Wat Nederlanders kunnen leren van Afrika

Door Marco van der Graaf


De slogan van Oxfam Novib ‘ambassadeurs van het zelf doen’ sluit goed aan bij de veranderde realiteit in internationale samenwerking. Veel christelijke organisaties in de jaren ‘70 zijn gestart met de uitvoering van ontwikkelingshulp. Vanuit particuliere en kerkelijke initiatieven sloegen deze organisaties een brug tussen de mensen ‘hier’ en de mensen ‘daar’.  Die benadering voldoet niet meer in de 21e eeuw. Deze eeuw biedt kansen voor individuele burgers en zeker voor kerken.


Onderweg van Libië naar Lampedusa is een boot met 400 vluchtelingen gezonken. Zo’n 200 mensen zijn gered. Over de andere 200 mensen wordt bericht dat er al zeven doden zijn geborgen. Dit is een bericht van 12 mei jl. Wat er is geworden van de 200 drenkelingen laat zich raden. Een menselijk drama dat niet op zichzelf staat. De dag ervoor zijn er 40 bootvluchtelingen omgekomen. En de week daarvoor… Een bericht dat zich steeds weer lijkt te herhalen. Op hetzelfde moment wordt in Nederland de discussie weer gevoerd over de groeiende vluchtelingenstroom. In april vroegen ongeveer duizend vluchtelingen uit het Oost-Afrikaanse Eritrea asiel aan in ons land. Diepere oorzaak van deze vluchtelingenstroom wordt gevonden in de slechte mensenrechtensituatie in het land van herkomst. Armoede, onderdrukking en geweld drijven mensen op de vlucht. Door de verslechterde situatie in een aantal Noord-Afrikaanse landen proberen mensen de sprong naar Europa te maken.

 
Groeiende stroom asielzoekers

In Nederland schrikt men van de plotselinge toestroom. In allerijl worden er door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) opvangcentra geopend op allerlei plekken. De eerste reactie is extra inzet van de marechaussee aan de zuidelijke grenzen. Strenge grenscontroles en vluchtelingen buiten ons land houden (en afleiden naar andere Europese landen) wordt blijkbaar als oplossing gezien. De vraag naar de diepere oorzaken wordt daarbij te weinig gesteld. Sterker nog, geld voor het werken aan die diepere oorzaken (de strijd tegen armoede en onrecht wereldwijd) is in Nederland fors ingeperkt sinds 2012.

Een van de oplossingen voor de instroom van vluchtelingen die wordt genoemd door Stichting Vluchteling is de ondersteuning van de UNHCR in de vluchtelingenkampen in Zuid-Soedan. Ondersteuning van de UNHCR valt in Nederland onder ontwikkelingssamenwerking. Het kabinet Rutte-II bezuinigt in totaal bijna een miljard euro op het budget Ontwikkelingssamenwerking voor 2014. Voor dit jaar werd vorig jaar nog 4,7 miljard euro begroot, dat wordt nu 3,7 miljard. Daarmee besteedt Nederland 0,59 procent van haar Bruto Nationaal Product (BNP) aan ontwikkelingssamenwerking. Dat was lange tijd 0,8 procent. Het Nederlands ontwikkelingsbudget is sinds jaar en dag gekoppeld aan het BNP. Gaat het goed met Nederland, dan stijgt als het goed is het bedrag dat aan ontwikkelingssamenwerking wordt uitgegeven. Gaat het minder, zoals de laatste jaren, dan daalt het bedrag automatisch. Door de stagnerende economie de laatste jaren heeft het budget voor ontwikkelingssamenwerking daardoor een extra daling te verwerken gekregen.


Daar en hier

Het vluchtelingenprobleem geeft overduidelijk aan dat de focus in het debat over internationale samenwerking is verschoven van ‘problemen en uitdagingen daar’ naar ‘problemen en uitdagingen hier én daar’. Het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking mag dan minder zijn geworden, de relatie tussen mondiale problemen en onze eigen samenleving dringt zich met de dag meer aan ons op. Het gaat om vraagstukken op het gebied van armoede, duurzame en rechtvaardige groei, beschikbaarheid en toegang tot water, voedsel, energie, onderwijs en gezondheidszorg en de bedreiging van milieu en biodiversiteit.[1] 

René Grotenhuis, voormalig directeur van Cordaid, noemt als belangrijkste toekomstige oorzaken van armoede: bevolkingsgroei, ongelijkheid, conflicten, instabiliteit en onveiligheid in zogenaamde falende staten en klimaatverandering. We moeten dus gaan bewegen van draagvlak voor (klassieke) ontwikkelingssamenwerking naar draagvlak voor de relatie tussen mondiale ontwikkelingen en – mondiaal -  burgerschap. Of beter, we moeten beide doen, hand in hand. Hulp blijft nodig in conflictgebieden, bij rampen en daar waar mensen niet zonder hulp van anderen uit de armoedespiraal kunnen komen. Maar daar kan het niet bij blijven. Deze tijd van mondialisering vraagt iets nieuws van de – ook de Nederlandse – burger en het bedrijfsleven. En we zien ook dat mensen en bedrijven die nieuwe verantwoordelijkheden oppakken.


Minder overheid?

Daarnaast moeten we erkennen dat er een nieuwe sociale werkelijkheid is ontstaan in Nederland. Ook in Nederland is er in toenemende mate sprake van gemarginaliseerden: mensen die denken niets meer te kunnen. Kerken en lokale overheden kunnen in die nieuwe sociale werkelijkheid in Nederland juist leren van wat in gemeenschappen in Afrika, Azië en Latijns Amerika op veel plekken vanzelfsprekend is: participatie. De rol en stem van de Nederlandse overheid en de financiering van internationale solidariteit blijft dus onverminderd van belang. Ik zie dat graag terug op twee niveaus. Het eerste is: politici die burgers stimuleren om zelf te participeren zijn politici die vertrouwen uitspreken in het maatschappelijk middenveld dat daarin faciliteert. Het kan niet zo zijn dat politici verantwoordelijkheid willen delegeren en tegelijkertijd de kwaliteit van ontwikkelingssamenwerking zoals uitgevoerd door non-gouvernementele organisaties in twijfel trekt. Het tweede is dat de Nederlandse overheid bereid is en moet blijven om te investeren in die vormen van hulp waar burgers en bedrijfsleven (handel) niet effectief zijn: rampen, conflictgebieden, burgers die onderaan de armoedespiraal leven. Een blik op de wereld om ons heen leert dan dat er in de toekomst eerder meer dan minder geld nodig zal zijn dan in de afgelopen 60-70 jaar.


Wereldwijde afhankelijkheid

Het NCDO[2] heeft de mondiale dimensie van burgerschap als volgt gedefinieerd:

De mondiale dimensie van burgerschap uit zich in gedrag dat recht doet aan de principes van wederzijdse afhankelijkheid in de wereld, de gelijkwaardigheid van mensen en de gedeelde verantwoordelijkheid voor het oplossen van mondiale vraagstukken.[3]

Allereerst is het van belang dat we ons realiseren dat het oplossen van deze grote hedendaagse vraagstukken een gemeenschappelijke n mondiale verantwoordelijkheid is. De wereld is steeds meer verweven, onderling afhankelijk en kwetsbaar. Daarmee zijn we burgers die én in verschillende landen wonen en in één wereld (en in één Europa for that matter) waar het lokale en mondiale verbonden is. Dit is niks nieuws. Maar het vraagt wel om een nieuwe invulling.

Het tweede is dat we anders moeten gaan nadenken over ontwikkeling en globale solidariteit. Nieuwe thema’s zoals het verdelingsvraagstuk van water, schone lucht, energie, voedsel en biodiversiteit komen niet in plaats van het ‘oude’ armoedevraagstuk, maar vullen die aan. Daar gaat de overheid ons beleidsmatig wel in voor: willen we wereldwijde vraagstukken op het gebied van stabiliteit, veiligheid en klimaatverandering daadwerkelijk aanpakken, dan is internationale samenwerking onontkoombaar.

Ten slotte zien we dat burgers tegen de trend in van dalend draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking, wel persoonlijk initiatief en verantwoordelijkheid nemen. Het aantal mensen dat geeft is toegenomen, mensen starten kleinschalige particuliere ontwikkelingsprojecten, het aantal mensen dat Fair Trade producten koopt neemt toe (GFK[4]), en er is sterke toename van event-gedreven fundraising zoals bijvoorbeeld Alp D’Huzes. Mensen lijken dus steeds meer persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen voor mondiale problemen. Ook grotere organisaties spelen op die trend in door meer ruimte te geven aan eigen initiatief en individuele betrokkenheid en inzet.


Verbinding via geloof

Wat heeft deze beweging tot gevolg op het christelijk erf? Veel organisaties op het gebied van burgerlijke solidariteit hebben roots in de kerken. Dat is een enorme pre op organisaties die dat niet hebben. Waar ‘verbinden’ het kernwoord is, hebben organisaties met religieuze drijfveren een verbinding op geloofsniveau. De tegenstelling arm-rijk (de ongelijkheid in de wereld) hebben ze niet nodig om verbinding te ervaren, sterker nog: onze eigen spirituele armoede wordt zichtbaar. We gaan een verbinding met elkaar aan op christelijke waarden (compassie, gerechtigheid) en als we dan bereid zijn om te leren van elkaar is dat een nieuwmandaat voor christelijke ontwikkelingssamenwerking: van zendingsorganisatie naar ontvangstorganisatie.


Kerk goed voorgesorteerd

Christenen hebben het vaak over ‘het Koninkrijk van God’. Dit begrip drukt uit dat God na de val van de wereld in het kwaad zijn schepping niet los laat, maar door de geschiedenis heen toewerkt naar wat in de bijbel wordt omschreven als ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. Wij leven in de spanning van het ‘alreeds’ en ‘nog niet’. Zo drukt het begrip een wijze van (samen)leven uit waarin er harmonie is tussen mens, aarde, mensen onderling, de mens met zichzelf en de mens met God als schepper. Voor veel christenen betekent dat in het hier en nu een samenhangende gerichtheid op eerlijke, duurzame relaties of het herstel daarvan. En dat er in een wereld waarin verhoudingen fundamenteel scheef zijn gegroeid, naast compassie, ook expliciete aandacht is voor gerechtigheid en rentmeesterschap.

Naar mijn idee staan kerken wereldwijd in potentie hiermee beter voorgesorteerd dan veel andere organisaties nu mondiale verhoudingen sterk verschuiven. De focus op werken vanuit lokale gemeenschappen via lokale kerken, de focus op Zuid én Noord en de wederkerigheid daartussen.


Burgers en kerken

Burgers nemen een heel belangrijke plek in in deze visie. Recht doen is de taak van kerken en individuen ver weg en dicht bij. Ik denk hierbij aan de morele dimensie van burgerschap: morele plichten die christenburgers (en dus kerken) hebben overal ter wereld ten opzichte van elkaar. De moraal is daarbij gebaseerd op de wereldbeschouwing van het christendom. Maar ook aan de formele, meer juridische dimensie van burgerschap. Immers de principes van recht doen, zijn Bijbelse principes en gebaseerd op de oudtestamentische maatschappelijke orde ingericht op basis van wetten en regels.

Dat betekent in Nederland dat burgers individueel en gemobiliseerd via kerken een verschil kunnen maken in hun gemeenschap dichtbij en ver weg. Lokale kerken ver weg en dichtbij ontwikkelen visie. Deze helpt op haar beurt de gemeenschap om visie te ontwikkelen waarna interventie plaats vindt vanuit de gemeenschap zelf.

De route via de lokale kerk schept veel mogelijkheden voor een holistische benadering, omdat het werk van de kerk in de gemeenschap duurzaam is, omdat er negen miljoen kerken wereldwijd zijn, de kerk ook mensen in de gemeenschap bereikt die normaal niet bereikt kunnen worden en omdat inzet van de lokale kerk een groot resultaat geeft in verhouding tot relatief kleine investeringen.

En ook kerken zijn weer een afspiegeling van het lokale én het mondiale. Kerken kunnen werken in hun eigen gemeenschap, gemeenschappen elders ondersteunen maar ook leren van elkaar en elkaar ontmoeten in de verschillende dimensies van rijkdom én armoede, materieel en spiritueel.


Conclusie

Nederland is een klein land. Daarom is het van groot belang dat juist wij als Nederlanders begrijpen dat wereldproblemen ook onze problemen zijn. We zijn niet alleen kleinburger maar ook wereldburger. We zijn van elkaar afhankelijk, we zijn allemaal evenveel waard en we kunnen en moeten allemaal bijdragen aan de oplossing van mondiale vraagstukken. 


[1] NCDO Mondiaal Burgerschap. Van draagvlak naar participatie.

[2] Nationale Commissie voor internationale samenwerking en Duurzame Ontwikkeling

[3] http://www.ncdo.nl/artikel/mondiaal-burgerschap

[4] GFK biedt markt- en consumenteninformatie


Marco van der Graaf is directeur van Tear. Tear verbind kerken in de strijd tegen armoede.