Tussen theocratie en wereldmijding


Van Ruler, De Vries en het zoeken naar de derde weg

Recensie

----- 
J.P. de Vries
Een theocratisch visioen. De verhouding van religie en politiek volgens A.A. van Ruler
Boekencentrum Academic:, Zoetermeer 2011
354 pp.
€29,90
-----


Door Gijsbert van den Brink

Nederlandse christenen leven vandaag in een democratisch geordende maatschappij waarin zeer uiteenlopende levensbeschouwelijke overtuigingen gelijke rechten hebben in het politieke debat.  Diezelfde  christenen lezen in hun Bijbel dat de oproep om God te dienen en zijn geboden na te leven alle mensen geldt (Prediker 12:13), en zijn ervan overtuigd dat een leven in overeenstemming met Gods bedoelingen ook werkelijk zegen met zich meebrengt. Wat betekent dit laatste nu voor hun opstelling in dat politieke debat?

Moeten christenen ernaar streven om aan de Bijbel ontleende geboden zoveel mogelijk door te vertalen in nationale (en internationale) wetgeving, zodat deze desnoods onder dwang gehandhaafd worden? Of kunnen ze zich juist beter niet met de inrichting van de samenleving bemoeien omdat dit toch niks wordt en het daar bovendien ook niet om gaat in het christelijke leven?

Terugtrekken?

Het zijn globaal gesproken deze alternatieven waarmee dr. J.P. de Vries zijn onderzoek naar het theocratisch denken van de hervormde theoloog A.A. van Ruler (1908-1970) inzet. Ze zijn mijns inziens raak gekozen. In het eerste alternatief zien we het streven verwoord zoals dat altijd kenmerkend is geweest voor onder meer de ChristenUnie en haar voorgangers. Het tweede alternatief was traditioneel typerend voor de ‘doperse’ traditie, maar vindt vandaag dankzij het werk van denkers als Stanley Hauerwas en anderen daarnaast steeds meer sympathie in evangelische en gereformeerde kring. Ook de ChristenUnie ziet er zich in eigen gelederen, als ik het goed zie, steeds nadrukkelijker mee geconfronteerd. Dat is niet onbegrijpelijk. Naarmate het tij voor de christelijke politiek keert, wordt het steeds aanlokkelijker om daar ook principieel niet al teveel meer van te verwachten en zich terug te trekken op de kerk of gemeente als ‘contrastgemeenschap’.

De Vries vreest echter dat we deze beweging wel eens te snel zouden kunnen maken.  Hij wijst op het risico van ‘een sluipende secularisatie in het christelijk-politieke denken’ (2). Daarmee bedoelt hij naar ik aanneem dat christenen – en in dit geval met name diegenen onder hen die een verantwoordelijke positie in het publieke domein innemen – onder druk van de feitelijke omstandigheden waarin zij moeten werken gemakkelijk slappe knieën kunnen krijgen en er zo toe  komen hun idealen en overtuigingen maar aan te passen aan de weerbarstige praktijk. Dat zal voor De Vries een belangrijk motief zijn geweest om zich eens grondig te verdiepen in het werk van Van Ruler, want als iemand er in elk geval niet van verdacht kan worden zijn krachtige christelijk-politieke idealen bij te stellen aan de praktijk, dan was het Van Ruler wel.

Prachtig proefschrift

Het moet gezegd worden dat De Vries zich uitstekend van zijn taak heeft gekweten. Zijn boek laat zien hoe prachtig het genre van het proefschrift kan zijn. Het is zeer overzichtelijk ingedeeld, verwerkt een keur aan bronnen, zet tal van her en der verspreide gegevens prima op een rijtje en is bovendien zeer toegankelijk geschreven. Ook een niet-theoloog die nu eens het fijne wil weten over Van Ruler en de theocratie kan in dit boek uitstekend terecht.

Na een inleidend hoofdstuk brengt De Vries allereerst in kaart hoe Van Ruler het theocratisch ideaal omschreef en theologisch verantwoordde. Dat is natuurlijk een fundamenteel hoofdstuk in het boek. Van Ruler leidde uit de Bijbel af dat God niet alleen uit is op de bekering van individuen, maar ook op de heiliging van het politieke en maatschappelijke leven. Vooral in het Oude Testament is dit volgens hem het centrale motief: het OT werkt toe naar David, de koning naar Gods hart, en ziet vervolgens uit naar een nieuwe verwerkelijking van diens koningschap in het Rijk van de Messias.  In het Nieuwe Testament breekt dat Rijk aan, en ook al valt het accent er niet meer op de maatschappelijk-politieke dimensies, dat wil niet zeggen dat die niet meer aan de orde zijn. Ook het koningschap van Christus heeft primair en origineel een staatkundige inhoud en strekking (48). Vanuit Jeruzalem wordt de wereld volgens Van Ruler dan ook volksgewijs tot Christus gebracht.

Theocratisch visioen

In hoofdstuk 3 gaat De Vries na hoe Van Ruler de concrete uitwerking van zijn theocratisch visioen voor ogen zag. Anders dan wel eens gedacht wordt, blijkt dat Van Ruler een zeer concrete invulling voor ogen had van de taken van kerk en staat in de toenmalige Nederlandse samenleving. Van Ruler was er echter niet de man naar om deze om te zetten in praktisch uitvoerbare programma’s. Bovendien ging hij gaandeweg ook meer oog krijgen voor het belang van tolerantie jegens andersdenkende burgers. Daar ligt natuurlijk precies het heikele punt in elke theocratische visie: hoe verhoudt zich het recht doen aan Gods geopenbaarde  bedoelingen  tot het recht doen aan medeburgers die daar niets mee hebben? De Vries toont fraai aan dat Van Ruler weliswaar het belang van tolerantie steeds scherper gaat inzien, maar daarmee dit dilemma toch niet echt tot een oplossing weet te brengen. Wel is hij nuchter genoeg om te beseffen dat de theocratie in het hier en nu altijd stukwerk (ofwel een ‘torso’, zoals het in dit verband altijd zo mooi heet) zal blijven. Toch: wat hem voor ogen stond was een staat die publiekelijk de christelijke religie belijdt, in de Grondwet de Bijbel als Woord van God en hoogste richtsnoer erkent en zich confessioneel bindt door overheidsfuncties, de hoogste ambten en vertegenwoordigende organen slechts open te stellen voor aanhangers van de ware religie… (179v.).

Geestverwanten

Daarna volgen hoofdstukken waarin Van Rulers theocratisch denken in zijn bredere context geplaatst wordt.  In hoofdstuk 4 analyseert De Vries hoe Van Ruler zich verhield tot het denken van theologen die hem op een bepaalde manier beïnvloedden in zijn visie op de verhouding van kerk en staat. Speciaal wordt gekeken naar zijn reacties op en verwerking van Hoedemaker, Kuyper en Barth.  Hoofdstuk 5 bespreekt de discussie met tijdgenoten. Duidelijk wordt hoe aanvankelijke geestverwanten geleidelijk aan meer afstand namen van Van Rulers theocratisch gedachtengoed. De theologische ontwikkelingen gingen ook een andere kant op, namelijk in links-maatschappijkritische richting. Daar nam Van Ruler op zijn beurt weer krachtig afstand van – één van de dingen die De Vries in hem weet te waarderen. Het meest positief over Van Rulers theocratisch visioen waren nog de twee Zuid-Afrikanen die op hem promoveerden; maar tot een grondige kritische gedachtewisseling blijkt het eigenlijk nergens te zijn gekomen.

ChristenUnie theocratisch?

Hoofdstuk 6 trekt de lijnen vervolgens door naar de huidige tijd, door de invloed van Van Rulers theocratisch denken te beschrijven. Daarbij komen ook diverse politieke partijen langs, inclusief de ChristenUnie en haar voorgangers. Het blijkt dat Van Ruler daar wel invloed had en heeft (bijvoorbeeld via A.J. Verbrugh van het GPV en A. Kadijk van de RPF/CU), maar dat deze getemperd wordt doordat men sterk vanuit een ander kerkbegrip denkt: het gaat om een vrije kerk in een vrije, onpartijdige staat. De overheid moet derhalve niet samen met de kerk de kerstening willen bevorderen.  Dat leidde ertoe dat iemand als André Rouvoet destijds wel wilde spreken over een theocratische gezindheid van de overheid (deze dient namelijk  te erkennen in dienst te staan van God, die Soeverein is over alle terreinen van het leven etc.), maar deze gezindheid niet wilde omzetten in een theocratisch program.  De theocratische gezindheid werd veeleer in kuyperiaanse richting uitgewerkt: de overheid dient niet het christelijk geloof te bevorderen door in geloofszaken op te treden, maar de diverse geestelijke stromingen principieel gelijk te behandelen.  In 2006 vermeldt het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie voor het eerst niet meer dat de overheid publiek God moet eren en haar beleid moet afstemmen op Bijbelse waarden. Ook  de theocratische gezindheid staat nu dus onder druk en de afstand tot Van Ruler lijkt groter geworden.

Kritisch op de kern

Het spannendst is intussen het zevende en laatste hoofdstuk van De Vries’ boek. Hierin komt hij tot een eigen evaluatie van Van Rulers theocratisch denken. Daarbij blijkt hij niet onsympathiek te staan tegenover allerlei elementen die de revue zijn gepasseerd: Van Rulers positieve waardering van het aardse leven, diens eerbied voor de overheid als dienares van God, zijn verlangen dat het gehele Nederlandse volk God zou gaan dienen en zijn afwijzing van de moderne theologie. Verder stelde Van Ruler terechte vragen gesteld bij de fameuze ‘neutraliteit’ van de overheid, terwijl ook zijn kritische kanttekeningen bij de werking van de democratie en het meerpartijenstelsel overwegenswaardig blijven. Maar als het gaat om de eigenlijke kern van Van Rulers theocratisch denken valt De Vries’ oordeel toch wel over de hele linie negatief uit. Van de vijf pijlers waarop Van Rulers denken eerder in het boek bleek te rusten, staat er na welgeteld tien bladzijden (299-308) niet één meer overeind. Dat gaat mij wat snel. Het komt mij voor dat Van Rulers ideeën een wat uitvoeriger toetsing hadden verdiend.  Laat ik dit kort toelichten.

De vervulling van de wet

De Vries verwijt Van Ruler het belang van goede exegese en een zorgvuldig luisteren naar de Heilige Schrift te zeer te relativeren. Hij meent dan ook dat de Bijbelse onderbouwing van diens theocratisch ideaal zwak staat (302). Maar om die conclusie waar te maken had De Vries mijns inziens zelf meer werk moeten maken van een bijbels-theologische toetsing van Van Rulers denkbeelden.  Het is in dit verband te betreuren dat hij Van Rulers magistrale dissertatie De vervulling van de wet grotendeels buiten beschouwing laat, want juist daarin trok (en verantwoordde) Van Ruler de bijbels-theologische grondlijnen die hij al snel daarna in theocratische richting zou uitwerken. Had Van Ruler bijvoorbeeld geen gelijk met zijn these, dat de notie van de vervulling van de Torah niet uitgelegd moet worden als haar afschaffing, maar juist als haar van-kracht-making? Het zal waar zijn dat Van Ruler te weinig recht deed aan de eigensoortigheid van het OT, maar had hij toch niet een punt in de wijze waarop hij de grote continuïteit tussen OT en NT poneerde? Van hieruit zou mijns inziens in elk geval genuanceerder geoordeeld moeten worden over de eerste – en ongetwijfeld belangrijkste – pijler onder Van Rulers theocratisch denken, namelijk die van de blijvende betekenis van het OT.

Het werk van de Geest

Daarnaast ben ik geneigd over het werk van de Geest in de westerse cultuur wat positiever te spreken dan De Vries doet (307v.). Het zal waar zijn dat er van alles is misgegaan en we niet verder zijn gekomen dan een vermenging van openbaring en heidendom, zoals Van Ruler het graag zei (hij was de eerste om dit toe te geven). Dat neemt echter niet weg dat het Evangelie van meet af aan een enorme uitwerking gehad heeft, niet alleen op gelovige individuen maar ook op collectieve mentaliteiten en instituties; men denke bijvoorbeeld aan de armenzorg, de inrichting van het ziekenhuiswezen, de oprichting van universiteiten et cetera. Ook zonder die voor 100% als vruchten van christelijke bodem te claimen, is het niet toevallig dat deze juist tot ontwikkeling kwamen in een door het Evangelie aangeraakt Europa.

Theocratie en tolerantie

Deze kanttekeningen nemen intussen niet weg dat mijns inziens valt in te stemmen met de algehele teneur van De Vries’ evaluatie.  Want toont Van Ruler (meer dan De Vries laat doorkomen) aan dat een theocratische gezindheid bijbels-theologisch gezien sterke papieren heeft, dat betekent nog niet dat men deze ook moet willen omzetten in een theocratisch program. Juist wat dat betreft legt De Vries in zijn slothoofdstuk de vinger nauwkeurig op de zere plek. Een dergelijk program, zo schrijft hij, vermengt de taken van kerk en staat; de kerk staat al snel niet vrij meer tegenover de overheid die haar steunt. En de staat kan eigenlijk niet meer ontkomen aan een vorm van bevoorrechting (en dus ook achterstelling) wanneer ze inderdaad partij zou kiezen voor een bepaalde kerk of godsdienstige overtuiging. Ook al zou deze nog zo subtiel zijn, sommige groepen zouden toch tot tweederangsburgers gedegradeerd worden. Maar tot de vruchten van het Evangelie behoort nu juist de idee van de principiële gelijkheid van alle mensen. Tolerantie is daarom voor de christen niet een zaak van concessie (een schijn die Van Ruler onvoldoende weet te vermijden) maar van confessie.  Daarnaast moet gezegd worden dat de bevoorrechting van bepaalde kerkgenootschappen door Europese overheden uiteindelijk averechts gewerkt heeft, en de zaak van het Evangelie in onze contreien waarschijnlijk al met al geen goed gedaan heeft. De Vries gaat zover niet (en het zou interessant zijn zijn visie hierop eens te vernemen), maar het is zelfs niet uitgesloten dat mede hierdoor de secularisatie in Europa een veel grimmiger aanzien heeft gekregen dan in de VS. Dáár kende men immers al spoedig een vrije kerk in een vrije staat, die daardoor veel minder deelt in de achterdocht en kritiek die alle gevestigde instituties momenteel ten deel valt.

Twee Rijken

Blijft over de vraag naar het alternatief. Als theocratie niet vertaald kan worden in een christelijk- politiek programma, waaraan ontleent zo’n programma dan wel haar Bijbelse legitimatie? Willen we het doperse alternatief van het ontlopen van politieke verantwoordelijkheid vermijden (en dat wil De Vries nadrukkelijk), dan zal in antwoord op die vraag wellicht nog eens grondig gekeken moeten worden naar de tweerijkenleer. David VanDrunen heeft daar enkele jaren geleden al een goede aanzet toe gegeven met zijn studie  Natural Law and the Two Kingdoms. A Study in the Development of Reformed Social Thought (Grand Rapids 2009), en ook De Vries lijkt in deze richting te denken.  Beiden laten zien dat de tweerijkenleer niet exclusief bij Luther thuishoort maar ook bij Calvijn resoneerde, zij het naast en in zekere zin onverbonden met diens meer theocratische gedachtengangen (315). Vormden die laatsten cultuurhistorisch gezien een relict uit de Middeleeuwen, met hun nauwe samenwerking tussen paus en keizer?  In elk geval weet Calvijn bij tijden ook van het principiële verschil tussen een wereldlijke regering, die de mens diens burgerlijke plichten bijbrengt, en een geestelijke die hem onderwijst tot dienst aan God. In het geestelijke Rijk vormt het Evangelie de grondwet en komt het er voor ieder op aan om al Gods geboden te houden.  De norm voor het wereldlijke rijk daarentegen, zo laat VanDrunen zien, zocht men traditioneel (en de gereformeerde Reformatie nam ook dat over) in de natuurwet, dat wil zeggen in het besef van goed en kwaad dat ieder mens is aangeboren (vgl. Rom. 2:14v.). Volgens de daarmee overeenkomende normen van gerechtigheid, onpartijdigheid en naastenliefde dient de samenleving geregeerd te worden.

Staat en koninkrijk

Staat het kerkelijke leven in dienst van Gods verlossingswerk in Christus, het politiek-maatschappelijke leven is geworteld in Gods scheppende en onderhoudende werk (vgl. De Vries, 315 n.150). Niet de staat is in deze optiek dus de voorloper van het Koninkrijk, zoals bij Van Ruler, maar de kerk. In dat opzicht staat de tweerijkenleer dicht bij de doperse visie met haar sterke nadruk op het verschil tussen kerk en staat. Ze wijkt daar echter ook weer in belangrijke opzichten van af. Omdat in de staat andere wetten gelden dan in de kerk en deze ook niet getransformeerd hoeft te worden tot het Koninkrijk Gods, kan een christen bijvoorbeeld wel degelijk in het leger dienen.  En het dragen van regeringsverantwoordelijkheid mag voor christenen dan bepaald niet alles zijn (Gods Koninkrijk is immers niet van deze wereld), het is ook weer niet niets, want het staat in dienst van het streven naar publieke gerechtigheid. Langs dit soort lijnen zou De Vries de door hem bepleite ‘derde weg’ tussen theocratie en wereldmijding wellicht nog eens wat nader kunnen uitwerken. Voorlopig mogen we hem echter zeer erkentelijk zijn voor zijn gedegen en zeer informatieve studie naar de blijvend intrigerende visie van Van Ruler op de verhouding van religie en politiek.   

 

Dr. Gijsbert van den Brink is hoogleraar theologie.