Regeren in oorlogstijd

Door Guido Hooiveld


Van Gerbrandy wordt gezegd dat de bijbel en de jenever hem in Londen door de oorlog hebben getrokken. En wel in die volgorde. Afgelopen najaar verscheen van de hand van Cees Fasseur een biografie over deze oorlogspremier. De jenever komen we al op bladzijde 31 tegen, toen de tiener Pieter Sjoerds Gerbrandy enkele glaasjes had genuttigd na een schaatstocht en bijna van zijn internaat werd verwijderd vanwege dronkenschap. Later bleek het jenevervocht een band te scheppen met een andere regeringsleider die niet vies was van een dagelijkse borrel, Winston Churchill.


Geloof en moed
De andere steunpilaar tijdens de oorlog, de bijbel, of anders gezegd het geloof, komt met regelmaat terug in de biografie. Dat kan ook moeilijk anders. Het fundament van Gerbrandy’s leven werd gevormd door het geloof in Jezus Christus. Hij las dagelijks de bijbel en dit boek was voor hem, zoals Fasseur psalm 119 nazegt, een lamp voor de voet en een licht op zijn pad. Het geloof had Gerbrandy van huis uit meegekregen. Hij groeide op in een typisch gereformeerd milieu. In de ouderlijke boekenkast stond Ons Program, de politieke visie van de Antirevolutionaire Partij (ARP) geschreven door haar leider Abraham Kuyper. Gerbrandy’s vader was voor de ARP wethouder en lid van de Friese Provinciale Staten. In dit plaatje paste ook helemaal dat Pieter Sjoerds aan de Vrije Universiteit ging studeren, één van de bolwerken van de gereformeerde zuil. Zijn vertrouwen op God zorgde er, naast persoonlijke moed, voor dat hij tijdens zijn Londense tijd niet bang was voor de Duitse bombardementen op de Britse hoofdstad. ‘Omdat ik klein van gestalte ben is de kans dat ze me raken toch klein’, zei de Nederlandse minister-president, om te vervolgen: ‘En voor het overige: wat zou ik me zorgen maken? De Lieve Heer zorgt voor mij.’


Tegen Colijn in
Eigen meester, niemands knecht is de hoofdtitel van het boek. Deze persoonsschets van Gerbrandy heeft zich in de eerste plaats laten gelden in zijn verhouding met de ARP. Voor deze partij werd hij in 1920 lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland. Twee jaar later trad hij toe tot het Centraal Comité (het dagelijks bestuur) van de ARP. Daarna stokte voorlopig zijn politieke carrière. Zijn standpunten die sterk afweken van die van de conservatieve hoofdstroom van de ARP, waren hier wellicht debet aan. Gerbrandy kwam op voor de verbetering van de positie van de arbeider en was voorstander van medezeggenschap in bedrijven en het vrouwenkiesrecht. Zo kreeg hij binnen zijn partij een links en dwars imago. Hendrikus Colijn, de partijleider van de antirevolutionairen in het interbellum, gaf hem in 1928 het advies om in het belang van zijn politieke toekomst zijn progressieve opvattingen te matigen. Uiteraard sloeg deze eigenzinnige politicus de raad van Colijn in de wind.


Hoogleraar
De jurist Gerbrandy werd in 1930 hoogleraar burgerlijk recht aan de universiteit waaraan hij gestudeerd had. Ook aan de Vrije Universiteit liet hij blijken zijn eigen meester te zijn en niemands knecht. Naast zijn baan als hoogleraar grossierde hij in nevenfuncties waardoor een conflict ontstond met het college van directeuren. Toen Gerbandy door kabinetsformateur De Geer in 1939 werd gevraagd om minister van Justitie in zijn kabinet te worden, greep hij deze mogelijkheid om weg te komen bij de VU met beide handen aan.

Het kabinet-De Geer was de opvolger van het vijfde kabinet onder leiding van Colijn. Colijns ministersploeg was al na twee dagen door een motie van wantrouwen van de Tweede Kamer naar huis gestuurd. De Geer, lid van de Christelijke Historische Unie, kreeg toen de opdracht een nationaal kabinet te formeren. Omdat de druiven voor de antirevolutionairen zuur waren, weigerden zij elke medewerking aan de formatiepoging van De Geer. Groot was dan ook de woede binnen de ARP toen bekend werd dat Gerbrandy zonder te overleggen met de partijleiding tot het kabinet onder leiding van De Geer was toegetreden. De reacties logen er niet om. De wrok binnen de ARP was zo groot dat ze hem na de oversteek van het kabinet-De Geer naar Londen in de meidagen van 1940 schrapte als lid. Hij was vertrokken zonder een adres achter te laten, was de gezochte en bijna hilarische redenering. Nederland echter mocht zich (volgens Fasseur) gelukkig prijzen dat Gerbrandy de woede van zijn politieke geestverwanten trotseerde voor zijn ministerambt. Het kreeg in Gerbrandy vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ‘een minister die meer dan wie ook van zijn ambtgenoten bij uitstek op zijn plaats was in de memorabele jaren van Londense ballingschap.’       
 

Minister-president in Londen
De Geer was als regeringsleider van een land in oorlog een ramp. Hij toonde een defaitistische houding en wilde los van de bondgenoten onderhandelen met Hitler. Gerbrandy was in het kabinet de felste tegenstander van De Geer. Toen koningin Wilhelmina hem de wacht aanzegde, werd de strijdbare Gerbrandy vervolgens door haar met de formatieopdracht belast. Hij formeerde een nieuw kabinet waar hij zelf minister-president van werd. Volgens Fasseur had Wilhelmina geen betere beslissing kunnen nemen dan Gerbrandy de functie van minister-president aan te bieden (ook al bleek de relatie tussen beiden bijzonder moeizaam). Geen enkele andere Nederlander was op dat moment meer geschikt voor deze functie dan hij. Weliswaar schoot hij tekort als leider van het kabinet, maar Gerbrandy geloofde, aldus Fasseur, rotsvast ‘in de rechtvaardigheid van de Nederlandse zaak’ en had een ‘onwankelbaar geloof in de uiteindelijke overwinning’ op Hitler. Daarmee gaf hij ‘zijn omgeving en vervolgens het Nederlandse volk nieuwe moed’.

Een kleine twee maanden na de bevrijding trad het tweede kabinet Gerbrandy af. Gerbrandy werd in 1948 lid van de Tweede Kamer. Opnieuw toonde hij zich eigenzinnig: fractiediscipline was niet aan hem besteed. Politieke invloed had hij echter nauwelijks meer. Het kon het grote publiek allemaal niet deren. Zijn reputatie als strijdbaar oorlogspremier deed hem tot zijn dood in 1961 bij het Nederlandse volk ongekend populair zijn.


Liefdevol
De biografie van de hand van Cees Fasseur leest als een trein. Hij neemt je als biograaf bij de hand en loodst je door het leven van Gerbrandy, zonder daarbij hinderlijk aanwezig te zijn. Het portret dat Fasseur van Gerbrandy schetst, zou ik wil aanduiden als liefdevol. Ik kan me bijna niet aan de indruk onttrekken dat Fasseur iets van zichzelf in Gerbrandy heeft herkend. Evenals Gerbrandy is Fasseur klein van gestalte en heeft hij een markant uiterlijk. Gerbrandy had een niet alledaagse loopbaan, Fasseur ook niet. Mocht Fasseur een gelijkenis tussen hem en Gerbrandy hebben gezien, dan is dat de biografie zeker ten goede gekomen.   


Cees Fasseur
Eigen meester, niemands knecht. Het leven van Pieter Sjoerds Gerbrandy, Minister-president van Nederland in de Tweede Wereldoorlog
606 blz.
Uitgeverij Balans, 2014.       

 

Guido Hooiveld is historicus en beleidsmedewerker maatschappelijke ontwikkeling bij de gemeente Oldebroek.