb ik mij in 1973 ingeschreven voor de rechtenstudie in Leiden. Ik was het type student dat de studie niet zo interesseerde. Er was ook geen haast, want je kon eeuwig studeren. Na twee jaar had ik er genoeg van. Ik liet mijn moeder weten dat ik er niets aan vond, en toen zei ze – ik herinner me dat goed, want het was totaal tegenstrijdig met wat je van een normale moeder verwacht –maar jongen, dan stop je toch? Mijn moeder was dus niet normaal. Ze was fantastisch. Met deze reactie deed ze iets wat bij sommige psychiaters tegenwoordig een methode is – een paradoxale benadering. Ik ging tegenstribbelen en dacht: maar dat is zonde van die afgelopen twee jaar!
Ik heb toen een tussenweg gekozen en ben met mijn kandidaats rechten criminologie gaan studeren, een sociale wetenschap. En daarmee heb ik ook mijn eerste baan gekregen bij de nationale ombudsman.
Bij criminologie verkeerden wij toen wel in een bijzondere kring, want mijn professor was Willem Nagel een echte verzetsman. Zijn verzetsnaam JB Charles was ook zijn pseudoniem als schrijver. Hij was heel geëngageerd. Ook een hele strenge, beetje autoritaire, deftige man. Door hem kregen wij als studenten ook wel iets mee van al die veranderingen die er plaatsvonden. Toen begonnen de tumultueuze jaren zeventig voor Ybo Buruma.
U heeft toen de aula bezet voor democratisering van het onderwijs?
Niet de aula, maar ik was wel een van de bezetters van het administratiekantoor van de Universiteit Leiden. Dat gebeurde met een hele groep en dan zie je die dynamiek waarin je wordt meegenomen. Ik was een ongebonden jongen, geen communist, geen trotskist of ook maar iets wat op ist eindigt. We voerden gesprekken met het college van bestuur en op een gegeven moment liep dat wat uit de hand. Ik herinner nog heel goed dat de voorzitter van het college van bestuur, mr K.J. Cath, toen tegen mij zei: ‘Buruma, jij hebt je mensen niet onder controle. Dat valt me nou van je tegen.’
Ik moet u zeggen dat schokte me geweldig, ook omdat ik twee dingen tegelijk voelde. En dat is eigenlijk politiek gezien wel interessant, want zelfs in deze tijden speelt het.
In de eerste plaats voelde ik ongemak: dit zijn helemaal niet mijn mensen. Die staan helemaal los van mij. Er is door die mensen een enorme rommel gemaakt, maar dat deden ze niet in opdracht van mij. Ik heb niets over hen te zeggen. Hoe komt die meneer Cath daar nu bij?
Maar tegelijk deed hij een appèl op mij! In mijn ogen was dat volkomen terecht, want ik voelde me wél verantwoordelijk.
Dat was dus een heel wonderlijke mengeling, waardoor ik altijd een soort mededogen heb gehouden met politici die verantwoordelijk worden gesteld voor mensen voor wie zij verantwoordelijk zijn, terwijl ze van niks wisten.
Ik was een jaar of 22 en dat was voor mij een heel leerzaam moment. Dat zal meneer Cath zich niet gerealiseerd hebben, of misschien ook wel, want het was een bijzonder verstandige man.
Hoe heeft die ervaring u veranderd?
Nou, dat kan ik niet goed in één klap onder woorden brengen. Poeh, dat is moeilijk, zeg.
Werd u minder activistisch, minder rigide, minder strikt?
Ik ben er niet minder activistisch door geworden. Maar ik heb wel altijd – en misschien ben ik daardoor ook uiteindelijk wel rechter geworden – veel oog gehad voor de vraag: wat vindt mijn tegenpartij? En, hoe redelijk is mijn tegenpartij? Daarvoor stond ik daar niet zo bij stil als ik dacht dat ik zelf gelijk had. Nu drong het tot me door hoe belangrijk het is te begrijpen waarom de ander doet wat hij doet. Ook vanuit de gedachte: dat verdient die ander.
Door de heer Cath besefte ik: de voorzitter van een college van bestuur is natuurlijk voor iets heel anders verantwoordelijk dan waar hij mij nu verantwoordelijk voor houdt. Het is niet gek dat hij in termen van verantwoordelijkheid denkt – zo denkt hij en moet hij ook denken. Eigenlijk deed hij me beseffen dat je als je serieus genomen wil worden, je ook de daarbij passende verantwoordelijkheid moet aanvaarden.
Na mijn studie ging ik in militaire dienst. Dat heeft mij zeer beïnvloed. Ik werd vrij snel verkozen tot secretaris van de Vereniging van Dienstplichtige Militairen, de soldatenvakbond VVDM. Dat we die vakbond in Nederland hadden, was heel bijzonder.
Daar heb ik ook van alles in meegemaakt. Er is één ding dat mij nog altijd heel hoog zit, echt hoog. Ik was de zogeheten Libanonpeuk. Dat betekende dat ik in het bestuur de verantwoordelijkheid had voor de mensen die naar Libanon gingen. Veruit de meeste dienstplichtigen die daarheen gingen waren geen lid van de soldatenvakbond. Het waren verschillende werelden. Veel Libanongangers waren voelden meer betrokkenheid bij de krijgsmacht dan de VVDM’ers die meestal nogal politiek links waren.
Ik ben toen een keer meegereisd en zag hoe ongelooflijk zwaar die jongens het daar hadden. Ik kon op geen enkele manier iets nuttigs voor ze betekenen. Dat laatste is minder interessant dan mijn waarneming hoe zwaar ze het hadden en hoe weinig oog we daar eigenlijk voor hadden in Nederland.
Ik kijk nog altijd met een diep respect naar die eerste groepen militairen die naar het buitenland zijn afgevaardigd, waar zij ook eigenlijk niks konden, hè? Ik herinner me nog – ik kan niet laten om dat te vertellen, omdat dat de allergrootste indruk op me maakte – dat ik kennis maakte met een luitenant. Dat hij luitenant was, was bijzonder, want dienstplichtigen werden nooit luitenant, vaandrig op zijn hoogst. Maar hij was als luitenant verantwoordelijk voor een buitenpost ver van Kamp Holland. Hij zat daar met ongeveer zes, zeven jongens. Eens in de twee, drie nachten kwamen Palestijnse strijders naar hen toe en dwongen hen hun uzi’s af te geven. Moet je je voorstellen. Bijna iedere nacht komen daar kerels die jou at gunpoint zeggen dat je je pistolen moet inleveren. Hun meerderen haalden weliswaar de volgende dag die wapens weer terug, maar toch. Die angst. Die stress.
Dat was weer zo'n moment waarop ik persoonlijk diep getroffen werd door iets wat gebeurde. Ik was er als waarnemer bij, maar het enige wat ik kon denken was: waarom? Waarom laten we dit voortbestaan. We hebben toen ook niet onderkend wat deze jongens moesten doorstaan. Een diagnose als PTSS is pas veel later gekomen.
Kon u met die jongens dan praten over die waaromvraag? Naast de angst die zij in hun vezels voelden zullen ze toch ook een bepaalde desillusie hebben ervaren over de mogelijkheden van militaire aanwezigheid?
Nee, dat herinner ik me niet. Zelfs niet bij sommige hospikken die ik sprak van wie sommigen hun rol vanuit een vorm van idealisme vervulden. Wat ik me vooral herinner is dat ik veel te weinig gedaan heb, omdat ik ook geen idee had wat ik móest doen,
Na uw werk voor de ombudsman en uw functies als hoogleraar en (plaatsvervangend) rechter werd u in 2011 benoemd in de Hoge Raad. Dat ging niet zonder slag of stoot, want u was te links. Hoe hebt u die naam opgebouwd?
Het was zo. Een commissie uit de Hoge Raad had mijn naam opgenomen op hun aanbevelingslijst. Die lijst wordt geleverd aan de vaste Commissie van Justitie van de Tweede Kamer en die commissie komt met een voordracht uit die lijst aan de Tweede Kamer. Voordat die voordracht is gemaakt, had ik een gesprek met leden van die commissie, inclusief, zeg ik er nu even bij, de PVV-vertegenwoordiger. En dat was een plezierig gesprek. De voordracht is vervolgens ter stemming aan de Tweede Kamer aangeboden. Meestal beslist die bij acclamatie, maar toen Geert Wilders mijn naam zag, dacht hij kennelijk: maar dit is helemaal niet goed. Die Buruma deugt niet voor die functie. En dat zei hij ook. Nou heb ik daar enig begrip voor dat hij dat vond, want ik had een artikel geschreven in het juristenblad waarin ik een vergelijking had gemaakt tussen het gedachtegoed van Wilders en dat van Mussolini.
Het kwam erop neer – dat zeg ik er toch even bij, want het wordt anders ook weer zo’n label – dat Wilders ervan uitgaat dat een volk één volk is waarin alle mensen wel snappen wat deugt en wat niet deugt. Ik formuleer het echt op een manier die naar mijn eigen idee zo gunstig mogelijk voor Wilders is, want ik wil hem geen dingen aanwrijven waarin hij zich wellicht niet herkent. Mussolini’s idee dat je één volk hebt, en dat wie daar niet bij hoort de vijand is, is het beste opgeschreven door Carl Schmitt in de jaren dertig. En daar moet je je volgens Schmitt dus ook toe verhouden als politiek. Je moet duidelijk maken, wie is de vijand en wie niet? Het grote bezwaar tegen die zienswijze is dat deze neerkomt op intolerantie tegen andersdenkenden. Een oproep om de Koran te verbieden gaat mij een stap te ver. Als jurist zeg ik dan dat die oproep in strijd is met de geest van de democratische rechtsstaat; als kleinzoon van een doopsgezinde predikant is me het idee van persoonlijke verantwoording voor je geloof en het belang van tolerantie voor andersdenkenden binnen een gemeenschap me met de paplepel ingegeven.
De opmerking over Wilders stond in de kop boven mijn artikel. Het is begrijpelijk dat hij daar chagrijnig van werd. Ik neem het hem persoonlijk niet kwalijk dat hij zich in de Kamer tegen mijn kandidatuur ging verzetten. In het politieke debat benadrukte hij echter een ander punt. Ik was te politiek gekleurd om rechter te worden. Leden van de Hoge Raad moeten politiek neutraal zijn. Dat zou ik niet zijn, omdat ik ook in de commissie had gezeten voor het verkiezingsprogramma van de Partij van de Arbeid. Uiteindelijk is er gestemd en is mijn benoeming aanvaard met 116 stemmen van de aanwezige 142 Kamerleden.
In die tijd werd ik overspoeld met brieven. Je kon de persoonlijke gegevens van iemand toen gewoon nog in het telefoonboek vinden met adres en al. Het was te veel om allemaal te beantwoorden, maar één brief sprong eruit.
Een, gezien zijn kriebelige handschrift, oude meneer schreef mij bijzonder beleefd dat hij altijd met veel plezier naar mijn uitleg op de radio en televisie luisterde, maar dat hij nu tot zijn ontsteltenis had gehoord dat ik in de verkiezingscommissie van de Partij van de Arbeid had gezeten. Dan was ik toch niet meer onafhankelijk en kon ik toch geen zitting nemen in de Hoge Raad? Ik vond dat een indrukwekkende brief.
Natuurlijk was ik het daar niet mee eens, maar die meneer vertolkte vast ook de ideeën van anderen. Laat ik voorop stellen dat het wat mij betreft duidelijk is dat rechters ook lid van een politieke partij mogen zijn. Dat is een mensenrecht. Los daarvan vind ik het trouwens heel goed als mensen zich voordat ze rechter worden op andere manier voor de publieke zaak hebben ingezet. Maar dat is het punt niet. Ik was natuurlijk wel heel zichtbaar lid geweest van die politieke partij. En we willen niet dat een rechter in de Hoge Raad gaat bellen met zijn politieke partij om te vragen hoe hij de wet moet uitleggen. Dat is een kernpunt van de onafhankelijkheid van de rechter (naast de onpartijdigheid ten opzichte van de partijen tussen wie de zaak speelt). Toen dacht ik: ik moet wel alle schijn van afhankelijkheid weghalen. Daarom heb ik nadat de politieke discussie was uitgewoed, een dag voor mijn indiensttreding mijn lidmaatschap van de PvdA opgezegd en dat ook verteld in een interview in het NRC. Het was een moeilijke beslissing omdat ik besefte dat die gemakkelijk tot misverstanden aanleiding zou kunnen geven.
Deze tekst is een aanvulling op het interview in Groen 2026-2: De kiezer heeft altijd gelijk, is een raar cliché!