Natuurrecht

Apolitiek apologeet van het natuurrecht

De onbekommerde bijdrage van C. S. Lewis aan christelijke politiek

Auteur: Timon van Dieren MSc heeft natuurkunde en sterrenkunde gestudeerd in Leiden, en studeert nu theologie aan de PThU. In 2025 nam hij deel aan het fellowsprogramma van het WI.

De Britse denker C. S. Lewis heeft het christelijk-sociaal denken wat te zeggen. Deze stelling ligt niet voor de hand, want volgens hemzelf en zijn naasten was Lewis een apolitiek mens.1 Hij klaagde dat de kranten vol stonden over politiek, ‘een onderwerp waarvoor ik geen enkele interesse kan opbrengen.’2 Hoewel hij veel in aanraking is gekomen met politieke filosofie heeft hij er nooit systematisch over geschreven.3

Desondanks heeft Lewis veel te zeggen over de fundamenten van politiek en overheid, stellen de politicologen Dyer en Watson in hun boek C.S. Lewis on Politics and the Natural Law, waarvan ik voor dit artikel dankbaar gebruik heb gemaakt.4 Hoewel Lewis een afkeer had van alledaagse politieke bezigheden komen in zijn geschriften allerlei fundamentele overwegingen over recht en overheid aan de orde. Met name zijn gedachten over natuurrecht, democratie en christelijke politiek zijn waardevol voor het christelijk-sociaal denken.5

Lewis’ gedachten over natuurrecht, democratie en christelijke politiek zijn onder meer relevant voor twee grote uitdagingen in onze tijd: polarisatie en democratie. Mag er te midden van (gecreëerde) polarisatie hoop zijn op gemeenschappelijke grond? De democratie piept en kraakt in ons tijdsgewricht. De problemen – klimaatverandering, globalisering, Big Tech – groeien democratisch functionerende overheden boven het hoofd, en de wereldorde wordt tegenwoordig open en bloot bepaald door botte machtspolitiek. Het is niet evident dat de ChristenUnie op deze twee uitdagingen antwoorden heeft. Werkt immers een specifiek christelijke partij niet mee aan (onnodige) polarisatie? Daarnaast is opmerkelijk dat de ChristenUnie in haar beginselverklaring uit 2018, noch in de Christelijk-sociale canon van het WIde democratie als staatsvorm fundamenteel onderbouwt.6 7

Lewis kan hierin van toegevoegde waarde zijn.

Natuurrecht

Lewis is een groot pleitbezorger van het natuurrecht. In zijn essay ‘On Ethics’ wijst hij erop dat wanneer we moreel redeneren, we ons altijd al in een moreel systeem bevinden waarvan de geldigheid moet worden verondersteld voordat we überhaupt iets kunnen bekritiseren.8 Het is principieel onmogelijk om vanuit het niets een moreel systeem te creëren. Morele waarden zijn ‘basic’.9  We kunnen ze niet herleiden tot een ‘meer realistische’ (bijvoorbeeld wetenschappelijke) verklaring, maar moeten hun absolute geldigheid accepteren.10 Die absoluut geldige basis duidt Lewis, het meest uitgewerkt in zijn The Abolition of Man, met verschillende termen aan: de Tao (een begrip uit de Oosterse filosofie, vaak vertaald als ‘Weg’), het Natuurrecht of de Traditionele Moraal.11

In tegenstelling tot de gangbare nadruk op de verschillen in moraal tussen culturen benadrukt Lewis het universele karakter van de Tao. In The Abolition of Man betoogt hij dat in alle culturen vergelijkbare morele basisregels voorkomen, zij het in verschillende bewoordingen en met verschillende accenten. Wat zijn die regels? Gedacht kan worden aan de Gulden Regel, de zorg voor ouders en ouderen, de zorg voor kinderen en nageslacht, rechtvaardigheid, waarachtigheid, genade.12 De morele principes zijn universeel geldig, ongeacht de onderkenning van de (juiste) bron – volgens Lewis: God.

De christelijke moraal is daarom geen unieke of nieuwe moraal.13 Christenen kennen volgens Lewis, in zijn essay ‘On Ethics’, in ‘hun’ ethiek door openbaring wel een verdieping, een internalisering en verschuiving van nadruk in de morele geboden, maar op basaal en fundamenteel niveau is het geheel aan normatieve elementen geen unieke, groepsspecifieke ethiek.

De vaste overtuiging dat natuurrecht objectief is kan christelijke politici vertrouwen geven dat de medemens tot op zekere hoogte het natuurrecht kan kennen en zich daaraan wil houden. Dyer en Watson stellen: ‘De mens die onwetend is over morele principes zag Lewis weliswaar als een hypothetische mogelijkheid, maar tegelijkertijd als een empirische zeldzaamheid.’14 Dit terwijl Lewis zelf ook al de opkomst van een almachtige, globalistische technocratie vreesde.15

Anderzijds, ook Lewis zelf moest al pijnlijk vaststellen dat mensen weinig ontvankelijk zijn voor een rationeel appel op een universele moraal. In de loop van de jaren veranderde daarom zijn benadering, stellen Dyer en Watson: niet meer apologetisch en intellectueel, maar door verhalende literatuur waarmee Lewis de verbeelding en attitude van de mensheid wilde vormen.16  Zijn pennenvruchten van deze nieuwe benadering zijn de Ruimtetrilogie en Narnia. Deze vorming door verbeelding kan een inspiratiebron zijn voor het publiek spreken van de ChristenUnie.

De vorming in de Tao is essentieel voor Lewis, of dit nu door logische argumentatie of door verbeelding gebeurt. De uitweg uit hysterie en propaganda is niet om alle gevoelens af te wijzen, maar om de juiste gevoelens te kweken:17 ‘Voor hen [in de Tao] is de taak om in de leerling díe gevoelens aan te leren die in zichzelf passend zijn,’ stelt Lewis in The Abolition of Man.18

Voor de ChristenUnie komt het dus aan op vasthouden aan, opleiden in, en publiekelijk spreken over universele morele principes. Het belang ervan is groot. Moreel subjectivisme is rationeel onjuist en zal ook huiveringwekkende gevolgen hebben, volgens Lewis. Hij schetst dit indringend in The Abolition of Man: het is goed mogelijk dat vanwege ontstellende technologische ontwikkelingen een kleine groep mensen over de macht en de middelen beschikt om voor de hele mensheid een moraal te ontwerpen op basis van willekeurige natuurlijke impulsen.19 Paradoxaal genoeg wordt de overwinning van de mens op de natuur en de moraal dan een overwinning van de natuur op de mens: de mens wordt afgeschaft. Het behoeft geen betoog dat Lewis hier profetisch onze huidige tijd van Big Tech heeft aan zien komen.

Democratie en val

Nu Lewis positief blijkt te staan tegenover het natuurrecht, zal het niet verbazen dat hij ook positief spreekt over hiërarchie.20 Als literair-historicus hield hij zich bezig met hiërarchie bij de grote klassieken als Aristoteles, Dante, Milton en Shakespeare.21 Zijn affiniteit daarmee laat hij duidelijk blijken. Christelijk anarchisme wees hij ten principale af. Theologische overwegingen spelen in die erkenning van hiërarchie een rol. De triniteit wijst volgens Lewis op een hiërarchische gestructureerde relatie van liefde.22 Hiërarchie is ook een antropologische voorwaarde voor ons persoon-zijn, zoals Judith Wolfe schrijft over Lewis in ‘On Power’.

Democratie, die vaak als anti-hiërarchisch wordt gezien, lijkt hier moeilijk mee verenigbaar. Op een bepaalde manier is Lewis inderdaad kritisch op democratie, constateren ook Dyer en Watson. Volgens Lewis is op ethisch, intellectueel en esthetisch gebied democratie de dood, omdat het effect van democratie is dat alles wordt genivelleerd.23 Het geeft ook te denken dat Narnia een monarchie en geen democratie kent.

Desondanks was Lewis ook een voorstander van democratie. De reden daarvoor is dat de zondeval de wil en verlangens van de mens zodanig heeft gecorrumpeerd dat de macht niet toevertrouwd kan worden aan een absolute monarch of een kleine groep aristocraten. Democratie is de beste manier om de zondige aard van de mensheid in bedwang te houden. Lewis beroept zich dus op theologische noties over de zondeval. Maar ook de geschiedenis noopt Lewis hiertoe, met veel voorbeelden van ontspoorde totalitaire en dictatoriale regimes, ‘christelijke’ regimes incluis.24 25

En ‘het goede’ dan?

Maar hoe hangen natuurrecht en democratie dan samen? Immers, waarom zou de wil van een meerderheid samenhangen met het goede en de eisen van het natuurrecht navolgen? Lewis zal toch het argument van Plato tegen democratie gekend hebben: stadsbestuur is veel te ingewikkeld om het aan het onontwikkelde volk over te laten. Kan een partij als de ChristenUnie in een democratie wel echt ‘opstaan voor het goede’? Ik denk dat twee dingen hierin een rol spelen bij Lewis.

Ten eerste, het al genoemde natuurrecht, de objectieve moraal die iedereen kan kennen. De zondeval is niet zo totaal dat we het goede niet meer kunnen kennen. Want dan zouden we ook niet van onze verdorvenheid afweten, redeneert Lewis in The Problem of Pain.26 Bovendien stelt hij: ‘de algemene teneur van de Schrift geeft ons geen reden om te geloven dat onze kennis van de Wet in dezelfde mate verdorven is als onze mogelijkheid om die Wet te houden.’27 Dit kan gezien worden als achtergrond van Lewis’ vertrouwen dat over de doeleinden en legitieme middelen van de overheid grotendeels overeenstemming bestaat en mensen deze basale dingen willen: veiligheid, inkomen om van te kunnen leven en een goede balans tussen orde en vrijheid (doeleinden passend bij de hierboven genoemde morele geboden van de Tao).28

Deze basale doeleinden hangen samen met het tweede punt. Lewis staat wantrouwend tegenover een grote, machtige overheid. Het doel van de overheid is beperkt, schrijft Lewis in Mere Christianity:

‘De Staat is er simpelweg om in dit leven het algemeen welzijn van mensen te bevorderen en te beschermen. Een echtpaar dat samen bij een haardvuur praat, een groep vrienden die een potje darten in een café, een man die een boek leest in zijn eigen kamer, of in zijn eigen tuin werkt – daartoe is de Staat er.’29

Lewis is sceptisch over een politiek die inzet op morele perfectionering van de burgers. De staat en de politiek zijn er niet, of slechts zeer beperkt, om een gemeenschappelijke conceptie van het goede te vinden en na te jagen (in tegenstelling tot Aristoteles). Goedbedoelde bureaucratische inmenging leidt in combinatie met machtige technologische middelen volgens Lewis gemakkelijk naar paternalistisch totalitarisme.30

Dyer en Watson betogen dat er grote overeenkomsten zijn tussen Lewis’ visie en de politieke filosofie van John Locke waarin het sociaal contract tot behoud van wederzijds eigendom (in brede zin) een belangrijke rol speelt.31 Dat Lewis soms eerder bij Locke dan bij het klassieke natuurrecht aansluit, blijkt ook uit het feit dat in concrete gevallen van politiek beleid Lewis huiverig is om het natuurrecht wettelijk door te vertalen:

‘… geen zonde moet wettelijk strafbaar worden simpelweg omdat het een zonde is. Natuurlijk zijn veel daden die zonde tegen God zijn ook schadelijk voor onze medeburgers, en die moeten daarom, en alleen daarom, wettelijk strafbaar gemaakt worden.’32

Daarom was hij tegen het verbod op homoseksualiteit en tegen bemoeilijking van echtscheiding. Dyer en Watson zien hierin het ‘no harm principle’ uit de utilistische ethiek van John Stuart Mill.33 Maar deze minimalistische morele legitimatie voor de overheid staat wel op gespannen voet met denken vanuit natuurrecht, zoals Lewis aangeeft in ‘We have no “right to happiness”’: ‘Achter de wetten van de staat, staat de Natuurwet.’34 Dyer en Watson proberen dit te verzoenen door te stellen dat het ‘no harm principle’ een subsidiair en geen alomvattend principe is voor Lewis. Door dit principe wordt zowel de integriteit van de kerk als de politiek beschermd, doordat zowel theocratie als blasfemie wordt vermeden. Maar het natuurrecht blijft primair voor Lewis, ook al is zijn politieke vertaling daarvan niet altijd consequent.

Christelijke politiek?

Tegelijkertijd denkt Lewis natuurrecht en democratie ook samen. Zijn essay ‘Meditation on the Third Commandment’(over Gods Naam ijdel gebruiken) beschrijft een vruchtbare verhouding. Het essay gaat in op de vraag of het goed is als er een christelijke partij in Groot-Brittannië wordt opgericht. Lewis begint met een onderscheid tussen de doeleinden en legitieme middelen van de overheid enerzijds en de concrete keuze voor een bepaald middel anderzijds.35 Over het eerste bestaat grotendeels overeenstemming, en daarin spelen natuurrecht maar ook christelijk denken een legitieme rol. Maar politiek gaat (vooral) over de keuze voor een bepaald middel, en in die keuzes onderscheiden de verschillende partijen zich. Politiek weegt af welke legitieme middelen te kiezen: socialisme of kapitalisme, een hiërarchische of egalitaire staat.

Een ‘christelijke partij’ is daarin problematisch volgens Lewis. Want binnen het christendom wordt heel verschillend over de middelen gedacht: geven we de voorkeur aan een antiliberale, fascistische, een socialistische of een conservatief-liberale overheid? Er is geen theologisch principe dat hierin de doorslag geeft, volgens Lewis.36 Maar als een van de voorkeuren dominant wordt en zichzelf de ‘christelijke partij’ noemt, worden anderen gemakkelijk beschuldigd onchristelijk te zijn. Zo wordt onnodig scheiding aangebracht tussen christenen, terwijl het kiezen van de meest effectieve middelen niet op theologische 

overwegingen gebaseerd is. Lewis schrijft in zijn ‘Meditation on the Third Commandment’:

‘Dit ontstaat wanneer gepretendeerd wordt dat God gesproken heeft, terwijl Hij dat niet heeft. (…) Door het natuurlijke licht heeft Hij ons laten zien welke middelen wettig zijn: om uit te vinden welke het meest effectief is, heeft Hij ons hersenen gegeven. De rest heeft Hij aan ons overgelaten.’37

Is hiermee het bestaansrecht van een christelijke partij als de ChristenUnie ondermijnd? Lewis’ angst dat een expliciet-christelijke partij tot gevolg heeft dat andere standpunten en (christelijke) groepen automatisch als onchristelijk worden bestempeld lijkt niet op te gaan voor Nederland. Met drie verschillende christelijke partijen is dit gevaar minder groot. Is het bovendien wel zo duidelijk dat christelijke politiek niks toevoegt? Is met schreeuwende media en polarisatiedynamiek juist het levensbeschouwelijke gesprek niet dringend nodig, op zoek naar common ground over doeleinden en legitieme middelen van de overheid? 

Conclusie

Geïnspireerd door Lewis kan de ChristenUnie haar bestaansrecht vinden in het zoeken en benoemen van gedeelde waarden gebaseerd op het natuurrecht38, om zo de taak en keuzes van de politiek te sturen. Tegelijkertijd moeten we nuchter blijven over de zondigheid van de mens, de noodzaak van democratie en de beperkte taak van de overheid. In onze pluralistische samenleving is naast politieke deliberatie over de beste middelen ook, in aanvulling op Lewis, het gesprek over de doeleinden en legitimiteit van middelen van de overheid steeds belangrijker. Juist de staatsvorm van democratie, ook als die piept en kraakt, biedt ruimte voor dit gesprek en de zoektocht naar common ground.

Lewis’ intellectuele benadering én literaire verbeeldingskracht zijn hiervoor een rijke inspiratiebron. Zijn vertrouwdheid met en wijsheid door boeken uit andere tijden – ‘de verfrissende zeebries van de eeuwen die door onze geesten waait’39 – dienen als voorbeeld voor de ChristenUnie. Haar eigen rijke christelijk-sociale traditie en waardevolle vorming – waarin allereerst de achterban van de ChristenUnie een rol speelt – geven de ChristenUnie een grote taak en verantwoordelijkheid in een onstuimige wereld.

Dit artikel is gebaseerd op het essay dat Timon van Dieren schreef voor het fellowsprogramma van het WI in 2025.

Bronnen

  1. Justin Buckley Dyer & Micah J. Watson (2016) C.S. Lewis on Politics and the Natural Law, 4-10
  2. Dyer & Watson (2016) 6
  3. Dyer & Watson (2016) 104
  4. Dyer & Watson (2016) 7-17
  5. Dyer & Watson (2016) 104
  6. ChristenUnie (2018) Vrede zoeken, recht doen: Beginselverklaring van de ChristenUnie (https://www.christenunie.nl/partijstructuur/beginselverklaring). Nergens in de beginselverklaring wordt fundamenteel beargumenteerd waarom de ChristenUnie voor democratie is. Het wordt hoogstens geïmpliceerd (pp. 5-6, 9, 11).
  7. Wouter Beekers (2022) Christelijk-sociale canon. Op p. 19 wordt benadrukt dat het ‘christelijke denkers’ gaat om een democratische rechtsstatelijke democratie. Daarmee wordt de nadruk gelegd op de rechtsstaat waarbinnen de democratie functioneert. Dit is een belangrijke kwalificatie en inkadering van de democratie. Op p. 34-35 komt terloops een theologische kiem voor kerkelijke ‘democratie’ langs bij de bespreking van Calvijns ‘pessimistische’ kijk op machtsconcentratie. Maar deze gedachtegang wordt niet doorgetrokken naar democratie als staatsvorm. We zullen zien dat Lewis dit wel doet.
  8. C.S. Lewis (2002) ‘On Ethics’ in Lesley Walmsley red., C.S. Lewis Essay Collection: Faith, Christianity and the Church, 313
  9. Dyer & Watson (2016) 78
  10. C.S. Lewis (2017), ‘The Abolition of Man’ in The C. S. Lewis Signature Classics: An Anthology of 8 C. S. Lewis Titles, 716
  11. Lewis (2017) 713
  12. Lewis (2017) 731-738
  13. Lewis (2002) 305
  14. Dyer & Watson (2016) 80
  15. Dyer & Watson (2016) 101
  16. Dyer & Watson (2016) 58-59
  17. Lewis (2017) 699
  18. Lewis (2017) 699. Ward noemt dit citaat het essentiële, cruciale punt van The Abolition of Man. Michal Ward (2021) After Humanity: A Guide to C.S. Lewis’s The Abolition of Man, 74
  19. Lewis (2017) 723-24
  20. Judith Wolfe (2010) ‘On Power’ in Robert MacSwain & Michael Wardred., The Cambridge Companion to C. S. Lewis, 176-177
  21. Dyer & Watson (2016) 86-87
  22. Wolfe (2010)176
  23. Dyer & Watson (2016) 87
  24. C. S. Lewis (2002) 301. Wat betreft ‘christelijke regimes’ denkt Lewis onder andere aan de Covenantors in het 17e-eeuwse Schotland, en de Oranjeorde in eind-18e eeuw Ierland.
  25. Lewis’ onderbouwing van de democratie is vergelijkbaar met Calvijns argument voor een gedecentraliseerde, gespreide macht in het kerkelijk bestuur: ook Calvijn baseert zich op een pessimistische blik op de mens, die een grote machtsconcentratie niet toevertrouwd kan worden. Zie Beekers (2022) 34-35
  26. Lewis (2017) 586
  27. Dyer & Watson (2016) 33
  28. Lewis, ‘Meditation on the Third Commandment’, 299
  29. Lewis (2017) 159
  30. Dyer & Watson (2016) 90
  31. Dyer & Watson (2016) 88-103
  32. Dyer & Watson (2016) 113
  33. Dyer & Watson (2016) 116-23. Merk op: vanuit utilistisch oogpunt ligt democratie als staatsvorm voor de hand – meer dan voor het denken vanuit natuurrecht – omdat er intuïtief een connectie lijkt te zijn tussen het volgen van de wil van de meerderheid en het maximaliseren van geluk voor zoveel mogelijk mensen.
  34. Lewis (2002) 389
  35. Lewis (2002) 299
  36. Lewis (2002) 300
  37. Lewis (2002) 301
  38. Een disclaimer die de zaken iets gecompliceerder maakt: in de christelijke traditie(s) – zoals bijvoorbeeld in de Rooms-Katholieke Kerk – wordt vaak benadrukt dat de Kerk nodig is om het natuurrecht op de juiste manier te interpreteren. De ChristenUnie zit enerzijds dicht bij die kerk, maar anderzijds wordt zo het gesprek met andere partijen en ideologieën mogelijk moeilijker omdat niet dezelfde autoriteiten erkend worden.
  39. Dyer & Watson (2016) 85