Waarom China geen wereldleider wordt

Door Reinier Koppelaar


In het Westen leidt de onstuitbare opkomst van China tot ongemakkelijke vragen: wordt dit de eeuw van China? Gaat China de internationale spelregels naar zijn hand zetten? Is in tijden van economische crisis doortastend leiderschap naar Aziatische snit beter dan de besluiteloosheid en verdeeldheid van Westerse democratieën? Het antwoord van deze bijdrage luidt “nee”. Maar: dat is nog geen reden voor opluchting voor de rest van de wereld.

Hoe de wereld China ziet

Politici en bedrijven beschouwen het Chinese groeiwonder met een mengeling van bewondering en vrees. Het vermogen van Chinezen om hard te werken, veel te sparen en slim te ondernemen is een wake-up call voor decadent geworden burgers in het welvarende Westen. Sinds Deng Xiaoping in 1978 de deur naar de wereld opende, is China jaarlijks gemiddeld met 10% gegroeid. Volgens de Wereldbank heeft het land daarmee 500 miljoen mensen uit de armoede gehaald. Dankzij China komen de Milennium Development Goals binnen bereik. In 2012 nam China het stokje van Japan over als tweede economie ter wereld, en oversteeg het totale handelsvolume dat van de VS. Het is een kwestie van tijd voordat China de VS als grootste economie ter wereld van de troon stoot. Het ‘staatskapitalisme’ zegeviert: dankzij royale overheidssteun concurreren Chinese staatsbedrijven Westerse bedrijven uit de markt. China sluit miljardendeals in Afrika, Latijns-Amerika en het Midden-Oosten in een nietsontziende jacht op energie en grondstoffen.[1] IBM en Volvo, alsmede de haven van Pyraeus zijn in Chinese handen, Lenovo tablets en Huawei smartphones hebben een plek veroverd in electronicawinkels.

Het grote publiek bewondert China vanwege zijn eeuwenoude beschaving en rijke cultuur. We kunnen ons echter moeilijk vereenzelvigen met een regime dat nooit verantwoording heeft afgelegd voor het hardhandig neerslaan van de studentenopstand op het Tiananmen plein in Beijing, nu 25 jaar geleden. De beelden van de eenzame student die door een tank wordt overreden staan in ons collectieve geheugen gegrift, terwijl deze beelden in China nergens te vinden zijn. De jongere generatie heeft zelfs nauwelijks weet van de gebeurtenissen, zo sterk is de controle van de staat op informatie.


Economische zwakte

Maar China is minder sterk dan het lijkt. Achter het economische succesverhaal gaat een wereld van tegenstrijdigheden schuil. Allereerst is China geen rijk land: met een inkomen van 9.844 USD per hoofd van de bevolking staat het volgens het IMF op plaats 93, ergens tussen de Dominicaanse Republiek en Turkmenistan. De VS staan met 53.101 USD op plaats nummer 6: een achterstand die China niet gauw en misschien nooit zal inhalen.

Bovendien drijft het Chinese groeiwonder op een succesformule die volstond voor de eerste dertig jaar, maar niet toekomstbestendig is. De groei was gebaseerd op factoren die momenteel als sneeuw voor de zon verdwijnen: lage lonen, goedkoop kapitaal en sterke afzetmarkten voor de goedkope export. Goedkope arbeid wordt schaarser, het aanbod van laagopgeleide arbeidskrachten van het platteland droogt op,  waardoor productiebedrijven wegtrekken naar Bangladesh, Cambodja en Myanmar. De overheid wil dat China opschuift in de waardeketen en hoogwaardiger producten gaat maken als auto’s, vliegtuigen, medicijnen. Maar beschikt de beroepsbevolking wel over voldoende vaardigheden om die ambitie te realiseren? Bovendien wordt aanbod van arbeid schaarser nu China snel vergrijst.

Wie nog een laagje dieper graaft ontdekt dat de Chinese economie niet efficiënt is georganiseerd en verborgen financiële instabiliteit kent. Teneinde jaarlijks de groeidoelstelling van 8% te behalen, stimuleerden lokale politici de regionale economie vaak met megalomane investeringsprojecten die eindigen als ongebruikte havens, bedrijventerreinen, winkelcentra en wooncomplexen. De omvang van de schuldenberg die hierdoor is ontstaan is onbekend, maar het voedt zorgen over de stabiliteit van het Chinese bankenstelsel. Ook wordt er op grote schaal overcapaciteit van fabrieken in stand gehouden om werkloosheid te voorkomen. In een centraal, door één partij geleid systeem worden geen vragen gesteld, zeker niet als er comfortabele sommen geld in de zakken van betrokkenen verdwijnen. Corruptie is wijdverspreid en bevordert uiteraard de efficiëntie en innovatie niet.

De Chinese leiders zelf spreken van een ‘onduurzame, onevenwichtige, ongecoördineerde en instabiele’ economische ontwikkeling (voormalig premier Wen Jiabao). De nieuwe premier, Li Keqiang, spreekt over de noodzaak tot hervormingen: vlak na zijn aantreden heeft hij gezegd dat er meer ruimte moet worden gegeven aan de markt. Maar dat kan niet van de ene op de andere dag, omdat dit voor veel staatsbedrijven, niet gewend aan concurrentie, de doodsteek zou betekenen. Het is te begrijpen dat de de Chinese overheid voor de weg van de geleidelijkheid kiest, maar het zal ongekende economische stuurmanskunst vragen om tussen de klippen van te weinig en teveel hervorming door te zeilen.

Sociale onbalans

China maakt op buitenstaanders vaak een eensgezinde en strak georganiseerde indruk. Chaos en sociale onrust liggen echter voortdurend op de loer. Niet in het minst door de inkomensongelijkheid: opmerkelijk in een land dat zich nogal altijd bedient van communistische retoriek. Een studie van de Peking University stelde in 2012 dat de rijkste 5% van de bevolking over 23% van de welvaart beschikte, en de armste 5% over 0,1%. In hetzelfde jaar telde China 122 dollarmiljardairs, waarvan 83 lid waren van het Volkscongres. Tegelijk leven zo’n 100 miljoen Chinezen onder de armoedegrens. Niet voor niets vinden er jaarlijks tussen de 150.000 en 180.000 demonstraties plaats in China. De meesten gaan over lonen, compensatie van landonteigening en tegenwoordig ook over industriële vervuiling.

De verontreiniging van water, bodem en lucht is dusdanig ernstig dat er sprake is van onveilig voedsel en zogenaamde ‘kankersteden’: steden waar het aantal sterfgevallen door kanker zo hoog is dat een verband kan worden vastgesteld tussen milieuverontreiniging en de prevalentie van de ziekte. Wie een indruk wil krijgen van hoe dit eruit ziet kan op Google Afbeeldingen de naam van de Chinese fotograaf Lu Guang intikken.

De opkomende middenklasse beseft dat China een groot land is dat met krachtige hand dient te worden bestuurd, en dat zij hun nieuw verworven welvaart te danken hebben aan de Partij. Maar dankzij een hoger opleidingsniveau en door bezoeken aan meer ontwikkelde landen, vraagt de middenklasse zich af waarom de almachtige Partij niet in staat is ook te zorgen voor schone lucht, schoon grondwater, goede gezondheidszorg en veilig voedsel en medicijnen. Meer welvarende Chinezen hebben zelfs zo weinig vertrouwen in de toekomst van hun land, dat ze massaal proberen een verblijfstitel en een huis te verwerven in de VS, Canada of Europa.


Politiek dilemma: controle of loslaten

Is het Chinese leiderschap in staat China naar een volgende fase te leiden, waarin niet meer kan worden teruggevallen op oude recepten en meer rekenschap aan een kritischer bevolking wordt vereist? Een toekomst die niet langer een staat vereist die zich almachtig opstelt, maar één die meer overlaat aan het initiatief van markt en samenleving, met meer transparantie, meer checks and balances en minder ongecontroleerde machtsuitoefening? Vooralsnog lijkt dit vloeken in de Chinese kerk. Bovenaan de agenda van het Chinese leiderschap staat machtsbehoud van de Partij, als het enige probate middel tegen de chaos en voor een sterk China. De bestuurlijke reflex is dan ook niet minder maar meer controle op informatie, en niet ruimte geven aan maar het onderdrukken van potentiële uitdagers van de macht. Journalisten, dissidenten, advocaten, vertegenwoordigers van etnische of religieuze minderheden en zelfs academici die een ‘rode lijn’ hebben overschreden, kunnen zonder pardon onder huisarrest worden geplaatst of langdurig van het toneel verdwijnen.

Dit past in de bestuurscultuur van een land dat eeuwenlang werd geregeerd door keizerlijke dynastieën die zichzelf met een beroep op het Mandaat van de Hemel boven de wet stelden. De Communistische Partij China (CPC) beroept zich niet met zoveel woorden op een Hemels mandaat, maar heeft wel het Partijhoofdkwartier gevestigd in een ommuurd complex pal naast de Verboden Stad in het hart van Peking. Dezelfde plek waar vroeger de keizer zijn verblijf hield.

Het probleem is dat in China de Partij boven de wet staat, en de wet een instrument voor machtsuitoefening is. China gelooft niet in scheiding der machten, en nog vrij recent werd ‘constitutionalisme’ (de opvatting dat de grondwet bepaalt wat rechtmatig is) verketterd als een ‘buitenlandse poging om China te ontwrichten’. China kent eerder een ‘rule of men’ dan een ‘rule of law’: of burgers hun recht kunnen krijgen hangt ervan af of zij connecties hebben met de machthebber. Dat is slecht nieuws voor personen met een afwijkende mening of geloof. Maar ook zijn in zo’n politiek klimaat de vooruitzichten voor noodzakelijke hervormingen op economisch en sociaal terrein niet hoopgevend.


China en het buitenland: geen leiderschap

Het Chinese leiderschap heeft een primair binnenlandse agenda: China moet zijn bevolking tevreden houden, daartoe moet de economie blijven groeien, de welvaart eerlijker verdeeld en het milieu schoner worden. Conditio sine qua non hiervoor is dat de CPC aan de macht blijft, en uitdagers van de macht geen kans krijgen. Ook op het wereldtoneel richt China zich bovenal op de eigen belangen en het blokkeren van pogingen van anderen om zich teveel met andere naties (en met China zelf) te bemoeien. Hoewel China een nucleaire grootmacht is met een permanente zetel in de Veiligheidsraad, houdt het zich zoveel mogelijk afzijdig van conflicten zoals in Syrië en Oekraïne met een beroep op het non-interventiebeginsel. Een herkenbare buitenlandpolitiek, met een samenhangende visie op vrede en stabiliteit in de wereld, heeft China niet. Het land stuurt intussen wel vaker vredestroepen in VN-verband naar Afrika (Somalië, Mali): daar zijn dan ook Chinese (economische) belangen in het geding.

Voor het buitenland blijft de relatie met China daardoor een moeizame: het is moeilijk werken met een land dat ten principale onvoorspelbaar is bij gebrek aan een coherent buitenlandbeleid, maar ook bij gebrek aan transparantie over haar binnenlandse politieke besluitvorming. Bovendien committeert het land zich niet van harte aan de bestaande internationale spelregels en draagt het daar ook geen overtuigende alternatieven voor aan. Hoewel de verwevenheid met de rest van de wereld razendsnel toeneemt, laat China het aan anderen over om bij conflicten te kastanjes uit het vuur te halen. De enige permanente bondgenoot is Noord-Korea: Chinees spierballenvertoon in de Zuid- en Oost-Chinese zee drijven de omringende landen (Vietnam, Filipijnen, Japan) in de armen van de VS.

China is ook militair gezien nog lang niet in een positie om anderen haar wil op te leggen. De uitgaven aan Defensie liggen aanzienlijk lager dan die van de VS, en al is de People’s Liberation Army één van de grootste legers ter wereld, het beschikt niet over het geavanceerde materieel waarmee de VS zijn militaire overwicht in de wereld handhaaft.

Bovendien wint China simpelweg de internationale ‘heart and minds’ niet, alle loftuitingen over het Chinese groeiwonder en de eeuwenoude beschaving ten spijt. Niemand gaat de straat op voor invoering van een systeem van controle en repressie, zoals in het Midden-Oosten en Oekraïne de massa’s de straat opgaan voor vrijheid en democratie. Hollywood en CNN winnen het met afstand van Kung Fu en CCTV, en de vraag naar Amerikaanse ‘greencards’ en Europese verblijfsvergunningen overtreft de vraag naar Chinese werkvisa.


Geen reden tot opluchting

China heeft in de afgelopen 30 jaar een steeds nadrukkelijker plek aangenomen  op het wereldtoneel, maar welke rol het zal gaan spelen is onzeker. China stelt zich assertiever op, maar lijkt vooralsnog niet op weg de nieuwe wereldleider te worden. Dit is voor de rest van de wereld echter geen reden tot opluchting: vanwege haar enorme footprint op onze planeet, is het voor de rest van de wereld beter als China zich juist meer begint aan te trekken van internationale afspraken op het gebied van vrede en veiligheid, universele mensenrechten, milieu- en klimaatverandering, en eerlijke en verantwoorde handel en investeringen. Het is in ieders belang dat het land zich ontwikkelt tot een meer verantwoordelijk lid van de internationale gemeenschap. China zal echter de komende decennia de handen vooral vol hebben aan zichzelf. Met een leiderschap dat de noodzaak tot economische en sociale hervormingen onderkent, maar tegelijk met hart en ziel vasthoudt aan een politiek systeem dat verandering blokkeert, is het een open vraag waarmee China ons de komende 30 jaar gaat verrassen.



[1] Zie voor een goed overzicht van China’s strategie om zich van toegang tot energie en grondstoffen te verzekeren: Winner take all, China’s race for resources and what it means for the world - Dambisa Moyo, 2012


Drs. Reinier Koppelaar is lid van de ChristenUnie en werkzaam op de Nederlandse ambassade in Beijing. Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.