Van God los

Door Eppo Bruins


Een boek van twee gepromoveerde historici, met als aankondiging op de achterflap "voer voor discussie over de christelijke politiek in Nederland". Dat belooft wat. Ik verwacht nieuwe inzichten, nieuwe feiten die na lang zoekwerk boven water zijn gekomen.


Ik verwacht dat mijn simpele beelden over de recente Nederlandse politieke geschiedenis op zijn kop worden gezet. En bovenal verwacht ik prikkelende gedachten over hoe het verder moet. Hoe krijgen ze dat voor elkaar in vijftien essays die samen minder dan 200 bladzijden van een pocket beslaan?

Het boek blijkt bij nadere bestudering redelijk lichte kost. Het leest makkelijk weg en heeft niet al te veel wetenschappelijke diepgang. Naarmate de hoofdstukken vorderen wordt het echter wel interessanter, alsof de auteurs er even in moesten komen. Zo is hoofdstuk 6 een beknopt maar verrassend compleet beeld van de opkomst en neergang van christelijke politiek in de eind negentiende en twintigste eeuw. In de hoofdstukken daarna (7 tot en met 10) volgt een gedetailleerde historie van SGP, ChristenUnie (RPF/GPV) en CDA. En zelfs een hoofdstuk over de aantrekkingskracht van de PVV op christenen. In dat laatstgenoemde stuk wordt overigens te gemakkelijk een verbinding gelegd tussen mensen die expliciet bezwaar maken tegen 'de islamisering' van Nederland en mogelijke Wilders-sympathieën. Daarmee wordt dit vraagstuk te eendimensionaal behandeld door de auteurs.


Eigen interpretaties
Voor academici uit de humaniora brengen de auteurs wel erg gemakkelijk eigen interpretaties aan. Zo schrijft Ewout Klei dat het gebruik van de naam 'Staphorster variant' als aanduiding van een mogelijke gedoogconstructie in de tachtiger jaren nodig was "om de eigen identiteit extra te onderstrepen, het was een oefening in seculiere zelfbevestiging" (p. 42). Verderop staat: "Ondanks deze machtige positie wist het CDA op ethisch vlak weinig te bereiken."..."Als christelijke regeringspartij had het CDA alleen een remmende invloed." (p. 65-66). Het is mijns inziens maar de vraag of die remmende invloed mag worden gebagatelliseerd als "weinig bereiken" of moet worden gezien als het destijds hoogst haalbare. Af en toe mengen de auteurs er psychologie van de koude grond in, zoals: "De gewone man was blij dat er eindelijk iemand was die wat tegen de verloedering wilde doen. Met Balkenende kon je je identificeren omdat hij niet perfect was." (p. 70) 

Soms is het ronduit te kort door de bocht: "Ook zijn evangelischen, omdat zij in tegenstelling tot gereformeerde christenen vooral emotioneel en minder rationeel geloven, gevoeliger voor complottheorieën en de aantrekkingskracht van sterke leiders die zich als profeten gedragen." (p. 141).


Televisie
In het essay over de opkomst en rol van de televisie, door Remco van Mulligen, wordt televisie meermalen beschouwd als het medium dat de mening van de meerderheid verkondigt en daarmee bijdroeg aan het verdwijnen van de zuilen. Ik mis in dat essay de bespreking van een effect dat naar mijn mening veel groter is geweest: televisie is lange tijd juist gedomineerd geweest door een progressieve intellectuele minderheid, een soort spreekbuis van de beschaving, die andersdenkenden neerzette als "niet meer van deze tijd". Wellicht zelfs dat televisie heden ten dage bijdraagt aan een nieuwe verzuiling door de maatschappij te kenschetsen in een aantal duidelijk definieerbare kampen: wij (beschaafde, tolerante 21e eeuwse burgers) en zij (intolerante PVV-ers en intolerante moslims). 

Ik mis dit soort prikkelende gedachten met name in de eerste helft van het boek. De auteurs beperken zich tot het achter elkaar zetten van gebeurtenissen die de gemiddelde (geïnteresseerde) lezer van dit boek zich wel herinnert. Tijdens het lezen geeft het boek maar weinig Aha-momenten: "Ging dat zo?" of "Verhip, zo ging dat ja!". Ik had van twee gepromoveerde historici toch meer verwacht. Maar misschien had ik niet eerst de achterflap of de cv's van de auteurs moeten lezen.


Leren van D66
In de laatste hoofdstukken weten de auteurs de lezer steeds meer te boeien, daar waar de worsteling met tegenstrijdige belangen wordt beschreven vanuit historisch perspectief, zoals in hoofdstuk 13 waar het gaat om de afweging tussen vrijheden enerzijds en zeden en moraal anderzijds. Dit historisch perspectief toont de verschuiving in denken en het noodzakelijk opportunisme dat soms gepaard gaat met deze worsteling.

In hoofdstuk 15 wordt het selectief secularisme van D66 - en de worsteling met haar 'identity markers' - op genuanceerde manier behandeld en zelfs een advies gegeven hoe de ChristenUnie hier mee zou kunnen omgaan.


Hoe verder?
Het boek zal niet een gezaghebbend naslagwerk worden en qua schrijfstijl en diepgang lijkt het die pretentie ook niet te hebben. Veel zeer recente voorbeelden en namen die ter illustratie en onderbouwing gebruikt worden, zullen over enige tijd bij de gemiddelde lezer geen belletje meer doen rinkelen of historisch irrelevant blijken.

Blijft het feit dat het een lekker vlot lezend boekje is geworden. Fascinerend om alles weer eens op een rij te zien. Het levert echter geen nieuwe inzichten en zal daarom niet voer leveren voor discussie over de christelijke politiek in Nederland, zoals beloofd op de achterflap. Totdat ... de lezer belandt bij de nabeschouwing, waar beide auteurs hun reeks essays stoppen en hun persoonlijke mening op schrift stellen over hoe zij ieder de toekomst voor christelijke politiek zien. Hun voorspelling, ja zelfs hun advies, is dat de tijd van expliciet christelijke partijen voorbij is. Het lijkt hen nuttiger en verstandiger om als christen je licht te laten schijnen binnen een religieus neutrale politieke partij, om zo van binnenuit het goede te doen. Toch nog een onverwacht fors startpunt voor een discussie?