Over het huis van de democratie en zijn bewoners

Alex Brenninkmeijer laat graag zijn licht schijnen over de toestand van de democratie. Dat deed hij voorheen als Nationale Ombudsman en nu als hoogleraar. Brenninkmeijer is een beminnelijk man maar zijn boodschap liegt er niet om: het gaat goed met het huis van de democratie, maar minder met de bewoners van dat huis, politici en politieke partijen. Stelselwijzigingen kunnen helpen maar belangrijker nog is dat we allemaal iets meer moreel leiderschap vertonen.

Staatscommissie Remkes buigt zich in haar eindrapport over het functioneren van de democratie in Nederland. Hoe vindt u dat het daarmee gaat? 
“Het gaat heel goed met de democratie in Nederland. Het Sociaal en Cultureel Planbureau meet elk kwartaal de steun voor de democratie en die is in Nederland meer dan 95 procent. Dat is een heel goed resultaat. Maar ik maak altijd onderscheid tussen democratie en politiek, want met de politiek gaat niet goed. De waardering voor politici en het vertrouwen in politici en politieke partijen is laag en neemt structureel af. Dat vind ik zorgwekkend. De democratie kun je vergelijken met een huis, of zelfs met een tempel. Politici en politieke partijen zijn de bewoners van het huis van de democratie. Daarin kunnen ze zich goed of slecht gedragen. Men kan zich ook zeer slecht gedragen; denk even terug aan de Algemene Politieke Beschouwingen 2018.”

Bedoelt u dan het taalgebruik?
“Meer dan dat. De taal was, los van “rot op”, niet zo heel verschrikkelijk. Maar luister eens naar wat er gezegd werd. Mijn analyse gaat niet alleen over dat debat,  in de breedte constateer ik dat de politiek niet goed functioneert.  Ik maak me zorgen over de onafhankelijke controlerende rol van het parlement als volksvertegenwoordiging. De regeerakkoorden vormen een knellend verband nu meerderheidsvorming zo lastig  is geworden. Als een coalitie uit twee partijen met samen negentig zetels bestaat, dan is er wel wat vrijheid mogelijk. Maar nu telt elke stem. Daarbij speelt ook mee dat politieke partijen zich moeilijk van elkaar kunnen onderscheiden. Daardoor bewegen ze zich meer richting marketing. De marketing, het verkopen van standpunten  en beleid, gaat boven inhoudelijke, democratische discussies.”

Hoe kan het dat politici zo’n laag vertrouwen genieten zonder dat dit het vertrouwen in de democratie lijkt aan te tasten?
“Dat heeft te maken met de ideeën die men heeft bij democratie. Democratie wordt door mensen gezien als ‘vrijheid’ en als ‘invloed hebben op wat er gebeurt’. Die vrijheid is ook weer gebaseerd op die inspraak. Democratie is daarbij natuurlijk veel meer dan wat  er in Den Haag gebeurt. Onze hele samenleving is democratisch; wij denken hoofdzakelijk democratisch. We bevinden ons in een levende democratie waar het ideaal van democratie sterk is. Maar het is de vraag of politici in die huidige context, vooral in Den Haag, in staat zijn een rol te vervullen die dit ondersteunt. Daar twijfelen steeds meer mensen aan. Ze zien een spel, een ritueel zonder argumenten. De discussie rond de afschaffing van de dividendbelasting maakt dat zichtbaar. Vanuit de samenleving klonk de roep om een inhoudelijk, open debat terwijl uiteindelijk iedereen wist: het is beslist, en gebeurt op basis van een krappe meerderheid. Dat doet enorm afbreuk aan het beeld dat mensen hebben van een goed functionerende democratie.”

Was dit vroeger dan anders?
“Waardering voor de politiek gaat op en neer en heeft een dagkoers: bij een groeiende economie is er meer vertrouwen en bij een stagnerende economie neemt het vertrouwen af. Maar er treden ook structurele veranderingen op die het vertrouwen doen afnemen. Ik had het over de marketingbenadering van veel politieke partijen. Daarin is het niet: wij hebben een ideaal en dragen dat uit, maar: we proberen in de media te komen met punten waarvan we denken dat ze bepaalde groepen kiezers trekken. Dat element hoort wel een beetje bij ons systeem, maar nu wordt het wel heel bont gemaakt. Het effectbejag lijkt vaak het belangrijkste. Politici hebben de neiging het intellect van de kiezer te onderschatten. De kiezer voelt heus wel aan of iets deugt of niet.”

Er is een gezegde dat stelt: een volk krijgt de leiders die het verdient.
“Nee, daar geloof ik niet in.”

Is het dan de schuld van politici?
“Ik denk niet in termen van schuld. Dat beeld past helemaal niet. Het gaat om systeem waarin politici systeemgedrag gaan vertonen. Als ik daar zat, zou ik dat ook doen.”

Wat doen digitale media met onze democratie?
“Die hebben een enorm effect. Alles is zichtbaar. Media willen aandacht: aandacht zorgt voor lezers, luisteraars, kijkers een klikkers. De clicks hebben op dit moment de economische waarde. Dat betekent dat alles wordt gedaan om die te krijgen. De interactie met politiek op dit punt werkt heel slecht.”

Is politiek dan commercieel geworden?
“Het absurde en het afwijkende zijn altijd mainstream in de media. Dat leidt ertoe dat politici die iets absurds, geks of dwaas zeggen, de aandacht krijgen. Voor een gewoon goede politieke discussie is veel minder aandacht. Volgens mij zien mensen dat. De gevolgen? Veel mensen stemmen niet. Er zijn er die zich niet verkiesbaar stellen. De aanhang voor politieke partijen is te beperkt; dat zie je als je de lijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen vol probeert te krijgen. Doordat mensen zich van de politiek afkeren, treedt er een enorme verarming op in het politieke bedrijf. Vele bekwame mensen gaan met reden niet in de politiek: omdat ze zich niet in die arena willen begeven.”

U hebt die wereld van dichtbij meegemaakt. Hoe kwam die op u over?
“Zeker, als rechter, hoogleraar bestuursrecht en ook als ombudsman. Het is een wereld die op zichzelf staat. Ik benader de politiek graag vanuit de systeemtheorie. Het gaat me niet om de onderdeeltjes, maar om het systeem en de dynamiek daarin. Het systeem heeft een eigen kracht en als je daarin wandelt, gaat het systeem gewoon door. Om iets te veranderen, moet een systeeminterventie plaatsvinden. Je kunt niet zomaar binnenwandelen en zeggen: “misschien moeten we of x of y eens bediscussiëren”. Het systeem in Den Haag is sterk op macht en geld georiënteerd. Als ombudsman riep ik steeds: “maar burgers vinden waarden belangrijker. Het verschilt wel welke waarden, maar kunnen jullie meer aandacht besteden aan waarden in verbinding met burgers.” Het kwartaalbericht van het SCP brengt altijd naar voren: hoe we met elkaar omgaan, daar zijn we trots en op en daar maken we ons zorgen over. Richt je daar dan op, als politiek.”

Staatscommissie parlementair stelsel denkt na over stelselwijzigingen om de democratie te versterken. Hebt u daar ideeën voor?
“Sterker nog, die heb ik ook meegegeven aan de commissie, bij een inspiratielunch. Tijdens hun broodjes heb ik verteld wat ik vond. En dat is: hef de Eerste Kamer op. Dat vond Thorbecke overigens ook al. Ik kom tot dat advies door te kijken naar het constitutioneel stelsel en de functies die daarin vervuld moeten worden. In dat stelsel is de toegevoegde waarde van de Eerste Kamer beperkt.

Het is nodig dat de partijen inhoudelijk en diepgaand in debat gaan en daarbij afstand nemen van gevestigde posities en gevestigde belangen. Het afschaffen van de Eerste Kamer vraagt daarin nogal wat: de Eerste Kamer gaat uiteindelijk zelf over haar afschaffing. Wat we juist missen in het stelsel is constitutionele rechtsspraak. Belangrijker nog dan dit soort wijzigingen vind ik het zoeken naar een evenwicht tussen de representatieve democratie, het stelsel met partijen, en de participatieve deliberatie democratie. Daar wordt over de hele wereld mee geworsteld. We moeten iets doen om meer te profiteren van participatie en deliberatie en dat moet aanvullend zijn op de representatieve democratie. Nu lijkt het of alles via de representatieve democratie moet gebeuren. Maar dat lukt niet en leidt tot wantrouwen in de samenleving.”

Eerder noemde u hoe belangrijk de controlerende functie van het parlement is. Hebt u concrete aanbevelingen om die controlefunctie te versterken?
“Het gebeurt te vaak dat een Kamerlid met Kamervragen komt en dat hij of zij dan aan de minister vraagt: “wilt u dat laten onderzoeken?” Dat moet niet meer gebeuren. Die hele lawine van Kamervragen en spoeddebatten moet afgeschaft worden. Wist u dat er voor spoeddebatten een wachttijd van een half jaar is? In plaats daarvan moet de Kamer een strategische onderzoeksagenda ontwikkelen. Vervolgens moet niet de minister, maar de Kamer zelf onderzoek uit laten voeren. Dan ontstaat er gelijkheid in kennis. Nu wordt er te veel gesleuteld aan de uitkomsten van onderzoek, door ministers en ambtenaren. Richt een onderzoeksbureau in met, zeg, vierhonderd mensen. Geef als Kamer een onderzoeksvraag mee.”

Maar er zijn al zoveel instituten: Rekenkamers, de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid, het SCP, de Ombudsman, de Raad van State.
“Als er maar naar geluisterd werd… De Raad van State kan terecht klagen dat heel veel adviezen gewoon in de wind geslagen worden. Bovendien is het onjuist dat in dat soort instituten als de Rekenkamer en de Raad van State ook politieke benoemen plaatsvinden. Dat geldt voor al dat soort instanties. Ik wil geen mensen tekort doen; maar het systeem vind ik vreemd. Hoeveel procent van de bevolking is lid van een politieke partij? Tweeënhalf procent. Als benoemingen uit dat segment moeten komen, heb je dan de beste mensen?”

U noemt de rol van coalitiepartijen die te dicht op de regering zitten ‘verkleving van de macht’. De ChristenUnie zit in de coalitie. Wat wilt u ons als coalitiepartij op dat punt meegeven?
“Die vraag gaat over een beperkte tijd: de periode dat de ChristenUnie in de coalitie zit. Ik vraag me af of de ChristenUnie vanuit die positie echt iets kan doen aan het grote systeem dat ik schetste. Voor kiezers is het heel bevredigend wanneer, ondanks coalitiedeelname, er toch een redelijk en begrijpelijk verhaal naar voren komt over belangrijke onderwerpen. Coalitiepartijen moeten oppassen niet alleen met een vrome verpakking van het resultaat van de kabinetsformatie te komen. In plaats daarvan moeten ze blijven bijdragen aan het publieke debat over wat actueel speelt. Voor een fractieleider van een regeringspartij geldt: blijf ook het gezicht van je partij; een partij met een eigen verhaal. Dat verhaal mag nooit ten onder gaan in het coalitierumoer.”

Staatscommissie parlementair stelsel schrijft in de Tussenrapportage dat er gewerkt moet worden aan de weerbaarheid van de democratie. Daarbij gaat het om de weerbaarheid tegen antidemocratische krachten. In het Regeerakkoord en in de tussenstand van de commissie wordt dit vormgegeven als een verbod op antidemocratische partijen. Hoe kijkt u daartegenaan?
“Antidemocratische krachten kun je niet tegengaan met juridische middelen. In analyses van het afglijden van democratieën zie je dat die uitholling of afschaffing niet via formele kanalen verloopt. Het lijkt me prima om het burgerlijk wetboek symbolisch aan te passen, maar je zult zien dat als het er echt toe doet, het heel moeilijk wordt die bepaling toe te passen. Je kunt het dus wel doen, maar ik geloof niet dat het een oplossing is.”

Uw nieuwe boek Moreel leiderschap verschijnt begin volgend jaar. Welke eigenschappen en deugden hebben politici nodig?
“Een boek is moeilijk samen te vatten in een kort antwoord. Maar als ik echt naar de kern moet, dan gaat het over luisteren. Luisteren in plaats van spreken.”

Hangt de toekomst van de democratie af van de kwaliteit van leiderschap?
“Volgens mij is er sprake van erosie, een geleidelijk proces van afbrokkeling. De gevolgen daarvan kan niemand voorzien. De leiderschapsvraag is: hoe kunnen we, gegeven de moderne samenleving, moderne vormen van communicatie en gegeven globale ontwikkelingen in geopolitiek, migratie en klimaatverandering, in de Nederlandse context met elkaar goede keuzes maken? In het boek behandel ik een fragment uit de film over Nelson Mandela, Invictus. Als hij verkozen is en het presidentiële paleis binnenloopt, zijn de witte medewerkers aan het inpakken. Hij loopt naar binnen, ziet dat, en roept iedereen samen. Hij zegt: “Dames en heren, wij staan voor een heel moeilijk taak, we moeten een nieuwe samenleving opbouwen, nu. Denkt u dat u daar een bijdrage aan kunt leveren, blijf dan!” Dat vind ik een voorbeeld van moreel leiderschap. We zien te vaak dat mensen die een eventuele leidersrol zouden kunnen vervullen, eerder neergehaald dan aangemoedigd worden. Het gaat trouwens niet om één figuur die ons zou moeten leiden. Mijn stelling luidt: zou iedereen maar een beetje meer moreel leider worden, dan krijgen we een betere samenleving.”

Is dat belangrijker dan stelselwijzigingen in ons democratische systeem?
“Als je prioriteiten moet stellen, absoluut!”


Prof. dr. Alex Brenninkmeijer was van 2005 tot en met 2013 Nationale Ombudsman. Nu is hij lid van de Europese Rekenkamer en faculteitshoogleraar Institutionele aspecten van de rechtsstaat aan de Universiteit Utrecht. Komend voorjaar verschijnt zijn nieuwe boek Moreel leiderschap.


Meer over dit thema? Lees de andere artikelen uit dit nummer van Groen of bestel deze editie