Tragisch denken en fatalisme in de politiek

Bespreking van De fatale staat, over de politiek noodzakelijke verzoening met tragiek, van P.H.A. Frissen, 2013

 Door Robert van Putten

 

De democratie heeft er sinds het begin van deze eeuw een nieuwe stijlfiguur bij: het populisme. Ze vormt een grote uitdaging voor de bestaande politieke orde. Populisten claimen het volk te representeren, verzetten zich tegen de bestaande orde en bedrijven vooral symboolpolitiek. In De fatale staat analyseert Paul Frissen hoe de politieke orde wordt uitgedaagd, waarin het populisme de essentie van politiek beter begrijpt. Dat doet hij echter in een betoog waarin hij de hele politieke praktijk onder genadeloze kritiek stelt: geen enkele politicus kan omgaan met falen en tragiek.

 
Zodra er iets onwelgevalligs gebeurt – overlast van hangjeugd, discriminatie, een aangespoelde walvis, noem het maar op - verwachten we van de overheid een oplossing. Als moderne mensen aanvaarden we geen falen en al helemaal niet van de overheid. Op elk bestuurlijk handelen dat niet afdoende is, moet een verbetering van de praktijk volgen. Dat resulteert in nieuwe procedures, beleidsplannen en beleidsinstrumenten. Politiek-bestuurlijk heerst het ‘interventionisme’, dat wil zeggen een aldoor bestuurlijk ingrijpen in de maatschappelijke werkelijkheid om haar te proberen te verbeteren. De moderne maatschappij is geobsedeerd door maakbaarheid – ook al is het geloof daarin formeel afgezworen -, de uitbanning van het kwade en hinderlijke is een praktijk die volop gaande is. Als burgers accepteren we geen enkel risico, tegen elke mogelijke vorm van pech willen we beschermd worden. Burgers, politici en beleidsmakers – niemand kan omgaan met tragiek.

 
Pech hoort erbij
Dat betoogt althans bestuurskundige Paul Frissen in zijn jongste boek De fatale staat. Hij zegt:
“Dat de wereld fundamentele tekortkomingen kent, lijken we steeds minder te aanvaarden. Zelfs al kunnen we tenminste vermoeden dat deze tekortkomingen gevolg zijn van ons eigen handelen verdragen we ze niet. Alle leed, pech en risico moeten worden uitgebannen. Veiligheid is een nationale obsessie. We richten er onderzoeksraden voor in, stapelen toezicht op toezicht en schrijven op dat als de overheid geen fouten meer maakt, er ook geen slachtoffers zullen vallen.” (12)

We willen of kunnen niet accepteren dat het leven en de samenleving niet maakbaar zijn, dat er altijd tekortkomingen, problemen en gevaren zijn. Tragiek behoort tot de menselijke conditie, betoogt Frissen, en we moeten leren omgaan met de onvolmaaktheid van de wereld. Frissens nieuwste boek vormt – net als zijn voorgaande boeken – een scherpe kritiek op politiek en openbaar bestuur. In De fatale staat analyseert hij het onvermogen om met tragiek om te gaan en schetst hij een politieke orde die wel met tragiek kan omgaan. In deze bespreking worden enkele lijnen uit zijn prikkelende en scherpe betoog naar voren gehaald en bediscussieerd.

 
Onvermogen in omgaan met tragiek
Maatschappij en politiek kunnen niet omgaan met tragiek en willen het noodlot niet aanvaarden. In plaats daarvan maken mensen zich voorstellingen om de tragiek te boven te komen. In het christelijk geloof is (voor Frissen: was) dat de hoop op het eeuwige gelukzalige leven in de hemel. In de verlichtingsmaatschappij waarin uitgegaan wordt van het rationele handelen en vermogen om de wereld te verbeteren is dat perspectief op de hemel vervangen door het geloof in de realisering van een maakbare wereld. Utopia is bereikbaar en daaraan wordt gewerkt.

De huidige politieke orde is gebaseerd op dit laatste en wordt door Frissen ‘modernistisch’ genoemd. Modernistische politiek gaat uit van rationeel handelen en vervolmaking van de maatschappij door op kennis en inzicht gesteund beleid. Bij falen is nieuw onderzoek en nieuw beleid het antwoord. Zo ontstaat een technocratische vorm van beleidsvoering en politiek dat zich uit in interventionisme waar geen rem meer op lijkt te zitten. Op die manier wordt geprobeerd het noodlot af te wenden.

Het populisme zet zich tegen deze politieke strategie af. Ongehinderd door feiten en rationele onderbouwing formuleert het populisme kritiek op overheidsbeleid en politiek. Het populisme is bij uitstek symbolische politiek. Daarmee heeft het volgens Frissen als beste begrepen wat politiek is, want die is in zijn ogen in essentie symbolisch. Het populisme wil ons verlossen uit de ellende die de modernistische politiek heeft aangericht.

 
Maakbaarheid
De grote overeenkomst tussen populisme en modernistische of gevestigde politiek is dat ze beide geobsedeerd zijn door maakbaarheid. De gevestigde politiek handelt via het paradigma van de verlichting en werkt aan voltooiing van de gedroomde wereld, het populisme streeft naar verlossing uit de door de ‘linkse kerk’ verpeste maatschappij. Modernisten kunnen niet berusten in falen, kunnen tragiek niet accepteren. Populisten geloven weliswaar niet in de rationele oplossingen van de modernisten en zien dat juist als deel van het probleem, maar zij willen verlossing realiseren door uitbanning van het vreemde. 

Zowel gevestigde als populistische politiek is dus niet in staat om de tragiek te aanvaarden. Wie tragiek aanvaardt, streeft niet naar vervolmaking van de maatschappij want dat is de ontkenning van tragiek, en wil ook geen verlossing ervan. Omdat tragiek nu eenmaal een fundamentele conditie van het menselijk bestaan is, moeten we ons ermee verzoenen, aldus Frissen. Ellende, rampspoed en tekort zijn onuitroeibaar. We leven in een gebroken wereld en daarmee moeten we leren omgaan.

De gevestigde politiek heeft echter een dubbel probleem. Enerzijds kan het de tragiek niet accepteren omdat het gelooft in de maakbaarheid van de maatschappij, anderzijds vormt haar huidige rationele opstelling (en vormgeven van beleid) haar legitimiteit ten opzichte van de populistische politiek. De gevestigde politiek moet echter leren dat politiek uiteindelijk symbolisch is, aldus Frissen. In de politiek gaat het niet over het ware of het goede, stelt Frissen, maar over het schone. De politiek kan disputen over het goede en het ware niet beslechten en daarom rest uiteindelijk het schone. Niet waarheid of moraal, maar esthetiek, verbeelding en symboliek vormen de essentie van politiek.

 
Durf op je handen te gaan zitten
Oplossing van de problematiek van de modernistische politieke orde ligt voor Frissen in de aanvaarding van tragiek en noodlot en het daarmee op een passende wijze omgaan. In plaats van verlossing (populisme) of voltooiing (modernisme) houdt dat ‘verzoening’ in met de tragiek, de feilbaarheid van het menselijk handelen, het onvolmaakte. “Omdat we moeten handelen, gaat het om een heroïsche aanvaarding door het fatalisme als moedig perspectief en elegantie en hoffelijkheid als omgangsvorm te hanteren.” (189). Dit betekent dat we fatalisme als politieke stijl moeten hanteren. Fatalisme is volgens Frissen ook een beleidsbenadering. Die houdt in dat we durven om ‘op de handen te gaan zitten’. Fatalisme is geen anti-strategie, maar een beleidsbenadering die erkent dat de werkelijkheid niet maakbaar is en dat nietsdoen of even afwachten ook een optie is. Beleid kan het probleem erger maken, overheidsoptreden is potentieel gevaarlijk en daarom is bescheiden optreden belangrijk, aldus Frissen.

 

Scepsis in plaats van idealen

Om deze vorm van bescheiden bestuur te leren hanteren is naast fatalisme als grondhouding nodig dat politiek en bestuur zich niet meer laten leiden door idealen en hoop. Die zijn gevaarlijk, leiden tot utopische projecten, brengen ons richting een totalitaire staat onder het mom van goede bedoelingen. Frissen introduceert vervolgens een deugdethiek om ons te behoeden voor modernistisch en ‘gulzig’ bestuur. Conservatisme verdient meer waardering, omdat die de niet-maakbaarheid van de samenleving erkent, de individuele vrijheid en een realistisch mensbeeld het beste intellectueel waarborgt en het potentiele gevaar van de staat het scherpst inziet. Tegenover de politiek van hoop en idealen, staat de politiek van scepsis en ironie. Dat zijn houdingen die leren om te gaan met de tragiek en ons bewaren voor megalomane utopische projecten.

    

Pijnlijke lessen, maar hoe nodig?

Frissen houdt politiek en bestuur een uiterst pijnlijke spiegel voor. We zijn geobsedeerd door maakbaarheid en kunnen (en willen) ons niet verzoenen met tragiek. Dat resulteert in een doldraaiende machinerie van beleidsinterventies. Ook geeft hij lessen in bescheiden bestuur. Frissen geeft met zijn analyse hoe populisme de politieke orde uitdaagt en dat politiek bij uitstek ook symbolisch is een voortreffelijke les aan politici in hoe ze (niet) moeten omgaan met populisme en wat de zwakte van hun eigen benadering is. Met fatalisme schetst Frissen een perspectief voor politiek en bestuur om te ontsnappen aan modernisme en populisme en om recht te doen aan de realiteit.

     De vraag is wel hoe nodig de hardheid van de lessen in fatalisme zijn. Ongetwijfeld is de politiek van verlossing en voltooiing hardnekkig en problematisch. In Frissens fatale kritiek blijft er echter wel heel weinig positieve erkenning voor het openbaar bestuur over. Het is onmiskenbaar dat de moderniteit veel goeds heeft gebracht. De kritiek is te ongenadig – om maar in de terminologie van verlossing en verzoening te blijven.

Is het christendom idealistisch?
Frissen stelt verder al te gemakkelijk het christelijke denken op een lijn met het modernistische denken. De modernistische politiek ziet hij als seculiere variant van het christendom, waarin het volmaakte niet voor het hiernamaals is, maar nu al realiseerbaar is. Dit doet geen recht aan het anti-utopische denken van het christendom. Christelijke denkers zijn altijd kritisch geweest op heilsverwachtingen voor deze aardse werkelijkheid door optreden van mensen en overheden. Bovendien biedt het christelijke denken bijzonder veel handvatten om met tragiek om te gaan, met de niet-maakbaarheid van de werkelijkheid. De hoop op het Koninkrijk van God, de erkenning van de gebrokenheid van de wereld door de zonde, de beperkte rol van de staat – het zijn allemaal perspectieven voor bescheiden bestuur. Dat Frissen daarin geen heil ziet is een keuze, maar het geeft weinig pas om dat in een rijtje met populisme en modernisme af te serveren. Fatalisme is dus niet het enige productieve perspectief.

 
Mandela
Kortom, de analyses zijn waardevoller dan de oplossingsrichting. Pleidooien voor ironie, scepticisme en fatalisme doen wel recht aan de menselijke conditie van tragiek en de gebroken werkelijkheid, maar geen recht aan het hoopvolle perspectief van herstel dat het evangelie aanreikt. Hoop leidt niet direct tot utopisch handelen en is ook niet altijd gevaarlijk – denk aan Mandela. De christelijke politiek heeft zijn eigen repertoire om bescheiden bestuur vorm te geven – als we de postmoderne kritiek nodig hebben om dat te herontdekken is dat pijnlijk en beschamend, maar wel de moeite waard.

 

Robert van Putten MSc is bestuurskundige en als gastonderzoeker verbonden aan het WI. Hij doet onderzoek naar de participatiesamenleving en overheidsoptreden.