De spanning er weer inbrengen

De spanning er weer in brengen

De Christenunie verdient een verbeterde politieke theorie

 

Door Ad de Bruijne

 

Begin oktober 2008 hield ik een inleiding voor het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie. Daarvan geef ik in dit artikel de hoofdlijn weer. Men had mij uitgenodigd om in het licht van mijn proefschrift uit 2006 in te gaan op de vraag welke nieuwe accenten volgens mij nodig zijn in de politieke theorievorming binnen de partij. In mijn proefschrift analyseerde ik de politieke theologie van de Engelse theoloog Oliver O’Donovan[1]. Volgens mij is een vernieuwing nodig van het christelijke politieke denken binnen de ChristenUnie en kan O’Donovan daarbij helpen, op minstens drie punten. Ik rond af met enkele praktische accenten.

 

1. Breukvlak in de geschiedenis

In de eerste plaats wijst O’Donovan ons op een breukvlak binnen de geschiedenis een verantwoorde weg.

Christelijke publieke actie (ook christelijke politiek) in Nederland kwam op in het kader van de negentiende eeuwse strijd tegen de ontkerstening. Nederland gold voor velen als een christelijke, protestantse, zelfs calvinistische natie. Franse revolutie en Verlichting probeerden het publieke domein van deze natie neutraal te maken en de christelijke religie te verbannen naar een eervol bestaan in de privésfeer. Christelijke publieke actie wilde dat voorkomen of keren. Men streefde naar een publiek domein waar bijbelse normen gelden en de hoogste Koning openlijk geëerd wordt. Ook in het latere model van een confessioneel pluralisme bleef dat het geval. Daarbinnen respecteert men andere levensbeschouwelijke spelers in het veld, terwijl men aanvaardt dat de uitkomst van een politiek debat vaak niet verder komt dan een resultante. Desondanks blijft de christelijke bijdrage aan dit spel de inzet om het publieke domein christelijk te maken.

 

Verzakelijking zonder bijbelse inbedding

Aanvankelijk had deze inzet succes. De slapende massa’s in Nederland waren destijds christelijker dan de liberale elite wilde. Na een periode van secularisatie en resacralisatie werkt dit doel voor christelijke publieke actie echter niet meer. Toch blijven veel christenen opereren vanuit dit voorbije verleden. Daardoor hanteren ze te hoge en te verre idealen voor het publieke domein. Vaak gaven ze de oorspronkelijke Kuyperiaanse speculaties prijs, maar hielden ze tegelijk vast aan Kuypers ideaal. Als gevolg daarvan dreigen ze van een belofte voor de toekomst van Gods koninkrijk een politiek streefdoel te maken voor tijdelijke samenlevingen van nu. Dat werkt niet meer en is bovendien theologisch onverantwoord.

Het is daarom geen wonder dat dit klassieke ideaal weglekt uit de praktijk van de huidige Christenunie. Ik vind dat terecht en kan goed uit de voeten met de huidige politieke praktijk in de partij. Tegelijk signaleer ik dat deze niet samengaat met een vernieuwde basisvisie op politiek. Dat lijkt mij riskant. Verzakelijking zonder inbedding in een bijbels verantwoorde basisvisie leidt tot interne secularisatie.

 

Vreemde invloeden

Bovendien komen daarbij zomaar vreemde invloeden binnen. Sommigen vervallen met hun ambachtelijke stijl tot een soort liberalisme en houden hun geloof in de schaduw. Anderen zoeken evenals het CDA inspiratie bij het communitarisme en sieren dat met de aloude leus ‘christelijk-sociaal’. Zij pleiten voor normen, waarden of deugden in het algemeen en propageren religie vanwege haar samenbindende potentie en haar sociaal kapitaal. Ook hanteren zij het nieuwe ‘sibboleth’ van een ‘joods-christelijke traditie’, een eigentijdse vervanger van het oude ideaal van een christelijke samenleving, waarvan Groen van Prinsterer en Kuyper zouden gruwen. Weer anderen laten zich aanspreken door cultuurkritische benaderingen als van Stanley Hauerwas, of Van de Beek en zijn leerling B. Reitsma[2]. Zij nemen gretig afscheid van het ‘constantijnse tijdperk’ waarin christenen macht nastreefden en concentreren zich op de alternatieve samenleving van de kerk. Die visie bevat waardevolle elementen voor een praxis van christenen in een minderheidssituatie. Tegelijk blijft zij in het licht van de eigen theologische traditie te beperkt. Ook maakt zij zich te gemakkelijk af van de vraag of en hoe christenen ook in een minderheidspositie publieke verantwoordelijkheid kunnen dragen.

 

Einde christelijk tijdperk

Op zevenmijlslaarzen maak ik duidelijk op welk historisch breukvlak wij ons vandaag bevinden. In het Oude Testament viel de samenleving van Israel grotendeels samen met de kerk: een volk geregeerd door de wet van God, waarbinnen God publiek geëerd kon worden. In de tijd van het Nieuwe testament en daarna leven christenen als vreemdelingen verspreid over de bestaande volken. Daarbij trokken zij zich niet terug en zelfs droegen zij soms publieke verantwoordelijkheid. Meestal schoot hun invloed daartoe echter tekort, of onthielden zij zich vanwege de overal aanwezige afgodendienst.

Daarop volgt het Constantijnse tijdvak, waarin christenen 1500 jaar lang het centrum van de macht bezetten. Aan de oppervlakte kleurt een hele samenleving en cultuur christelijk. Vooral sinds Karel de Grote grijpt men daarbij terug op het Oude Testament. Opnieuw werd de samenleving volgens Gods wet geordend. De bestaande samenleving gaat gelden als deel van het koninkrijk van God.

Dit Constantijnse tijdvak loopt vandaag in de westerse wereld ten einde. Toch bestrijd ik hen die daarom beweren dat wij weer terugkeren naar de situatie van de Vroege kerk, of in eenzelfde positie terechtkomen als christenen in andere werelddelen. Wij hebben immers niet te maken met een niet-christelijke samenleving zonder meer, maar met één die eens ‘christelijk’ was. Je kunt haar niet begrijpen of dienen als je dat verwaarloost.

Dit breukvlak maakt dat de christelijke politiek niet meer toe kan met bestaande theorievorming. Deze dateert uit de vorige fase of was erop gericht om de breuklijn nog te voorkomen of te repareren.

 

Nieuwe tijd, nieuwe visie

Over deze problematiek gaat mijn proefschrift. Juist bij O’Donovan tref ik aanzetten aan voor nieuwe theorievorming. Daarbij denk ik niet in de eerste plaats aan zijn praktische positiekeus. Die is Engels, erg Anglicaans en dus gekleurd door de mogelijkheden die een staatskerk biedt. Het gaat mij om de bijbelse visie op de aard van politiek die hij ontwikkelt en waarmee ieder in eigen context verder zou kunnen werken. Ook O’Donovan toont zich zeer bewust van dit breukvlak, maar minder eenzijdig dan Van de Beek, Reitsma en Hauerwas. Hij combineert juist het besef van dit breukvlak met de opgave die de voorbije christelijke eeuwen ons blijven stellen. Daardoor verenigt zijn visie elementen uit andere benaderingen die elkaar veelal uitsluiten.

 

2. Theologisch breder en dieper

In de tweede plaats levert O’Donovan de Christenunie een broodnodige theologische update. Binnen de ChristenUnie domineert naar mijn indruk de politieke filosofie, vooral in de vorm van de Reformatorische wijsbegeerte. Deze is waardevol, maar in haar ontstaan wel gevoed door verouderde theologische wortels. Zij draagt het stempel van het negentiende eeuwse neocalvinisme. De eschatologische wending die Karl Barth in de twintigste eeuw bracht, bleef vaak onverwerkt. Juist die wending bij Barth en andere theologen vormde een theologie bij het genoemde breukvlak tussen een voorbije christelijke cultuur en naderend nieuw heidendom.

 

Impliciet en omstreden

Voor orthodoxe christenen is Barth niet altijd een goede gids. Toch moet zijn aanzet ook binnen orthodox bijbels denken verwerkt worden. Juist dat doet O’Donovan. Daardoor kan hij de neocalvinistische politieke traditie bij de ‘postchristelijke’ tijd brengen.

Dat is nodig, zelfs wanneer veel praktische politici menen dat zij wel zonder theologie kunnen. Zonder dat ze het doorhebben, bevatten hun visies en acties veel impliciete theologie, die nogal eens verouderd of omstreden is. Dat is het geval bij een klassiek concept als dat van scheppingsstructuren met een ‘soevereiniteit in eigen kring’. Een scheppingsgerichte benadering blijkt in meer eschatologisch licht eenzijdig en werkt onnodig conservatief, bijvoorbeeld waar je als christenpoliticus in een niet-christelijke wereld ook andere relatievormen dan huwelijk en gezin moet ordenen. Ook rammelt er theologisch iets in de leidraad ‘publieke gerechtigheid’ of bij het bijbelse visioen van ‘sjaloom’ (‘vrede’). Zulke bijbelse woordjes betekenen verschillende dingen die je niet in één bulkbegrip mag samenklonteren om ze vervolgens theocratisch van de context van Israël te verplaatsen naar de samenleving vandaag.

 

Hermeneutische update

Bovendien zou je meer moeten doen om de inhoud van de bijbel toe te passen op vandaag. Begrippen destilleren of inspiratie opdoen aan aansprekende teksten vormen veelgevolgde procedés maar zijn hermeneutisch niet adequaat. Bedoelt de messiaanse koning van psalm 72 model te staan voor hedendaagse politieke ambtsdragers? Mag je Jeremia’s oproep aan de ballingen in Babel (Jeremia 29) om de vrede voor de stad te zoeken zomaar toepassen op vandaag? Is Romeinen 13 niet te smal en te toevallig om er een overheidsvisie op te bouwen? Kun je Jezus’ woorden uit Matteüs 25 over het kleden van naakten en eten geven aan hongerigen politiek opvatten? Soms wel, maar dan moet er onderweg wel meer gebeurd zijn.

Ook op dit punt stimuleert O’Donovan. Bij geen enkele andere theoloog of politieke denker vond ik zo’n diepgaande en brede bijbelse benadering van politiek. Hij volgt en analyseert de gehele geschiedenis van het heil zoals we die in de bijbel vinden. Ook als ik op concrete punten anders kies dan hij, vind ik zijn methode voor de ChristenUnie van groot belang.

 

3. Spanning tussen koninkrijk en politiek

In de derde plaats daagt O’Donovan de ChristenUnie-traditie uit om opnieuw na te denken over het koninkrijk van God. In de ChristenUnie vatten wij dit vanouds op als een diepste woord over de scheppingswerkelijkheid. God is koning van zijn schepping; alles behoort tot zijn koninkrijk. Het koninkrijk is dan een soort beeld en niet te vergelijken met aardse politieke rijken. Het omvat juist verschillende levensterreinen, zoals gezin, kerk en politiek. Overal zoeken wij Gods eer en zijn wil. Onze inzet in de schepping bouwt mee aan het koninkrijk.

O’Donovan verbindt het koninkrijk van God met het koningschap over Israël en met de Messias als erfgenaam van Davids troon. Gods koninkrijk is juist wel een politieke grootheid. De koning van de toekomst lost alle aardse politieke autoriteit af. De profeten zien Hem regeren over Israël én de andere volken. Alle andere regeerders werpen hun kronen aan zijn voet.

 

Geen grootse pretenties

Zo ontstaat er een principiële spanning tussen aardse politiek en Gods koninkrijk. Aardse politieke autoriteit vormt geen stukje geschapen werkelijkheid onder de koepel van Gods koninkrijk. Zij ontstond met de zonde en zit Gods koninkrijk in de weg. Alleen Christus brengt een betere wereld, niet door de huidige schepping geleidelijk te hervormen, maar door een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Aardse politiek houdt weliswaar na Christus’ komst nog een tijdelijke functie. Zij moet echter geen grootse pretenties hebben, zoals het streven naar een betere wereld of een christelijke samenleving die God eert en zijn wil doet. Ook christelijke politiek bouwt niet mee aan Gods koninkrijk.

Juist christen-politici moeten niet de idealistische retoriek van andere politici christelijk willen spiegelen (“Alle kansen voor alle kinderen”). Voluit christelijke normen inbrengen in het publieke domein zou zelfs destabiliserend werken. Al het Nieuwe Testament waarschuwt daartegen, bijvoorbeeld waar het gaat om de slavernij of de plaats van vrouwen. Kerken moeten bijvoorbeeld grenzeloos ver gaan in gastvrijheid naar vreemdelingen en in liefde voor vijanden. Die houding is alleen mogelijk wanneer je verbonden bent aan Christus. Vertaal je haar in een losse norm voor iedereen in een niet-christelijke samenleving, dan leg je te hoge lasten op. Als een natie vandaag Gods wil doet, krijgt zij het in de wereld juist moeilijker. Je mag een land niet voorhouden: doe Gods geboden, opdat het u welga. Wie Gods wil doet, moet in het Nieuwe Verbond juist rekenen op extra moeite, die je alleen kunt begrijpen vanuit Jezus’ kruis en opstanding. Dat mag niet in de weg van christelijke politiek worden opgedrongen aan mensen die Christus niet kennen.

Dus moet christenen in de samenleving niet langs politieke weg koninkrijksidealen najagen. Wel moeten zij vanuit de eigen hoop op het komende rijk in deze oude wereld die voorbijgaat, de beperkte doelen dienen voor het leven van nu. Soms lukt het om dat zo te doen dat je toch een ritseling opmerkt van wat komen gaat.

 

De spanning terugbrengen

O’Donovan laat zien dat deze spanningsvolle verhouding tussen de aardse rijken en het koninkrijk in de geschiedenis van het christelijke denken door velen is vastgehouden. Bijvoorbeeld bij theocraten tref je deze al aan. Daarom concludeerde men dat het enig goede politieke model zou zijn dat God zelf min of meer rechtstreeks regeert. Zij geloven dat dit nu al kan. Ook bij de tegenpositie van Hauerwas en Van de Beek herken je de genoemde spanning én de theocratische oplossing: alleen God zelf mag regeren. Zij menen echter anders dan echte theocraten dat deze regering iets voor straks is, terwijl nu het kruis domineert. Daarom kennen zij geen christelijke politieke verantwoordelijkheid. Binnen de ChristenUnie-traditie is het besef van die spanning echter veelal verdwenen.

O’Donovan brengt die spanning terug in de bezinning, zonder daarmee uit te komen bij theocratie of terugtrekking. Hij combineert haar juist met een ‘kuyperiaans’ besef van verantwoordelijkheid. Juist daarom kan zijn concept zoveel betekenen om de traditie van de ChristenUnie op een eigentijdse manier voort te zetten. Hij ziet in de geschiedenis een spanningsvolle tussenfase ontstaan. Christus is immers al koning maar gebruikt nog niet zijn macht om alles openlijk recht te zetten. Hij werkt via zijn Geest en Woord. Ter wille daarvan houdt Hij de aarde voorlopig geordend en tolereert hij nog de bestaande machten. Dat er overheden en aardse politieke samenlevingen zijn, is gegeven met deze tussenfase, het ‘saeculum’ in Augustinus’ termen. Eigenlijk heeft de aardse politiek haar tijd gehad, maar nog even houdt ze een ordenende functie.

 

Overheid en eer van God

Veel overheden erkennen Christus niet maar dienen desondanks zijn voorlopige doel. Het zou dan verkeerd zijn om hen langs politieke weg te willen binden aan de eer van God of het respect voor wetten. Zover komt een mens alleen via bekering onder het volle evangelie. Niet de politiek maar de kerk moet dit uitdragen. Dat kan ook politici tot geloof brengen. In dat geval moeten zij niet vergeten dat politiek blijft behoren tot de oude aardse structuren en geen gestalte van het koninkrijk wordt. Natuurlijk zullen zij binnen dat kader proberen om Christus te eren en de wijsheid uit zijn woord benutten bij hun ordenende resttaak. Zij mogen hun politieke doelen echter niet rechtstreeks christelijk laden en politiek niet misbruiken voor meer dan een indirecte dienst aan de voortgang van het evangelie. Zij bouwen niet aan het koninkrijk of aan een christelijke samenleving, en leggen de bijbelse normativiteit niet op aan het volk.

Deze overheidsvisie is anders dan binnen de ChristenUnie gebruikelijk is, al zijn er nogal wat parallellen met Abraham Kuyper. Vanwege de bijbelse onderbouwing ervan daagt zij de bestaande visie wel uit.

 

4. Praktische accenten

Tot slot noem ik drie praktische punten waarin O’Donovans aanzet kan doorwerken.

 

a. Kerk en religie

De visie op religie en kerk binnen de ChristenUnie zou moeten veranderen. De kerk is immers meer dan een van de geschapen mesostructuren binnen de bestaande samenleving. De kerk vormt juist de nieuwe samenleving van de toekomst en botst principieel op de huidige samenleving. Wel blijft dit karakter van de kerk vaak verborgen voor wie niet in geloof kijkt. Op het eerste gezicht lijkt de kerk inderdaad op een vakbond, een voetbalclub of een moskeegemeenschap. Dat mag echter juist een christen-politicus niet verleiden om vooral te wijzen op de nuttige en samenbindende functie van de kerk in de civil society, en haar echte identiteit te verzwijgen.

Tegen deze achtergrond moet christelijke politiek ook niet naïef spreken over de waarde van religie in het algemeen. De echte strijd in de samenleving gaat niet over religieus of areligieus (dat lijkt zo vanuit een beperkt westers perspectief). De echte strijd is een godenstrijd tussen religie en pseudoreligie. Daarom moet christelijke politiek bijvoorbeeld de islam geen hand toesteken omdat religie in het algemeen maatschappelijk zo nuttig is. Dat is zeer de vraag. Het mag alleen als het helpt bij de voorlopige ordening van de samenleving en omdat Christus pseudoreligie (nog) niet met macht of geweld bestrijdt.

 

b. Royaler compromis

O’Donovan kan de ChristenUnie een royalere omgang bieden met het politieke compromis. De christelijke politiek wordt immers verlost van alles wat ‘des kerks’ is. Daarom is overigens de noodzakelijke voorwaarde bij deze andere benadering dat de kerk haar publieke karakter weer waarmaakt. In dat geval ontstaat voor de christelijke politiek grotere bewegingsruimte, doordat zij in het saeculum geen koninkrijksdoelen hoeft na te jagen.

Dat relativeert zelfs een gangbare voorwaarde voor een compromis, namelijk dat dit een stap in de goede richting moet vormen[3]. Deze oude wereld beweegt zich volgens de bijbel onontkoombaar in de verkeerde richting, en christelijke politiek bedoelt haar daarbij alleen maar nog enigszins in het lood te houden en zo mogelijk kleine tijdelijke oases van zegen te stichten. In dat geval zijn ook compromissen denkbaar die niet meer doen dan verkeerde ontwikkelingen inperken of afremmen. Alleen waar je als christen-politicus zelf actief zou moeten ‘meezondigen’, past geen compromis.

 

c. Civil voice en politiek debat

O’Donovan kan de ChristenUnie ook aan een eigen ‘civil voice’ helpen. Daarbij doel ik niet op de gangbare visie dat in het publieke domein alleen algemene argumenten tellen. Het is achterhaald om te denken dat er een algemene ratio bestaat, los van levensbeschouwelijke inkleuring. Wij moeten in het publieke debat juist veel opener en minder besmuikt durven aankomen met de bronnen voor onze kennis, dus ook met de bijbel. Ook de gedachte dat losse argumenten vanuit bijbelse normativiteit ten diepste wel zullen aanspreken omdat ze passen bij de schepping, is achterhaald. Soms geeft God zulke bruggen en dan moet je ze ook benutten. Je kunt ze echter niet plannen of afdwingen. Dus moet je eerlijk laten zien tegen welke achtergrond ze bij je staan. Dat moet echter niet gebeuren in de toonsoort van een appèl of claim van Godswege. Je spreekt immers in de context van het saeculum en past je toonsoort daarbij aan.  Zou je verder gaan, dan doe je wat de kerk in het publieke domein behoort te doen en misken je het seculiere karakter van aardse politiek.

Voorwaarde bij zo’n stijl is natuurlijk dat je als christenpoliticus zelf een herkenbare christen uit één stuk ben. Waar je politiek terughoudend bent, zul je persoonlijk de radicale stijl van Christus vertonen. Als je bijvoorbeeld Wilders politiek bestrijdt, huil je juist niet mee met de wolven in het ‘anti-Wilders-bos’. Wanneer je de radicale islam politiek wilt beteugelen, heul je juist niet met de collectieve zelfrechtvaardiging van alle gematigde weldenkende mensen ten koste van radicalen en fundamentalisten. Je houding zal de grenzenloze vijandsliefde van Christus vertonen.

Bij deze benadering verlies je als christen-politicus ook de krampachtige ambitie om van tijd tot tijd getuigende geluiden te laten klinken (en het kwade geweten wanneer dit er niet van komt). Zoals elke christen zal ook de christen-politicus gelegenheden ontvangen waarin een getuigend woord geboden is. Die moet je dan ook benutten. Daarin verschil je echter niets van de christelijke bakker. Je ambacht is niet getuigen maar broodbakken of politiek bedrijven.

 

 

SAMENVATTING

-         Vernieuwing van het politieke denken binnen de ChristenUnie is nodig.

-         Het denken van de engelse theoloog O’Donovan kan daarbij helpen, op drie punten.

-         Het wijst ons op een breukvlak binnen de geschiedenis een verantwoorde weg.

-         Het levert de Christenunie een broodnodige theologische update

-         Het daagt de ChristenUnie-traditie uit om opnieuw na te denken over het koninkrijk van God.

 

Dr. Ad de Bruijne is hoogleraar ethiek aan de TU Kampen.



[1] Ad de Bruijne, Levend in Leviatan. Een onderzoek naar de theorie over ‘christendom’ in de politieke theologie van Oliver O’Donovan. Kampen: Kok, 2006. Belangrijke werken van O’Donovan zijn: The Desire of the Nations. Rediscovering the Roots of Political Theory. Cambridge; Cambridge University Press, 1996, From Ireneaus to Grotius. A Sourcebook in Christian Political Thought. Grand Rapids, Cambridge: William B. Eerdmans Publishing Company, 1999, en O’Donovan, Oliver (1999).  The Ways of Judgment. The Bampton Lectures 2003. Grand Rapids: Wm. B. Eerdmans Publishing Company, 2005.

[2] A. van de Beek, God doet recht: Eschatologie als christologie, Zoetermeer: Meinema, 2008; Bernard Reitsma, ‘De kerk in de context van de Islam: macht of minderheid’ in: Soteria 25, 3 (sep 2008);  Stanley Hauerwas,  After Christendom. How the Church is to behave if Freedom, Justice, and a Christian Nation are Bad Ideas, Nashville: Abingdon Press, 1991.

 

[3] J. Douma, Grondslagen: Christelijke ethiek, Kampen: Kok, 1999, 303v.