Op weg naar de Beijing consensus?


Door Reinier Koppelaar

De afgelopen jaren had China alle reden om te blaken van zelfvertrouwen: de financiële crisis toonde het failliet van de vrije markt neoliberale stijl. In contrast daarmee liet het Middenrijk decennialang ononderbroken groei zien, en heeft het 400 miljoen mensen uit de armoede getild. Met een investeringspakket van ongekende omvang trok het in 2009 de rest van de wereldeconomie uit het moeras. Eén-nul voor China en zijn staatskapitalisme dus. Er klonken de afgelopen jaren zelfs speculaties over de wisseling van de wacht tussen de ‘Washington Consensus’ en de ‘Beijing Consensus’. Eén ding staat vast: het heeft geen zin het Chinese groeimodel als alternatief voor de vrije markteconomie in Westerse landen te beschouwen. Dat zou onhistorisch zijn (China is een opkomende economie, westerse economieën hebben 200 jaar industrialisering achter de rug), maar ook voorbijgaan aan de problemen van dit model. Ook in China zelf wordt heftig gediscussieerd over het eigen ontwikkelingsmodel. Zelfs scheidend president Hu Jintao heeft gesteld dat er een einde moet komen aan de ‘onevenwichtige, ongecoördineerde en onduurzame ontwikkeling’. Waartoe dat onder het nieuwe leiderschap Xi – Li precies zou moeten leiden, zal de komende jaren blijken. Volgens sommigen wordt het business as usual, anderen hopen op een nieuw tijdperk van 30 jaar als ‘China 3.0’ (na ‘China 1.0’ onder Mao en ‘China 2.0’ onder Deng Xiaoping’s gedachtengoed).

Wat zijn de problemen van het Chinese model? Allereerst is hét concurrentievoordeel van China als exportland (lage lonen) niet oneindig. Door het economisch succes slinkt het reservoir goedkope arbeid uit het Chinese platteland en stijgen de lonen, waardoor productie wordt verplaatst naar landen als Vietnam en Bangladesh. China moet de omschakeling maken naar een economie gedreven door binnenlandse consumptie. Ten tweede is er een grens aan wat een overheid met investeringen aan economische groei kan genereren.  De aanleg van China’s indrukwekkende infrastructuur was noodzakelijk, maar leegstaande kantoorkolossen, winkelcentra en appartementencomplexen illustreren het risico dat staatsgeleide investeringen niet economisch maar politiek gemotiveerd zijn (om groeicijfers op te poetsen of belangengroepen te bedienen). Chinese staatsbedrijven en politieke machthebbers zijn omringd met een zweem van corruptie en vriendjespolitiek. Ten derde is er de toenemende sociale onrust, gevoed door de gigantische inkomensverschillen.  Volgens de Tsinghua Universiteit vonden er in 2011 reeds 180.000 demonstraties plaats (één in elke 3 minuten) over loonhoogte, arbeidsomstandigheden of landonteigening. Ten vierde is er de toenemende publieke bewustwording over de milieuproblemen na drie decennia van ongebreidelde groei. De luchtvervuiling in de maand januari van dit jaar brak alle records. De Chinese overheid erkende onlangs het bestaan van ‘kankerdorpen’, plaatsen waar fabrieken gevaarlijke stoffen lozen in lucht, grondwater en bodem die tot rechtstreekse volksgezondheidsproblemen voor de bevolking leiden.

Het Chinese leiderschap dat deze maand aantreedt zal rekening moeten houden met deze ‘onevenwichtigheden’ in het Chinese groeimodel, alsmede met de opkomende middenklasse die zich meer dan voorheen interesseert voor de kwaliteit van leven, en via sociale media steeds beter geïnformeerd raakt en sterker nog: invloed weet uit te oefenen. De vraag is nu: weet China zichzelf in de komende 30 jaar opnieuw uit te vinden?

Reinier Koppelaar werkt op de Nederlands ambassade in Peking en schrijft deze column op persoonlijke titel.

© WI ChristenUnie