Hoera, we worden oud! Oeps!

Middenin in een vaak nogal pessimistisch getoonzette tijd is het goed met een juichende klaroenstoot te beginnen: een van de meest spectaculaire bewijzen van vooruitgang is de stijging van de levensverwachting in de afgelopen twee eeuwen. Hoe mooi het ook is dat we gezamenlijk ouder worden, we zullen onze samenleving er wel op in moeten richten. We leven nu in een nogal junior-gerichte samenleving, terwijl we te maken hebben met groeiende senioriteit. Waar gaat het mis met de inrichting van onze samenleving? En hoe kunnen we op een creatieve manier meer ruimte voor senioriteit realiseren?

Cijfers over levensverwachting | In 1861 lag de gemiddelde levensverwachting rond de 37 jaar voor mannen, 38 jaar voor vrouwen. Nu is dat voor mannen zo’n 79 jaar, voor vrouwen gaat het naar de 83 jaar. Het grote verschil is hier de kindersterfte die spectaculair is afgenomen. Een kind is bedoeld voor het leven, maar al te vaak kwam het er niet van. Een ander getal is echter ook heel interessant: de leeftijd waarop in absolute aantallen de meeste mensen sterven (wat was in een bepaald jaar de meest voorkomende stervensleeftijd?). Dat was in 1860 rond de 73 jaar, maar ligt nu rond de 85 jaar. Met andere woorden: wie eenmaal de vroegste kinderjaren had overleefd, werd eind negentiende eeuw over het algemeen toch ook al behoorlijk oud, maar een eeuw later toch nog veel ouder.

Die stijging van de levensverwachting gaat gepaard met een forse daling van het geboortecijfer sinds de jaren zeventig, van ruim drie kinderen per vrouw – en dus een geboortegolf – naar 1,66 nu, minder dan de ‘vervangingsbehoefte’. De Nederlandse bevolking krimpt dus op basis van de geboortecijfers, maar dit wordt gecompenseerd door immigratie en doordat we langer leven. Daarmee zijn echter de getalsmatige verhouding tussen de generaties ingrijpend aan het veranderen. Nu is ongeveer een vijfde van de bevolking 65 jaar of ouder, na 2050 zal dat ongeveer een kwart zijn. Vanaf dit jaar zal meer dan de helft van de Nederlandse bevolking ouder zijn dan 50 jaar.

Ongelijke verhoudingen | Overigens doet zich hier wel een ernstige tweedeling voor: het verschil in levensverwachting tussen de 10% laagste inkomensgroep en de 10% hoogste inko- mensgroep is ruim acht jaar. Als we gezonde levensjaren tellen is het verschil zelfs zo’n twaalf jaar – een heuse tweedeling dus.

Een interessant gegeven is ook de zogenaamde Oldest Old Support Ratio (OOSR), het aantal mensen in de leeftijd 50–75, die geacht worden nog goed in staat te zijn mantelzorg te ver- lenen, gedeeld door het aantal mensen van 85 jaar en ouder. In 1975, met een jonge bevolking, was dat 1:30, in 2015 was dat 1:15, in 2040 zal dat 1:6 zijn.3 Dat betekent dat er per oudere straks nog maar zes potentiële mantelzorgers zullen zijn – iedereen voluit aan de bak dus, ervan uitgaande dat niemand fulltime mantelzorger kan zijn.

Nog enkele andere aangrijpende cijfers: de eenzaamheid, die in de hele samenleving aanwezig is, neemt nog fors toe bij het ouder worden. Sociale eenzaamheid, gedefinieerd als het missen van een groep mensen waarmee men betekenisvolle relaties heeft (zoals kennissen, collega’s, buurtgenoten), ligt rond 30-jarige leeftijd toch ook al op zo’n 35% maar boven de 65 jaar komt dit rond de 50% uit. Boven de 85 jaar heeft zelfs twee derde van de mensen gevoelens van eenzaamheid.4

De conclusie moge duidelijk zijn: oud worden willen we allemaal, oud zijn valt niet mee. Hoe mooi het ook is dat we gezamenlijk ouder worden, we zullen onze samenleving er wel op in moeten richten. Als ik het goed zie, zijn er in elk geval een viertal ‘mismatches’ tussen de demografische ontwikkelingen enerzijds en de huidige inrichting van de samenleving anderzijds. 

Eerste mismatch | Allereerst is er sprake van een cultuur-antropologische mismatch. In ons spreken en denken over de mens ligt vaak onuitgesproken het accent op ‘jong zijn’, op ‘vitaliteit’, op avontuur, op het zijn van een ‘high potential’, op de nog niet gerealiseerde toekomst. Of het accent ligt op de prestatie die je levert – de zogenaamde ‘meritocratische’ samen- leving. In tegenstelling tot veel andere en oudere culturen heeft de waardering voor ouderdom in onze cultuur de neiging negatief te zijn; de ouderdom staat voor de fase waarin we niet meer ‘mee’ kunnen komen, waarin onze inzichten en opvattingen er niet meer toe doen en onze ervaring achterhaald is, omdat we denken dat de samenleving constant innoveert.

Bovendien is het perspectief op een eeuwigheid na dit leven grotendeels verdampt. Godfried Bomans zei eens: “vroeger keken we naar oude mensen als mensen die er bijna waren; nu kijken we naar hen als mensen die er bijna geweest zijn”. Terecht wordt er in het voltooid leven debat op gewezen dat er een risico kan ontstaan (let wel: kán ontstaan) dat we mensen naar de uitgang kijken. Wordt het niet eens tijd om te gaan? Essentieel voor de toekomst zal zijn het behouden en in sommige gevallen hervinden van een besef van intrinsieke waardigheid van alle menselijk leven, ook in de ouderdom – en het vinden van maatschappelijke structuren en verhoudingen waarin dit concreet gestalte krijgt.

Benieuwd naar de andere mismatches, en de oplossingen die prof. Govert Buijs aandraagt? Lees verder in de komende editie van Groen, die verschijnt op 25 juni. 

Deze editie van Groen is vanaf die datum voor € 7,50 te koop in onze webshop en gratis voor onze donateurs. Word nu donateur vanaf € 3,- per maand en ontvang Groen viermaal per jaar gratis!