Toen Israël een kind was, hield ik van hem

Israël vierde dit jaar zijn zeventigste verjaardag. Een jonge natie, die nog altijd in zijn bestaan wordt bedreigd. ‘Het beloofde land’ wordt door de Verenigde Staten door dik en dun gesteund. En niet alleen politiek, maar ook financieel. Dat is een verkeerd signaal en brengt vrede niet dichterbij.

Bij het opruimen van op zolder achtergebleven verhuisdozen vond ik ‘m onlangs terug, het omslag van het Britse weekblad The Economist, verschenen bij het veertigjarig bestaan van Israël. Je ziet een slapende, jonge soldaat, liggend op een muurtje. Een bijna engelachtig beeld, ondanks het geweer op zijn heup. Met als covertekst die ene zin van de profeet: When Israel was a child, then I loved him. (Hosea 11: 1).

Dit voorjaar was ik er en maakte het staartje mee van de viering van het zeventigjarig bestaan. Na de eerste keer in de jaren zeventig was ik er nog nooit zo lang niet geweest. Een jaar of tien meende ik, maar de douanebeambte wist het beter: “U was hier veertien jaar geleden voor het laatst en toen bent u ook naar Egypte geweest.” Belangrijke parate kennis voor een land met een begrijpelijke obsessie voor veiligheid.

Het was die obsessie die me jaren geleden deed besluiten om er niet te gaan werken en nog weer later om er een tijd weg te blijven. Het jubileum markeert immers ook zeventig jaar gewapende strijd om een veilig bestaan. Met, onder veel meer, ook als keerzijde het onaangename gezelschap van groeiend cynisme en hedonisme.

Je wenst elkaar vele keren op een dag shalom, maar vrede is ver weg en in plaats daarvan gaat het uitzichtloos over nieuwe narigheid en oeverloos over de schuldvraag. Israël is een bezettende macht die internationale verdragen schendt; Palestijnen en de Arabieren zijn onverzettelijk in hun weigering Israël te erkennen en naar erkenning te handelen.

Blinde haat, blinde liefde
Israël kan globaal drie dingen doen. Het kan de nederzettingen ontmantelen en terugkeren naar de grenzen van 1967 in ruil voor vrede en een realistische regeling voor het recht op terugkeer van de bij de stichting van de staat verdreven en gevluchte Arabieren en Palestijnen. Het kan dat laten met het gevaar dat Joden op termijn hun demografische meerderheid verliezen. De nieuwe basiswet die de niet-joden een mindere positie gunt, houdt de te verwachten tegenkracht van een Arabisch/Palestijnse meerderheid niet tegen.

Vooralsnog is geen van deze twee varianten aan de orde en wijst alles erop dat Israël kiest voor de derde optie. Die brengt de achtergebleven Palestijnen en Arabieren verder in het nauw doordat de bestaande nederzettingen in omvang te groeien. Dat is de facto hetzelfde als nieuwe nederzettingen bouwen.

De posities van beide partijen zijn in feite al jaren in gewapend beton gegoten. Over hoe de impasse te doorbreken hebben veel (on) verstandige mensen zich het hoofd gebroken en zijn daarop weer door andere (on) verstandige mensen aangesproken met soms iets te snel opgeschreven verwijten van vooringenomen (blinde) liefde of (blinde) haat.

Democratische waarden versus de werkelijkheid
Links en rechts zijn al enige tijd geen handzame begrippen meer, maar in het Midden-Oostendebat waren ze dat eigenlijk nooit. Als het over ‘kampen’ of, in dit verband wat minder beladen, ‘vleugels’ in de discussie gaat, behoor ik, hopelijk niet al te verblind, tot de ‘liefdes-vleugel’ en wil ik me hier beperken tot de Israëlische positie.

Voor die vleugel is het uitgangspunt dat een democratische staat te midden van een vijandige ondemocratische omgeving te allen tijde steun verdient. Wij delen dezelfde waarden en willen die verdedigen en liefst verbreiden. Dat lijkt eenvoudiger dan het is. In de praktijk kent het begrip democratie een dermate veelkleurige verschijningsvorm dat het allang niet meer het eenduidige kwaliteitskenmerk is, waar je je zonder bedenkingen op kunt verlaten. Dat geldt voor een aantal landen binnen de Europese Unie, maar dat geldt zeker ook voor Israël. Hoe kan het dat een democratie in een conflict met zijn buren kiest voor een mate van onverzettelijkheid, die een aantasting betekent van de democratische waarden waarop de natie gestoeld is?

Een voor de hand liggende verklaring is natuurlijk de lange geschiedenis van uitsluiting en vervolging van Joden met de Shoah als dieptepunt. Veel Israëli’s leven nog altijd met het beeld dat de Europese joden zich als makke schappen naar de gaskamers hebben laten wegvoeren. ’Nie wieder’ is voor hen: nooit meer slappe knieën. Filosofe Hanna Arendt benadrukte echter in haar verslag van het Eichmanproces dat het voor een goed begrip van ‘de banaliteit van het kwaad’ niet zo zeer gaat om het afschuwelijke van de vernietiging van de Joden, maar dat die vernietiging er zo weinig toe deed. Dat iemand als Eichmann, aldus Arendt, zich zo conformeerde aan zijn opdracht, dat hij ophield met zelf te denken, en zijn geweten uitschakelde. Of in het verband van Israël: hoe kan een land dat zijn bestaan aan het internationale recht heeft te danken, datzelfde recht zo met voeten treden door de rol van bezetter aan te nemen?

Eigen weg
Rabbijn Tamarah Benima wees een tijdje terug in het Nieuw Israelitisch Weekblad1 op een toepasselijke karakteristiek uit de Tenach (Bemidbar/Numeri 23.9): ‘Het Joodse volk denkt over zichzelf niet in termen van andere volkeren.’ Het laat met andere woorden zijn zelfbeeld, niet door de denkbeelden van andere volkeren bepalen en gaat zijn eigen weg.

Die eigen weg is ook in het geseculariseerde Israël nog altijd de mitswot, de 613 leefregels uit de Thora. Voor de stichters van de staat was het aan de mitswot ontleende principe van sociale rechtvaardigheid de hoeksteen van de Israëlisch samenleving. Die leefregels stonden volgens veel ook niet-religieuze Joden aan de wieg van wat eeuwen later de Universele Verklaring van de Mensenrechten zou worden.

De op de mitswot geïnspireerde eigen weg leidt tot verbazing en applaus in het geval van de openstelling van ziekenhuizen voor zieke en gewonde kinderen van zijn vijanden, een praktijk waarmee Israël ruim voorbij gaat aan de afspraken in het oorlogsrecht. Dat geldt ook voor de ruil van duizend Palestijnse gevangenen voor slechts één Israëlisch soldaat en voor de reddingsactie van de Witte Helmen uit Syrië.

Israël weet bovendien uit zijn eigen geschiedenis wat het is om van huis en haard en geboortegrond verdreven te woorden. Het overkwam bijna een miljoen Joden die na de oprichting van Israël uit Arabische landen werden gezet en sinds vier jaar ook eindelijk jaarlijks op 20 november worden herdacht.

Opnieuw beginnen, zonder infuus
De eigen weg die achtereenvolgende kabinetten sinds de bezetting van 1967 volgen, is in de leefregels niet terug te vinden. Die keuze is in strijd met de op Leviticus en Exodus gebaseerde leefregels (267 t/m 277) waarin het eigendomsrecht is vastgelegd. Hoe kan het dat Israëls eigen weg zulke tegenstrijdigheden oplevert? Om met Arendt te spreken: de banaliteit van het kwaad zit er niet zozeer in dat Israël als bezettende macht historisch gezien in een dubieus rijtje landen terecht is gekomen, maar dat dat er in eigen land en daarbuiten zo weinig toe blijkt te doen.

Dat valt alleen te verklaren door te beseffen dat Israël er in weerwil van het gevoelen van menigeen in de ‘liefdes-vleugel’ juist niet alleen voorstaat

De Verenigde Staten zijn met hun miljardensteun hoofdsponsor van Israël. Het is een bijna blanco cheque van 3,5 miljard dollar per jaar met als enige voorwaarde dat het wordt gebruikt voor aankopen bij de Amerikaanse wapenindustrie. Dat grote wederzijdse belang is als een infuus waarmee het vredesproces in coma wordt gehouden. Zolang die mede door de Joodse gemeenschap in de VS afgedwongen steun niet aan voorwaarden wordt gebonden, is er geen perspectief op vrede.

Er is in Amerikaans-Joodse kring echter een begin van een kentering gaande sinds de verplaatsing van de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem. Met die omstreden verplaatsing is de twee-statenoplossing met Jeruzalem als gedeelde hoofdstad nog denkbeeldiger geworden dan ze nu al is.

De Joodse gemeenschap stemt weliswaar voor driekwart Democratisch, maar steunde tot voor kort in ruime meerderheid de conservatieve koers van het huidige kabinet Netanyahu. De verplaatsing van de ambassade wordt daarentegen nog niet door de helft van Amerikaanse Joden gesteund.2

Van grenzen naar leefregels
Het zijn trouwens niet alleen Joodse, maar ook christelijke gemeenschappen die hun liefde voor Israël op een funeste manier praktiseren. Met de Bijbel in de hand is iedere discussie over hoe het tij te keren in die kringen taboe. En dat terwijl over de grenzen van het Beloofde Land in de Bijbel vrijwel niet wordt gerept, maar over de leefregels en de omgang met naasten zoveel te meer.

Ondanks machteloze Palestijnen en afwachtende Arabische buurlanden is Israël zijn bestaan nog allerminst zeker. Met zijn zeventig jaar is het een piepjonge natie die ook weer kan verdwijnen als partijen elkaar niet weten te vinden. Vooralsnog investeert Israël met zijn desastreuse politiek veel in de eigen ondergang.

Andersoortige steun van buitenaf kan een bijdrage leveren aan het doorbreken van de impasse en oude trauma’s met hoop en vertrouwen adresseren. Zo leert bijvoorbeeld de oplossing van het ook jaren gesponsorde conflict in Ulster. Pas toen president Clinton de lobby van de Ierse gemeenschap in de VS trotseerde en de illegale financiering vanuit Amerika wist te stoppen, had de IRA geen andere keus meer dan zijn onverzettelijkheid te staken.

Het is nooit te laat. Het jodendom geeft de ruimte om elke dag opnieuw te beginnen. De boodschap van Hosea 11 is dat je van een kind onvoorwaardelijk kunt houden, maar dat er voor volwassenen meer bij komt kijken. 


Ton van Brussel is oud-directeur van debatcentrum de Rode Hoed, oud-columnist van het Nieuw Israëlitisch Weekblad en oud-bestuurslid van The Jerusalem Foundation.


Noten:
1. T. Benima, (11 juli 2018). Nadenken over onzelf. Nieuw Israëlitisch Weekblad.

2.J. Maltz, (10 juni 2018). American, Israeli Jews Sharply Divided Over Trump, Western Wall and Settlements, Survey Shows. Haaretz.