Het neoconservatieve moment

Het neoconservatieve moment

 

De opkomst van rechts-populisme in Nederland en het uiteengroeien van cultureel conservatisme en politiek neoconservatisme

 

Door Maarten Vogelaar

 

 

Media zijn links, evenals de politie, de wetenschap en de rechterlijke macht; op het pluche zat een zelfverrijkende elite die met linkse hobby’s ons land naar de knoppen heeft laten gaan; hoewel overal in ons land de teloorgang van onze cultuur zichtbaar was, bleven de linkse dromers doof voor de kritiek van de gewone Nederlander. Dit soort ideeën zijn nu gemeengoed, maar bestaan nog maar kort. Op welke manier heeft deze cultuuromslag zich voltrokken? 

 

Één ding is helder: Nederland is veranderd. Het culturele klimaat waarin we leven en spreken is anders dan tien jaar geleden. Het publieke debat van de eenentwintigste eeuw lijkt niet meer los te komen van vragen over integratie en nationaliteit, over wat onze culturele identiteit zou moeten inhouden. Om tot een bevredigende verklaring te komen, zou onderzocht kunnen worden op welke wijze grote sociale processen als globalisering, europeanisering en individualisering invloed op ons menselijk gedrag uitoefenen. In dit artikel zal ik echter een alternatieve verklaring aandragen, namelijk de invloed van het neoconservatieve gedachtegoed. Mijns inziens hebben neoconservatieve ideeën een centrale rol gespeeld bij de verrechtsing van het publieke en politieke debat.[1]

 

Allereerst ga ik in op de rechts-populististische partijfamilie, waarbij ik aanteken dat het succes van de PVV een andere verklaring vraagt. Ik lanceer de stelling dat de verrechtsing een late reactie is op de progressieve dominantie vanaf de culturele revolutie eind jaren zestig. Deze intellectuele tegenbeweging heeft zich laten inspireren door het succes van de neoconservatieven in Amerika en heeft een verandering in het publieke discours weten te bewerkstelligen. De ideeën bieden heldere antwoorden en oplossingen voor de culturele verwarring die er in ons land is ontstaan. Geert Wilders weet met zijn partij handig en succesvol gebruik te maken van dit neoconservatieve gedachtegoed, terwijl conservatieve denkers met deze uitkomst minder goed raad weten.

 

Extreem-rechts?

Overal in West-Europa bestaan partijen of politici die we aanduiden met rechts-radicaal of anti-immigratie. Denk aan de FPÖ (Oostenrijk) of het Vlaams Belang (België). Bij onderlinge vergelijking blijkt het een bonte verzameling aan partijen, maar op de één of andere manier voelen we aan dat ze ideeën met elkaar delen. Vanouds werden zulke ideeën aangeduid als extreem-rechts, op basis van onderzoek naar het fascisme uit de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw. Het werd gekarakteriseerd door een anti-democratisch karakter, antisemitisme, racisme, nationalisme en de verheerlijking van geweld. Natuurlijk waren deze ideeën lastig vast te stellen, omdat het uiten ervan in Nederland strafbaar is. In de jaren tachtig is CPN-voorman Janmaat zelfs nog veroordeeld voor discriminatie, omdat hij stelde dat Nederland vol was. Maar toen Pim Fortuyn in ons land op de ‘puinhopen van Paars’ furore maakte, was de verwarring groot. Deze politicus paste niet in het klassieke schema en wist allerlei gevoelige punten in de samenleving bloot te leggen. De nieuwe partijen die vanaf de jaren negentig overal in Europa ontstonden, kwamen niet echt overeen met de klassieke kenmerken van fascisme. Er waren nieuwe concepten nodig om deze nieuwe partijen objectief te kunnen omschrijven.

 

Drie kenmerken rechts-populisme

Eigenlijk is er pas sinds kort enige wetenschappelijke consensus over een adequate omschrijving van deze rechts-populistische partijfamilie. Grofweg gesproken kan de basisideologie worden opgevat als een combinatie van nativisme, autoritarisme en populisme.[2] Nativisme omvat een strikte omschrijving van wat wel en niet tot de homogene groep behoort; een combinatie van nationalisme en xenofobie. Het tweede begrip, autoritarisme, duidt op het geloof in een helder geordende samenleving, waarin de staat law and order garandeert. De derde poot van rechts is de ideologie van het populisme. Juist omdat politieke elites de wensen van de gewone Nederlander hebben genegeerd, is er voor rechts-populisten niets heiliger dan de ‘algemene wil van het volk’. Politicologisch onderzoek naar het rechts-populisme (zoals ik deze partijen in het vervolg zal noemen), toont aan dat er al in de jaren negentig een stabiel percentage van het electoraat bestond dat deze opvattingen huldigde, maar niet in de gelegenheid was om deze voorkeur in politieke zin duidelijk te maken.

 

Afwijkende Nederlandse situatie

Zowel de partij van Pim Fortuyn als van Geert Wilders zijn niet goed inpasbaar in de rechts-populistische partijfamilie, aangezien zij in eerste instantie vooral ageerden tegen de cultuurrelativistische mentaliteit van de progressieve politiek op basis van typisch liberale waarden. Beide politici laten zich in eerste instantie het beste omschrijven als conservatief-liberaal. Zij hekelden de PvdA, de ‘D66-rechters’ en de ‘multiculti-clubs’ en stelden dat het vanaf de jaren zestig was fout gegaan en trachtten daarbij elke mogelijke associatie met extreem-rechts te vermijden.

 

Het conservatieve moment

Mijn stelling luidt dat de opmerkelijke weerzin tegen ‘links’ verklaard dient te worden als een late reactie op de culturele revolutie van de jaren zestig die met de kabinetten Paars haar politieke hoogtepunt bereikte. Intellectuelen van allerlei snit organiseerden zich in 2000 om het tij te keren en een conservatieve tegenbeweging in gang te zetten. Hoewel hun achtergrond verschillend was – liberaal of juist moreel conservatief – deelden zij hun verzet tegen de progressieve dominantie in ons land. Aan deze “coalitie van denkrichtingen” zijn namen verbonden als Frits Bolkestein, Bart-Jan Spruyt, Paul Cliteur en Andreas Kinneging.[3]

“Het conservatieve moment is gekomen”, zo kondigde Joshua Livestro in maart 2001 aan. “Er heeft zich in de afgelopen vijfentwintig jaar een ware revolutie voltrokken in het conservatieve denken in de Westerse wereld. Daar moeten conservatieven in Nederland nu de vruchten van proberen te plukken”.[4] Deze historische woorden schreef Livestro, één van de initiatiefnemers van het Nederlandse platform voor conservatisme - de Edmund Burke Stichting (EBS) - prikkelend in het NRC Handelsblad. De EBS - drijvende kracht en spil achter het verzet - heeft zich in haar beginjaren nooit duidelijk uitgesproken over de te volgen koers. Het was de intentie om via de geleidelijke weg bestaande partijen en instituties te beïnvloeden, maar men worstelde hoe men de macht van de progressieve cultuur in ons land überhaupt zou kunnen doorbreken. Om het als oubollig bekendstaande conservatisme daadwerkelijk salonfähig te maken in het publieke debat, waren er heldere antwoorden en vooral concrete politieke stappen nodig.

 

Nederland: van conservatieve cultuur…

Het is opmerkelijk dat het intellectuele verzet tegen de culturele revolutie van de jaren zestig pas in een nieuw millennium op gang is gekomen. Dit heeft alles te maken met de Nederlandse politieke geschiedenis, waarin niet de sociale maar de culturele kwestie ons land in tweeën deelde. Doordat de confessionele emancipatie aan de arbeidersbeweging voorafging, groeiden de liberalen met de socialisten uit tot progressieven en de confessionelen tot antimoderne conservatieven (antirevolutionairen). Tot ver in de twintigste eeuw bleef het politieke spectrum verdeeld tussen aan de ene kant zij die vertrouwen hadden in de oordeelskracht van rationele individuen en de maakbaarheid van maatschappelijke verhoudingen (links) en aan de andere kant de antirevolutionairen en katholieken met hun antiliberale beginselpolitiek (rechts). De tweede, sociaal-economische scheidslijn tussen links (progressief) en rechts (kleine overheid) heeft in de Nederlandse politieke geschiedenis een kleinere rol gespeeld.

De socioloog Van Doorn concludeert in dit verband dat alle partijen door de harde confessionele scheidslijnen gericht waren op consensus en geleidelijke ontwikkeling van ons land. Eigenlijk kenden alle stromingen in de hele Nederlandse politiek een “zekere christelijke signatuur”, waardoor het organische samenlevingsmodel van Kuyper zo breed gedragen werd.[5] Juist in de aanwezigheid van een conservatieve cultuur betekende de progressieve omslag eind jaren zestig zo’n enorme breuk in de politieke werkelijkheid. De jaren zestig leek geen serieuze tegenbeweging op gang te hebben gebracht, omdat de intellectuele elite zelf het voortouw had genomen in deze omwenteling en een enkele conservatieve stem gemakkelijk als reactionair en irrelevant terzijde kon worden geschoven.

 

… naar progressieve dominantie

De tweede helft van de twintigste eeuw is, met de ontzuiling en de naoorlogse politieke pogingen om de macht van de confessionelen te breken, te typeren als “de wederkeer van progressieve dominantie en dynamiek”.[6] Het is de periode van uitbouw van de verzorgingsstaat, de Europese eenwording, en een versnelling van processen als secularisering en individualisering. De nieuwe culturele koers betekende een tanende invloed op het publieke domein van machtige maatschappelijke instituties als de kerk, religieuze organisaties, de school en de moraal. De progressieve meerderheidscultuur bereikte haar hoogtepunt ten tijde van de kabinetten Kok, toen een samenwerking tussen liberalen en sociaaldemocraten mogelijk bleek.

De verrechtsing van het politieke debat vandaag de dag moet tegen de achtergrond van een alledaags waardenrelativisme en een verabsolutering van de individuele keuzevrijheid worden geplaatst Er ontstond een opmerkelijke coalitie van cultuurcritici die zich keerden tegen het progressieve klimaat in ons land; ook wel aangeduid in termen van ‘linkse elite’, ‘linkse kerk’ of ‘multiculturalisten’. In een tijd van culturele verwarring als gevolg van terreuraanslagen en de opkomst en dood van Fortuyn en Van Gogh, bleek er behoefte aan nieuw moreel idioom. Die vond men in het neoconservatisme.

 

KADER: vier kenmerken neoconservatisme

Ik noem vier kenmerken van de neoconservatieve traditie.

1. Een positieve waardering van de Verlichting, de Franse Revolutie en de daaruit voortgekomen vruchten van rationaliteit en een optimistisch maakbaarheids- en vooruitgangsgeloof.[7]

2. Morele helderheid en een modelmatig wereldbeeld met een uitgesproken feindmarkierung. Dit wil zeggen dat een moreel verwerpelijke vijand die met zijn cultuur of ideologie de Westerse wijze van leven bedreigt, zonder mededogen en met alle middelen bestreden dient te worden.

3. Een statische, monolithische opvatting van cultuur en traditie, en niet (zoals in het Burkiaans conservatisme) cultuur als iets dat interactief is en voortdurend in beweging. Volgens de neocons moet de staat een eenheidsscheppende consensus of collectieve identiteit aan de samenleving bieden, wil zij niet ten ondergaan aan de moderniteit. Daarom benadrukt men de noodzaak én mogelijkheid van revitalisering van de samenleving door middel van vormende instituties, zoals een christelijke moraal, goede scholing en democratische systemen.

4. Er is een orde der dingen waar universele deugden uit af te leiden zijn. Onze liberaal-democratische waarden beantwoorden daar aan, en daarom is het wenselijk ook aan anderen deze waarden (desnoods met geweld) te schenken.

 

 

 

 

Opkomst Nederlandse neoconservatisme

Het is moeilijk om precies vast te stellen wie er tot deze coalitie van cultuurcritici behoorden, maar het is een feit dat ze in de Nederlandse media al spoedig werden aangeduid als ‘neoconservatieven’. Het neoconservatieve gedachtegoed droeg men ook nadrukkelijk zelf aan als inspiratiebron. Vanaf 2003 gingen deze intellectuelen en journalisten ‘politieker opereren’, en vereenzelvigden ze zichzelf nadrukkelijker met de neoconservatieve beweging. Zo publiceerden de EBS-medewerkers Spruyt en Visser een Conservatief Manifest in het dagblad Trouw.[8] Dit kwam hen op kritiek van andere conservatieven te staan, die dit denken niet meer aan het conservatisme konden relateren.[9] De zelfbenoemde neoconservatieven verdedigden zich in de media. Zo schreef de Nederlandse Trouw-journalist Jaffe Vink “De neoconservatieven zijn de revolutionairen van deze tijd”, terwijl Spruyt een ‘hoera’ over de neoconservatieve revolutie liet horen.[10]

 

Amerikaanse wortels van het neoconservatisme

De neoconservatieve beweging heeft haar wortels in een groep extreem-linkse studenten, die hun Joods-Russische afkomst intellectueel vorm probeerden te geven in Amerika. In een tijd van wereldwijde politieke en economische crisis gebruikten zij de ideeën van Trotski en Stalin in hun strijd tegen onderdrukking en fascisme.

 

a. Ontstaan vanuit linkse hoek

Hun revolutionaire ideeën richten zich aanvankelijk tegen het liberale, kapitalistische Amerika, maar als in de jaren zestig de studentenprotesten plaatsvinden, staan zij vooraan om de progressieve sociale agenda op binnenlands en buitenlands beleid stevig te bekritiseren. Diverse leden van deze beweging richten hun peilen op het publieke debat, met behulp van nieuw opgerichte tijdschriften en denktanks, en verspreiden hun ideeën binnen de academische wereld. In de jaren zestig en zeventig ontstaan er nieuwe fronten in de Amerikaanse samenleving, als gevolg van de burgerrechtenbeweging, de Vietnam-oorlog en de heropleving van grootschalige social engineering. De conservatieve opstelling levert deze liberals de benaming ‘neoconservatief’ op, omdat zij als leden van de Democratische Partij afstand namen van de progressieve koers van de partij. Irving Kristol, die als eerste het etiket ‘neoconservatief’ accepteerde, kwam met zijn gevleugelde verklaring waarin hij de neoconservatieve beweging betitelde als “liberals who have been mugged by reality”.

 

b. Van Reagan tot Bush

In 1980 kwam Ronald Reagan aan de macht; en of hij nu wel of niet een neoconservatief was: hij opende de deur voor de neocons naar de macht. Hij deelde hun steun voor Israël, de zorg over het morele verval in de samenleving en de noodzaak om het Westen tegen het communisme te verdedigen.[11] Een nieuwe generatie neoconservatieven bracht in zuiver politieke standpunten hun steun voor de Westerse beschaving en de dreiging van het communisme (in later dagen de moslimterreur) onder de aandacht. Op binnenlands gebied vochten zij de rol van de overheid aan, die door cultuurrelativisme, grootschalige verzorgingsstaatarrangementen en multiculturalisme, de publieke moraal had laten verloederen en het maatschappelijk initiatief deed verkwanselen. Na de aanslagen in New York verschafte deze moreel heldere ideologie de regering-Bush een aantrekkelijke oplossing om de diepgeschokte natie tegemoet te komen.

 

c. Welhaast revolutionair

Deze voormalige links-radicalen waren zich bewust van het feit dat ideeën belangrijk zijn voor een goede samenleving en uiteindelijk zelfs de toekomst bepalen. Daarom investeerden zij in intellectuele vorming en systematische doordenking van hun ideeën. Het neoconservatisme bestond uit zowel een politieke stellingname als een geheel aan ideeën. Karakteristiek is wel haar verdediging van de superieure Westerse beschaving tegen het kwaad van cultuurrelativisme (intern) en jaloerse rivaliserende culturen (extern). De haast revolutionaire twist in haar ideeën (namelijk de actieve vormgeving van de cultuur) maakt het tot neoconservatisme. Het staat door deze insteek grotendeels tegenovergesteld aan het traditionele conservatisme van de afgelopen eeuwen.

 

Nederlandse conservatieven haken af

Vanwege het revolutionaire karakter van het Amerikaanse neoconservatieven haken veel Nederlandse conservatieven op een gegeven moment af. Dat was aanvankelijk anders. Rond 2000 voelden diverse Nederlandse conservatieven zich aangetrokken tot het neoconservatieve antwoord op de morele crisis in het Westen. Het klassieke, Burkiaanse conservatisme (met een bottom up benadering) voldeed in hun ogen niet meer, omdat het onheil al had toegeslagen en de progressieve elite niet wilde luisteren. Revolutionaire krachten beheersten de samenleving vanaf de jaren zestig en daarom werd het tijd voor een ‘Burke 2.0’: een conservatisme als “sensitiviteit voor decadentie”.[12] Er moest van bovenaf, dus met politieke middelen, iets gedaan worden.

Een gezamenlijke coalitie van moreel en liberale conservatieven wist zich een aantal jaren verenigd in eenzelfde strijd tegen cultuurrelativisme, multiculturalisme en de dreiging van de (radicale) islam. Hoe meer men zich echter vereenzelvigde met het Amerikaanse neoconservatisme – in het bijzonder bij concrete politieke beleidsvoorstellen, zoals in het Conservatief Manifest – hoe meer klassiek conservatieve geesten teleurgesteld afhaakten.

De Nederlandse intellectuelen hebben zich mijns inziens verkeken op de denkbeelden achter de Amerikaanse neoconservatieve beweging. Om de progressieve dominantie in Nederland stevig ter discussie te kunnen stellen, zochten de conservatieve geestverwanten naar een nieuw cultureel idioom dat hun missie zou kunnen ondersteunen. Doordat ze het gevoel hadden niet gehoord te worden, gingen ze zich steeds meer herkennen in en identificeren met het Amerikaanse neoconservatisme. Getuige het feit dat alle Nederlandse conservatieven inmiddels afstand hebben genomen van het Amerikaanse neoconservatisme, is het aannemelijk dat ze achteraf bezien de gevolgen van hun ‘neoconservatieve flirt’ hebben onderschat.

Opmerkelijk genoeg steunde in 2006 niemand van hen de politieke representant van dit gedachtegoed: Geert Wilders. Terwijl hun cultuurkritiek tussen 2001 en 2006 bijzonder succesvol genoemd kan worden en de oogst in politieke zin voorhanden lag.[13] Wilders bleek als politicus geïnspireerd te zijn door het neoconservatisme en gebruikte deze denkbeelden voor het ideologische profiel van zijn nieuwe partij.

 

Wilders’ neoconservatieve politiek

In zijn partijstukken zet Wilders tegenover de kiezer zijn overtuiging uiteen over de superioriteit van de Westerse waarden, die in binnen- en buitenland verdedigd moeten worden. Verder toont hij zijn afkeer van cultuurrelativisme, de “linkse kliek” en internationale samenwerking en plaatst daar tegenover een compromisloze strijd tegen de internationale islam en steun voor Israël als oplossing voor ons welzijn.

Hoewel Wilders’ opvattingen over de islam inmiddels geradicaliseerd zijn en daartegenover een nationaal-populistische uitwerking volgt, ligt de wieg in het neoconservatisme. Zo schreef Wilders in de inleiding van het laatste verkiezingsprogramma: “Bij veel van de problemen die Nederland teisteren is de diagnose hetzelfde: elites zijn losgeslagen van de werkelijkheid en zijn op eigen houtje dingen gaan doen waar gewone mensen niet beter van worden. Onze elites hebben zich bekeerd tot de illusie dat alle culturen (en daaraan verbonden waarden) gelijk zijn. Alles moet kunnen. Er bestaat geen goed of kwaad, alle culturen zijn voor hen gelijk, de islam of het christendom, meisjesbesnijdenis, handen schudden of niet - wat maakt het uit.” Dit is neoconservatieve retoriek pur sang.

 

Activistisch en revanchistisch

In de kern laat Wilders’ analyse zich omschrijven als een activistisch, revanchistisch verhaal, als gevolg van het stelselmatig negeren van de negatieve uitwassen van de culturele revolutie. Deze stijl speelt perfect in op een breed aanwezig maatschappelijk onbehagen over de politiek, waarin politici worden beschouwd als zakkenvullers die het liefst problemen uit de weg gaan.

Een soortgelijke analyse blijkt bij de Amerikaanse neoconservatieven populair te zijn onder de naam new class theory. Een progressieve elite bagatelliseert volgens deze theorie stelselmatig iedere kwestie, ondersteunt progressieve meningsvorming door subsidies aan linkse staatsomroepen en organisaties en probeert politieke vernieuwers te demoniseren. Een jarenlange linkse indoctrinatie en ontwrichtend cultuurrelativisme hebben maatschappelijke verloedering en bovenal een geest van verslapping, verruwing en passiviteit bij de bevolking opgeleverd.[14]

 

Normalisering

Zonder de conservatieve tegenbeweging van Kinneging en Spruyt zou de PVV nooit zo succesvol kunnen zijn geweest, terwijl de partij zonder het Amerikaanse neoconservatisme niet eens zou hebben bestaan. Dat neoconservatisme was de rechtse inspiratiebron voor een Nederland in culturele verwarring, al is ze in de loop van de tweede regering-Bush geruisloos begraven. De voedingsbodem voor een politieke beweging – de PVV - was al gelegd. Bart-Jan Spruyt heeft als een belangrijke sleutel gefunctioneerd in de transitie van het intellectuele neoconservatisme naar een politieke partij, daarbij gebruikmakend van zijn Amerikaanse contacten. Het neoconservatisme is door conservatieve intellectuelen overwogen en nadrukkelijk het publieke debat ingebracht, om de progressieve cultuur te doorbreken. Door de publieke agendering van deze moreel heldere ideeën zijn de opvattingen van de PVV genormaliseerd, waardoor een deel van de Nederlandse kiezers de wereldbeschouwing van Wilders kan onderschrijven.

 

Conclusie: wel verrechtsing, geen conservatisme

Nederland is in tien jaar tijd verrechtst, als gevolg van een late conservatieve tegenbeweging, maar heeft bij het eindresultaat weinig ‘conservatiefs’ bewerkstelligt. Het cultureel idioom is aantoonbaar veranderd met denkbeelden over de ‘linkse kerk’, onze joods-christelijk-humanistische cultuur, de gewelddadige aard van de islam en het belang van nationale identiteit. Links is in cultureel opzicht voor veel Nederlanders verdacht geworden en staat synoniem voor behoudzucht en relativisme, terwijl rechtse opvattingen nu geassocieerd worden met hervorming, daadkracht en versterking van onze eigen beschaving. De invloed van confessionele scheidslijnen in onze cultuur is uitgewerkt en zowel het conservatisme als de confessionele politiek zijn slechts voorbehouden een marginale rol te spelen in het politieke krachtenveld tussen links en rechts.

 

 

 

KADER

Maarten Vogelaar studeert Politieke Theorie & Gedrag (UvA) en Christian Studies (VU) in Amsterdam. Hij schreef afgelopen zomer de masterscriptie ‘Wegbereiders van Wilders. De invloed van het neoconservatisme in Nederland’.

 

Samenvatting

-         Het culturele debat is in de afgelopen tien jaar ‘verrechtst’

-         Een conservatief tegenoffensief werd gestart om het progressieve tij te keren

-         Inspiratiebron was het revolutionaire neoconservatisme uit Amerika

-         Wilders’ PVV ontleent mede zijn oorsprong en kracht aan deze ideeën

 



[1] Uiteraard zij hierbij aangetekend dat ik mij in mijn vraagstelling beperk tot de ontwikkeling van het Nederlandse meningenklimaat en daarmee dus allerlei sociale factoren buiten beschouwing laat. Daarnaast ontbreekt ook de ruimte om deze analyse uitvoerig te onderbouwen. Zie hiervoor mijn masterscriptie.

[2] Mudde, Cas (2007) Populist Radical Right Parties in Europe. Cambridge: Cambridge University Press, pag. 22-23.

[3] Zie de boeiende lezing van: Spruyt, Bart-Jan (2006) De verdediging van het Westen. Leo Strauss, Amerikaans neoconservatisme en de kansen in Nederland. Middelburg. Rooseveltlezing/ De Abdij.

[4][4] Livestro, Joshua (2001) ‘Het conservatieve moment is gekomen’. NRC Handelsblad, 3 maart.

[5] Van Doorn, J.A.A. (2009) Nederlandse democratie. Historische en sociologische waarnemingen. Amsterdam: Mets & Schilt, pag. 284.

[6] De Beus, Jos (2006) ‘Een derde eeuw van conservatisme’. In: H. Pellikaan & S. van der Lubben (red.), Ruimte op Rechts? Utrecht, Spectrum, pag. 232.

[7] Gray, John (2007) Zwarte mis. Apocalyptische religie en de moderne utopieën. Amsterdam: Ambo uitgevers, pag. 254.

[8] Spruyt, Bart Jan & Michiel Visser (2003) ‘Conservatief manifest’. Trouw, 18 oktober.

[9] Achterhuis, Hans (2003) ‘Verkwanseling van het conservatisme’. Trouw, 25 oktober.

[10] Vink, Jaffe (2005) ‘De neoconservatieve revolutie’. Trouw, 29 oktober en Spruyt, Bart-Jan (2005) ‘Leve de neoconservatieve revolutie’. Trouw, 10 december.

[11] Heilbrunn, Jacob (2009) They knew they were right. The rise of the neocons. New York: Random House, pag. 162.

[12] Cliteur, Paul (2003) De conservatieve uitdaging. Amsterdam: Prometheus, pag. 39.

[13] Sleegers, Fleur (2007) In debat over Nederland (WRR-rapport), pag. 28-29.

[14] Heilbrunn (2009), pag. 155-160.