Moord in de kathedraal

Moord in de Kathedraal

Middeleeuwse bijdragen aan de rechtsstaat (deel 2)

 

Door Richard Steenvoorde

 

 

 

Snelgroeiende steden. Toenemende spanning over de rol van religieuze leiders in het publieke domein. Stress. Groeiend geweld van heersers tegen hun onderdanen. Terrorisme. Instortende politieke systemen. Ogenschijnlijk willekeurige belastingheffingen. Dit zou de beschrijving van onze samenleving kunnen zijn, maar ze past evengoed op de situatie in West-Europa aan het begin van de 12e eeuw.

 

De samenleving groeide onstuimig. De steden begonnen zich te ontwikkelen. Vorsten zagen zich voor de vraag geplaatst hoe enorme gebieden onder controle te houden. Zo bestuurde de Engelse koning Henry II (1133-1189) een rijk dat niet alleen Engeland besloeg maar ook grote delen van Frankrijk. Tijdens zijn regeerperiode (1154-1189) werd een belangrijk hoofdstuk geschreven in de voorgeschiedenis van de moderne rechtsstaat.

In dit tweede artikel over middeleeuwse bijdragen aan de democratische rechtsstaat komt het conflict tussen koning Henry II van Engeland en Aartsbisschop Thomas Becket (1118-1170) aan de orde. De titel van dit artikel verwijst naar een toneelstuk dat T.S. Eliot in 1935 schreef over dit onderwerp.[1] In de aanloop naar het conflict besteden we aandacht aan de rol en het werk van Johannes van Salisbury (ca. 1120-1180), naaste medewerker van Becket en schrijver van het boek Policraticus. Dit boek is bekend geworden als een van de eerste pogingen tot het opstellen van een christelijke politieke filosofie. Het boek is berucht geworden omdat het de vraag stelt of een onrechtvaardige heerser, een tiran, door zijn onderdanen vermoord mag worden.

 

Openingstoneel: burgeroorlog (1135-1154)

Tussen 1135 en 1154 ging Engeland gebukt onder een burgeroorlog. Die ontstond toen de vrouw van koning Henry I, Mathilda, na zijn overlijden in 1135 in opstand kwam tegen de kroning van Stefanus van Engeland. Deze periode, ook wel ‘De 19-jarige winter’ genoemd, kwam ten einde met het sluiten van het verdrag van Wallingford in 1153. Hierin werd geregeld dat Henry II, zoon van Mathilda, Stefanus zou opvolgen na diens overlijden (wat een jaar later gebeurde). Tijdens de burgeroorlog hadden lokale baronnen het land, bij gebrek aan centraal toezicht, geterroriseerd. Het was nu aan koning Henry II om weer orde op zaken te gaan stellen.

            Tijdens de burgeroorlog had de Engelse kerk, mede onder invloed van kerkhervormers zoals Bernardus van Clairvaux, zich onafhankelijker opgesteld tegenover de strijdende wereldse machten. Zo was koning Stefanus door de lokale kerkleiders tegengewerkt, tot in Rome aan toe, toen hij probeerde om zijn broer aartsbisschop van York te laten worden. Ook de aartsbisschop van Canterbury had het vele malen met de vorst aan de stok over de vrijheid van de kerk en de plunderende baronnen op het platteland. De aartsbisschop had zelfs twee keer het land in ballingschap moeten verlaten.

 

Thomas Becket

 

Het einde van de burgeroorlog bood nieuwe kansen. Bijvoorbeeld voor Thomas Becket, zoon van een invloedrijke Londense handelaar. Becket kon, ondanks dat hij niet van adel was, een bliksemcarrière maken aan het Engelse hof en daarna in de kerk. Becket groeide op in een snelgroeiende stad (25.000 inwoners). Het was een omgeving van zien en gezien worden, van geld verdienen en theater, van goed eten en drinken. Hij was een straatvechter én een geleerde. Die mentaliteit maakte hem uitermate geschikt als mentor voor de jonge, onrustige koning Henry II.

Koning Henry hield niet van formaliteiten en van de pracht en praal van het hofleven. Vaak stelde hij onmogelijke eisen om vervolgens te genieten van het feit dat zijn hofhouding compleet ontregeld werd door het opvolgen van tegenstrijdige opdrachten kort na elkaar. Becket functioneerde als oliemannetje voor de koning. Hij werd daarbij al snel verblind door het aanzien van de functie. Ondanks zijn niet-adellijke afkomst mat hij zich al snel een houding aan van een bijna-gelijke van de vorst. Deze beweging werd nog eens versterkt door de aanstelling van Becket tot Lord Chancellor, waardoor hij zich met alle politieke besluiten van de vorst kon bemoeien.

 

Koning vs. aartsbisschop

In die tijd speelde er een hoogoplopend conflict tussen de koning en de aartsbisschop van Canterbury, Theobaldus van Bec (bisschop van 1138-1161). Het conflict ging over drie zaken. De koning meende dat de bisschoppen niet de macht hadden om edelen en andere onderdanen te excommuniceren voor wangedrag zonder dat hij geraadpleegd werd. Ten tweede vond Henry II dat clerici niet door de eigen rechtbanken van de kerk berecht moesten worden, maar door de rechtbanken van het land, zonder in hoger beroep te kunnen tegen die uitspraak bij de paus. [2] Van kerkelijke kant werd er nog een probleem aan toegevoegd. De aartsbisschop protesteerde tegen de vele plunderingen die plaatsvonden. Zo kwam het regelmatig voor dat het kerkelijk bezit (pachtgronden etc.) dat onder zijn verantwoordelijkheid viel door lokale baronnen of soldaten van de koning geplunderd werd, en de mensen uit hun huizen verdreven.[3]

De aartsbisschop had zich zijn leven lang verzet tegen opvattingen dat de kerk zijn plaats moest kennen binnen ‘het recht en de gebruiken van het koninkrijk’. Na zijn overlijden in 1161 hoopte koning Henry II alsnog zijn zin te krijgen door zijn vertrouweling tot nieuwe aartsbisschop aan te stellen. Thomas Becket voorvoelt dat dit niet goed kan gaan. Als hij de geruchten hoort over de op handen zijnde benoeming zegt hij tot een goede vriend:  “Ik ken de koning te goed, binnenstebuiten, en realiseer me dat ik ofwel zijn gunst zal gaan verliezen of, God verhoede het, mijn dienst aan de Almachtige zal verzaken.”[4]

 

Johannes van Salisbury: revolutionair auteur

Babbelziek. Zo omschreef de atheïstische filosoof Bertrand Russell ooit Johannes van Salisbury (ca. 1120-1180).[5] Johannes nam inderdaad geen blad voor de mond en sprak met de grote der aarde van zijn tijd. Een hele andere waardering gaf onlangs paus Benedictus XVI die Johannes van Salisbury omschreef als een belangrijke filosoof en theoloog wiens denken over recht en macht nog steeds relevant is voor onze tijd.[6] Misschien hebben beiden wel gelijk.

            Johannes wordt rond 1120 in Old Sarum, vlak bij het huidige Salisbury, in Engeland geboren. Tussen 1136 en 1148 studeert hij zowel in Parijs als Chartres bij de meest toonaangevende professoren van zijn tijd.[7] Maar in plaats van een goede baan aan de universiteit, kiest hij voor een carrière als diplomaat. Op voorspraak van Bernardus van Clairvaux wordt hij secretaris van de aartsbisschop van Canterbury, eerst Theobaldus en daarna Becket.

            Johannes van Salisbury maakt de strijd tussen de vorst en de achtereenvolgende aartsbisschoppen van dichtbij mee. Regelmatig verkeert hij als diplomaat in Rome om te onderhandelen met zijn goede vriend, en nu paus, Adrianus (1154-1159). Ook verkeert hij regelmatig in ballingschap. Tijdens een van zijn ballingschappen schreef hij het boek Policraticus (1159) dat hij opdraagt aan Becket (toen nog in dienst van de koning). Beckets mogelijke benoeming in Canterbury hing al in de lucht, aartsbisschop Theobald was langdurig ziek, en het lijkt erop dat Van Salisbury zijn werk opdroeg aan Becket om alvast in een goed blaadje te komen, en daarmee naar Engeland te kunnen terugkeren.[8] Iets wat hem ook zou lukken en hem wederom in het centrum van de strijd tussen koning en kerk bracht.

 

Policraticus: tussen ideaal…

Policraticus is een bijzonder document. Het bevat aan de ene kant een felle kritiek op de wetteloosheid en losbandigheid van de Engelse baronnen en aan de andere kant schetst het een ideaalbeeld van de goede vorst en zijn relaties met zijn onderdanen. In zijn kritiek op het hof wint Van Salisbury er geen doekjes om (misschien dat dit de reden is dat Russell hem ‘babbelziek’ noemde). Al zijn kritiek is gebaseerd op zijn eigen waarnemingen en historische feiten. Het boek beschrijft geen abstracte politieke problemen, maar gaat over de wetteloze toestand in Engeland. Daarmee breekt de schrijver met de meer Platoonse benadering van speculaties over abstracte idealen.[9] Dat het boek zo concreet de actualiteit bespreekt, valt niet direct op. Bisson wijst erop dat Van Salisbury vaak historische namen gebruikt (Cicero of Ambrosius van Milaan) terwijl hij eigenlijk de concrete problemen van zijn eigen tijd beschrijft.[10]

            Policraticus spreekt over een ideale samenleving die gekenmerkt wordt door een universeel en publiek welzijn. Dit welzijn kent zowel theologische en morele als juridische grondslagen.[11] Wanneer is er sprake van een universeel welzijn? Volgens Policraticus is dat als Gods Geest van waarheid en goedheid in de ziel van eenieder huist. Hierdoor wordt kennis door rede en genade overgebracht waardoor de liefde voor eer en deugden toenemen.[12]

            Het werk spreekt nog niet in termen van overheid en politieke gemeenschap, maar gaat uit van een meer organisch, harmonisch wereldbeeld.[13] Vanuit dat harmonisch denken waarin de vorst samen met de priesters macht heeft om het goede te bewerkstelligen, krijgt Johannes steeds meer oog voor wat er mis gaat. Hij ziet de toenemende wetteloosheid in Engeland, de plunderende baronnen en hun onverschilligheid tegenover de armen. Hij vraagt zich af waarom edelen zich als tirannen gedragen?

 

… en protest tegen tirannen

De term ‘tiran’ is hier niet symbolisch bedoeld. Johannes vroeg zich diepgaand af waarom iemand het volk waarover hij door God was aangesteld zou willen onderdrukken? Het enige antwoord kon volgens hem worden gevonden in het feit dat de onderdrukker geen oog meer heeft voor zijn goddelijke opdracht, maar streeft naar absolute macht. Tirannen willen niet regeren, maar domineren, met alle ellende voor het gewone volk van dien.[14]

            Het volk dat onderdrukt wordt zal zich niet langer in vrijheid aan de wet (kunnen) houden, maar zal proberen zich onder dwang te conformeren aan de luimen van de tiran en hem te vleien waar mogelijk. Daarmee is de tiran volgens Van Salisbury schuldig aan ‘hoogverraad’. Hij keert zich namelijk tegen de publieke macht om het goede te doen welke hij van God verkreeg, tegen de wetten van het land en tegen de gerechtigheid. Omwille van dit hoogverraad, komt Van Salisbury met een voor die tijd opmerkelijke conclusie dat “het aan hen die vleien ook is toegestaan om neer te slaan” en dat dit neerslaan van de tiran proportioneel en rechtvaardig kan zijn. Vervolgens geeft hij nog een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet worden. Zo is het niet iedereen toegestaan om zich tegen een tiran te keren. Het moet gaan om een laatste middel. Degene die handelt moet vrij zijn van eden en geloften (omdat hij als minister Dei optreed tegen het hoogverraad), hij mag geen oneervol gedrag vertonen en geen vergif gebruiken.[15]

            Policraticus behandelt nog veel meer onderwerpen. Toch zou het boek met name bekend worden omdat het voor het eerst sprak over de tirannenmoord (Tiranicide) binnen een context van het christelijk denken. Dit onderwerp (inclusief de daarbij behorende dilemma’s) zou tijdens de daaropvolgende eeuwen regelmatig terugkomen – denk bijvoorbeeld aan Thomas en Calvijn. Ik kom daar zo op terug.

           

Moord in de Kathedraal

In de jaren na het schrijven van Policraticus is Johannes van Salisbury veelvuldig te vinden in het directe gezelschap van de nieuwe aartsbisschop van Canterbury, Thomas Becket. De door Becket verwachtte problemen met de koning laten niet lang op zich wachten. Al snel komt hij in conflict met de koning over voorgestelde nieuwe belastingen, en het idee dat strafzaken die door de kerkelijke rechtbank waren afgedaan nogmaals door een Koninklijke rechtbank behandeld zouden moeten worden. In 1164 probeert de koning de gehele Engelse kerk weer onder zijn jurisdictie te krijgen. Becket houdt vast aan het canoniek recht. Daarop wordt hij van verraad beschuldigd. Voordat het tot een veroordeling kan komen vlucht Becket naar Frankrijk. In Pointigny zet hij een schaduwbestuur op.

            Twee jaar later zet hij het conflict verder op scherp door een aantal Engelse baronnen openlijk te excommuniceren. De paus en de Franse koning doen een bemiddelingspoging maar die mislukt. In de afwezigheid van Becket probeert koning Henry II de Engelse bisschoppen een voor een voor zich te winnen. De situatie verslechtert zodanig dat de paus voornemens is om heel Engeland te excommuniceren, tenzij de vorst zich met Becket verzoent. In juni 1170 lijkt een verzoening tot stand te komen als de twee voormalige boezemvrienden elkaar voor het laatst ontmoeten. Niet alle spanningen worden opgelost, maar Becket kan terug naar Engeland.

            De intocht van Becket werd voorbereid door Johannes van Salisbury. Begin december komt Becket in Canterbury aan. De laatste paar kilometers loopt hij op blote voeten onder grote publieke belangstelling, en begeleid door gezang, naar de kathedraal. De vrede duurt niet lang. Becket ontdekt dat een aantal vooraanstaande Engelse geestelijken, onder andere de aartsbisschop van York, hebben meegewerkt aan de, in zijn ogen, illegale kroning van de zoon van Henry tot troonopvolger. Als hij de koning daarop wil aanspreken, weigert deze hem te woord te staan. Becket kookt van woede en op Eerste kerstdag excommuniceert Thomas de afvallige bisschoppen en wenst hen naar de hel.

Zodra de koning hoort van deze actie schreeuwt hij het in pure frustratie uit. Vier Engelse edelen grijpen de uitbarsting aan om de koning voor eens en voor altijd van het probleem af te helpen. Drie dagen later komen ze aan in Canterbury waar ze zich moed indrinken. Vergezeld van een klein legertje vallen ze vervolgens het aartsbisschoppelijk paleis binnen.

Becket is niet direct onder de indruk. Hij laat de heren eerst wachten en gaat vervolgens in discussie. Na een paar uur besluit hij dat hij naar de vespers in de kathedraal moet. Zijn omstanders zien dit als een kans om te kunnen ontsnappen, maar Becket weigert. Hij verordineert zelfs het openen van de deuren van de kathedraal. Als hij zou sterven, dan in het openbaar.

Hadden de vier hem tijdens de discussie nog met open vizier tegemoet getreden, nu komen ze zwaar bewapend met bijlen en zwaarden de kerk binnen. In het schemerduister van die decembermiddag wacht hij de vier op. “Waar is de verrader?” schreeuwen ze. “Hier ben ik”; zegt Becket, “niet een verrader maar een priester van God. Wat willen jullie?”.[16]

De meeste van Beckets getrouwen vluchten nu weg het priesterkoor in of in de duistere hoeken van de kerk. Na een korte woordenwisseling die volgt met een belediging door Becket van één van zijn belagers hakken de vier op hem in. Daarna maken de moordenaars zich uit de voeten en schreeuwen tegen de omstanders dat ze het lichaam snel moeten begraven. Onderweg naar hun wijkplaats in Yorkshire plunderen de vier de bezittingen van de aartsbisschop.[17]

Johannes van Salisbury is die dag aanwezig en heeft alles zien gebeuren. Of hij zo dicht in de buurt was dat de bloedspatten van de martelaar hem raakten, valt te betwijfelen.[18]

 

Invloed op Thomas, Luther en Calvijn

Nauwelijks is het lichaam van Becket begraven of de eerste verhalen over wonderen doen de ronde. De koning besefte al snel dat de moord op Becket, hoewel niet zijn expliciete opdracht, toch het gevolg was van zijn eigen woorden. Twee jaar later maakt hij de pelgrimstocht naar Canterbury om boete te doen. De laatste kilometers legt hij blootsvoets af, net zoals Thomas een paar jaar eerder, om een nacht lang voor het graf boete te doen in het zicht van de talrijke pelgrims die langs het graf trekken. Helemaal tevergeefs lijkt deze actie niet. Als hij de volgende dag opstaat, hoort de koning dat zijn belangrijke tegenstander op dat moment, de koning van Schotland, gevangen is genomen.

            Maar de impact van de moord op Becket reikte verder dan Engeland. Het ging hier niet alleen maar om een strijd tussen kerk en staat, tussen koning en bisschop. Er was meer aan de hand. Van nu af aan werd hardop gesproken over het misbruik van macht door vorsten, over tirannie, onderdrukking en het recht van de onderdrukten om in opstand te komen. Het boek van Johannes van Salisbury komt in een nieuw licht te staan.

Een eeuw later nam Thomas van Aquino het idee van de tiranicide over en verdedigde het. We treffen het idee ook aan bij Johannes Calvijn die meende dat lagere beambten een besluit tot tiranicide zouden kunnen nemen op grond van ongeveer dezelfde criteria van de rechtvaardigde oorlog. Het probleem werd bijvoorbeeld urgent tijdens het afzetten en de ter dood veroordeling van koning Charles I van Engeland in 1649 toen de calvinistische tak van de Church of England in opstand kwam tegen de koning. Ook bij Maarten Luther, John Knox en de Hugenoten komen we ideeën over tiranicide tegen.

            Tiranicide roept niet alleen vragen op naar de legitimiteit van de machtsuitoefening door het politiek gezag, maar ook naar de legitimiteit van degene die in opstand komt tegen deze macht. De vraag is of met de toenemende democratische vertegenwoordiging in het politieke bestel er niet andere middelen zijn om van een tiranniek bestuur af te komen. Maar toch. Ook Hitler kwam op constitutionele wijze aan de macht en de theoloog en martelaar Dietrich Bonhoeffer meende dat je als christen daar tegen in verzet kon en moest komen en dat tiranicide daarbij een legitieme optie is.[19]

 

Conclusie

Wie vandaag de dag de kathedraal van Canterbury bezoekt, kan niet om het verhaal van Becket heen. Hoewel zijn graf tijdens de reformatie verloren ging (koning Henry VIII zat niet te wachten op een plaats waar een man die tegen de koning in opstand kwam werd vereerd), blijft het verhaal mensen naar Canterbury trekken. Op de plaats van de moord staat een herinneringsaltaar. Op de plaats van de middeleeuwse schrijn brandt nu een eenvoudige kaars die de herinnering aan Becket levend houdt. En saint Thomas Becket wordt ieder jaar op de dag van zijn martelaarschap (29 december) herdacht in zowel de Anglicaanse als de Rooms-katholieke heiligenkalender.

Ergens lijken deze gebeurtenissen een afspiegeling van gebeurtenissen uit het Oude Testament, bijvoorbeeld de conflicten tussen de koningen en de profeten. Ook het denken over de plaats van de vorst, niet alleen als hoeder van de wet, maar ook gebonden aan de wet (vgl. Deut. 17, 14-20), is in Policraticus te herkennen.

Tegelijkertijd is Policraticus schatplichtig aan het Canoniek Recht, het Romeins Recht en de Griekse filosofie. Die laatstgenoemde bron zou in de daarop komende eeuw een prominente rol gaan krijgen door de herontdekking van de politieke werken van de Griekse filosoof Aristoteles. Kerkleraar Thomas van Aquino (1215-1274), bijgenaamd ‘De domme os’, slaagde er als eerste in om de Aristotelische, op zintuiglijke waarneming gebaseerde traditie, op een consistente wijze te integreren binnen een samenhangende christelijke filosofie en theologie. In de volgende aflevering bestuderen we de betekenis van het denken van Thomas van Aquino over recht en bestuur.

 

 

Mr. Dr. Richard A.J. Steenvoorde is Jurist voor de RK-kerkprovincie en Visiting Fellow Blackfriars Hall, Universiteit van Oxford.

 

SAMENVATTING:  

- De moord op Thomas Becket (1170) bracht doorbraak in het politieke denken

- Zijn assistent, Johannes van Salisbury, schreef over de opstand tegen tirannen

- Ideeën werden overgenomen door o.a. Luther, Calvijn en Bonhoeffer

 

 

 

KADER 2:

Dit is aflevering 2 in een serie over middeleeuwse bijdragen aan onze rechtsstaat.  De serie beoogt aan te tonen dat de middeleeuwen een belangrijke periode is geweest voor het huidige politieke denken en voor onze democratische rechtsstaat. Veelal wordt de middeleeuwse bijdrage ontkend of genegeerd. In deze serie probeert Richard Steenvoorde deze vergeten geschiedenis voor een breder publiek te ontsluiten.

 



[1] Eliot baseerde zich op het ooggetuige verslag van Edward Grim in zijn Vita S. Thomae (ca. 1180).

[2] S. Schama, A History of Britain, Volume 1: At the edge of the world? BBC (2002), p. 130.

[3] T.N. Bisson, The crisis of the twelfth century: Power, Lordship and the origins of European Government, Princeton University Press (2009), p. 81.

[4] Schama (2002), p. 130.

[5] B. Russell, Geschiedenis van de Westerse Filosofie, Utrecht: Kosmos 2006 (23ste druk), p. 470.

[6] Paus Benedictus XVI, Algemene audiëntie, 16 december 2009, geraadpleegd op www.vatican.va.

[7] Zie voor een uitgebreide beschrijving: C. Schaarschmidt, Johannes Saresberiensis. Nach leben und studien, schriften und philosophie, Leipzig: B.G. Teubner (1862).

[8] Schaarschmidt (1862), p. 144.

[9] J. Pieper, Scholasticism. Personalities and problems of medieval philosophy, St. Augustines press, 2nd revised edition (2001), p. 91,

[10] Bisson (2009), p. 11.

[11] O. O’Donovan and J. Lockwood O’Donovan (eds.) From Irenaeus to grotius. A sourcebook in Christian Political Thought, Grand Rapids: W. B. Eerdmans Publishing Company (1999), p. 277.

[12] O’Donovan (1999), p. 278.

[13] Bisson (2009), p. 489.

[14] Bisson (2009), p. 281-282.

[15] O’Donovan (1999), p. 279.

[16] Schama (2002), pp. 141-143.

[17] Bisson (2009), p. 484.

[18] Schaarsschmidt (1862), p. 56.

[19] Zie voor bespreking: D. Atkinson en D. Field (eds.), New Dictionary of Christian Ethics and Pastoral Theology, IVP (1995), pp. 868-869.