Ontheemding en het verlangen naar een thuis in deze tijd

Met haar Mr. G. Groen van Prinstererlezing Heimat, Angst voor ontheemding en verlangen naar veiligheid heeft prof. Beatrice de Graaf de vraag naar het ‘thuis’ van de mens weer op de agenda gezet. Ze deed dat tegen de achtergrond van vervreemding en gevaar.1 Uit haar lezing blijkt hoezeer dit ‘thuis’ met ruimte en tijd te maken heeft, met het huis en de woonomgeving, met relaties en herinneringen. In dit artikel wordt dit perspectief verder gedacht langs de lijnen van de architectuur en stedenbouw. Want speelt het fysieke huis en de ruimtelijke opzet van een woonwijk ook een rol in dit thuis-kunnen-zijn in deze wereld? En zo ja, wat kunnen ontwerpers en beleidsmakers doen?

Het verlangen naar een thuis
Voordat we deze vragen oppakken moeten we eerst vaststellen dat thuisloosheid behoort tot het mens-zijn. We verlangen ernaar thuis te zijn, ons te verbinden, te settelen. Het verlangen laat zien dat dit behoort tot het mens-zijn, maar ook dat de wereld daar niet onmiddellijk voor geschikt is. Dit niet-thuis-zijn is een fundamenteel thema in de Bijbel dat zich uitstrekt van het allereerste begin, de verdrijving uit het paradijs, tot aan de laatste bladzijden, de belofte van de nieuwe aarde, de nieuwe hemel en God die tussen de mensen zal wonen. Dat is een herhaling van de belofte uit Exodus, waarin God het volk op drift belooft tussen hen te zullen wonen in het land vloeiende van melk en honing (Exodus 29:45-56).2 ‘Wonen’ is misschien voor ons een heel gewoon woord, maar als we bedenken dat het echt gaat om je ergens te vestigen, ergens aarden, een plaats je eigen maken, dan opent zich hier toch een bijzonder perspectief.3 Bijzonder omdat in het wonen natuurlijk niet het uitzonderlijke maar juist het alledaagse centraal staat. Hoe bijzonder is het dat God juist tussen de mensen wil wonen, centraal in het alledaagse bestaan? Omgekeerd is het kunnen wonen iets dat regelmatig Gods beloften door de hele Bijbel heen een rol speelt. Wie zich aan Gods geboden houdt, zeker (veilig) wonen zal (Leviticus 25:19). Zelfs vindt de mus een huis, en weet de zwaluw zich te nestelen bij Gods altaren, zingt Psalm 84: zalig die wonen in Gods huis! Het is dan ook veelzeggend dat over Jezus – God zelf die op de aarde komt – wordt geschreven dat hij niet eens een plaats had om zijn hoofd op te leggen (Mattheus 8:20).

Ook in andere religies en binnen het veld van de filosofie is ontheemding een centraal thema. Ongetwijfeld is het gevoel van thuisloosheid versterkt door de industrialisatie, de grootschalige moderniseringsprocessen, de opkomst van de massamaatschappij, en meer recent de globalisering, nog afgezien van het proces van secularisatie. Immers, al deze ontwikkelingen leiden tot een duidelijke versnelling van veranderingsprocessen van de wereld om ons heen en de afbraak van lokale en vertrouwde netwerken en daarmee een sterkere onthechting van de plaatsen waar we opgroeien, leven, werken, sterven.4 De Amerikaanse literatuurcriticus Marshall Berman heeft er in zijn boek All That is Solid Melts Into Air een intrigerende definitie gegeven van deze ervaring van moderniteit: ‘To be modern is to find ourselves in an environment that promises us adventure, power, joy, growth, transformation of ourselves and the world – and at the same time, that threatens to destroy everything we have, everything we know, everything we are.’5 Moderniteit is een paradoxale ervaring van zowel fundamentele onthechting en onzekerheid, als ook optimisme over nieuwe kansen en mogelijkheden. Beide ervaringen strijden om voorrang. In tijden van onzekerheid viert echter het pessimisme hoogtij, en daarmee ook het verlangen naar het vertrouwde. Dat is precies wat we vandaag de dag zien. De onzekerheden nemen toe in economische, culturele en sociale zin. Daar komt het gevoel van onveiligheid, dat De Graaf in haar lezing beschrijft, bovenop. Het kwaad is opgedoken in onze straten, stelt ze, refererend aan aanslagen en terrorisme in Europa, haar onderzoeksterrein. En als het niet letterlijk in onze straat is, dan wordt het wel besproken in blogs, schrijven de kranten erover, zien we het op Youtube.6 Geconfronteerd met migrantenstromen klinkt bovendien de roep om de grenzen te sluiten, de eigen cultuur te benadrukken en onorthodoxe maatregelen om het gevaar te beteugelen. De Graaf toont zich terecht huiverig voor een technocratische oplossing voor dit gevaar. Gevaar uitsluiten is niet mogelijk, tenzij ten koste van de democratie, van onze eigen Westerse (en zeker ook christelijke) waarden.7

Thuis zijn
Geen technocratische oplossing, dus, maar De Graaf wil wel nadenken over hoe we ons thuis kunnen voelen in een wereld in verandering. Het is tegen deze achtergrond dat De Graaf het begrip Heimat ter sprake brengt. Die heimat heeft ruimtelijke componenten, zo laat De Graaf al zien in haar lezing. Uit onderzoek blijkt dat gemiddeld de mens blijvend verbonden is met de plaats waar hij is opgegroeid.8 Soms wordt een oplossing gezocht in het eenvoudiger leven op het platteland, inclusief de daarbij behorende afkeer van de grote stad.9 Dergelijke nostalgie gaat overigens aan de stad ook niet voorbij, gezien de opkomst en populariteit van authentieke boerenmarkten, lokale producten in supermarkten en initiatieven als urban farming. Maar de Graaf noemt meer: ook lokale voorzieningen, zoals buurthuizen, kerken en moskeeën, spelen een belangrijke rol: daar leert men de weg in de buurt kennen en ontmoet men anderen uit de eigen omgeving.10

Alle reden dus om architectuur11 hier ter sprake te brengen. Allereerst om dat de gebouwde omgeving het thuis-kunnen-zijn behoorlijk in de weg kan zitten. Lange tijd was bijvoorbeeld de Bijlmermeer in Amsterdam het voorbeeld van de combinatie van goede bedoelingen en onbewoonbaarheid.12 Enorme betonnen flats in een anoniem landschap – niets om je aan te hechten. Zo doen we het nooit meer. Toch is dit voorbeeld misschien wel de bevestiging van de kracht van de mens om zelfs in onherbergzaam gebied te kunnen aarden. De bewoners richtten hun flat en balkon in, zetten een plant in het portaal, legden een mat voor de voordeur, et voilá: een thuis.13 Ondanks deze souplesse van de menselijke geest kunnen we de architectuur van de wijk niet terzijde schuiven. Het maakt uit of je opgroeit in De Bijlmer, het centrum van Utrecht of aan de rand van Putten (om te beginnen al fysiek, met betrekking tot het gebruik van de auto). Eerst vormen wij onze gebouwen, daarna vormen de gebouwen ons, aldus een gevleugelde uitspraak van Winston Churchill.14 Met een mooi woord zouden we kunnen zeggen dat de gebouwde omgeving de mens conditioneert.15 Bovendien, aan het ene huis, buurt, stad hecht men zich sneller dan aan het andere. De ene setting nodigt meer uit tot contact met de buren, bakker of slager, dan de andere wijk. Het is echter geen wetmatigheid, je kunt er geen wiskunde op loslaten en zelfs geen kansberekening. Architectuur kan geen thuis verschaffen op bestelling. Het maken van huizen én het proces van verhuizen is een voorbeeld van wat De Graaf Beheimatung noemt: de voortdurende ‘creatie van geciviliseerde, comfortabele leefruimtes’.16 Een huis wordt gebouwd volgens ideeën over het wonen, bouwen, economie, efficiency, comfort, enzovoort. Maar voordat het een thuis wordt, is het altijd de bewoner die het huis zich eigen moet maken, het thuis veroveren op het huis. 

De negatieve spiraal van het veiligheidsdenken
Voordat we ingaan op hoe we dan toch fysiek kunnen nadenken over het thuis te maken, eerst een waarschuwing. Het veiligheidsdenken heeft ook het ontwerp van de gebouwde omgeving in de greep. De brandweer en de verkeersdeskundige hebben grote invloed op de plattegrond van woningen, kantoren, en woonwijken. Cameratoezicht op straat neemt hand over hand toe, en bankjes op pleinen worden tegenwoordig zo gemaakt dat er geen dakloze op kan slapen of jongere op kan skaten. Het ultieme, en tegelijkertijd ook schrikbarende voorbeeld van een doorgedraaide nadruk op veiligheid is het verdeelde suburbane landschap van Noord Amerika (ook al kunnen we hier ook Zuid Afrika of Latijns Amerika noemen). Ik noem het niet voor niets een ‘verdeeld’ landschap: het is verkaveld in verschillende werelden van buitenwijken, gated communities, shopping malls, kantorenparken. Elk van deze fragmenten zijn werelden op zich, met een geselecteerd publiek. De drijvende kracht achter dit model is angst voor de vreemde: de muren om de gated community zijn de architectonische uitdrukking van die angst. Maar enkel een muur is al lang niet meer voldoende om de bewoners een veilig gevoel te geven. Cameratoezicht is nodig, en een portier aan de poort. En als dat niet voldoende is dan prikkeldraad en een gewapende buurtwacht. Het is de vicieuze cirkel van maatregelen die nodig zijn. Er hoeft maar een inbraak te zijn, of het gevoel van veiligheid heeft een knauw gekregen, en nieuwe maatregelen zijn nodig. Het landschap is het zichtbare en tastbare bewijs dat de gekozen oplossing de maatschappij (zeker buiten de poort, maar ook daarbinnen) alleen maar gevaarlijker maakt. Dit model legt de bijl onder de wortel van de Westerse waarden, het ideaal van de democratie. Dat bestaat er immers uit dat je met elkaar – met vreemden – leeft, en er ook samen uit komt. Dit verdeelde landschap geeft uitdrukking aan het omgekeerde: het wantrouwen van alles wat anders is. Dat is niet alleen symbolisch, maar het heeft ook daadwerkelijk invloed. Immers, het is deze gebouwde omgeving die de mens ook conditioneert

Wat kan architectuur doen? Vijf aanbevelingen
Eens te meer reden om de gebouwde omgeving heel serieus te nemen, en ons af te vragen of het ook anders kan. Er zijn op zijn minst vijf min of meer fysieke en ruimtelijke aandachtspunten te noemen.

1. Een huis, een wijk is ergens. Dat is een essentieel gegeven voor de planner en de ontwerper. Rotterdam is anders dan Amsterdam, dan Groningen, dan Putten. Elke locatie is anders, heeft een eigen geschiedenis, eigen topografische, geografische en archeologische kenmerken.17 Daar moet de architect mee aan de slag: met de specifieke geschiedenis van die plaatsen, de sporen van bewoning, bewerking, cultivatie. Architectuur voegt daar een nieuwe laag aan toe – maar die heeft pas kwaliteit als ze dat doet in dialoog met het bestaande (stads) landschap. Bovendien heeft die nieuwe laag tijd nodig: tijd om via de sporen van bewoning en gebruik tot leven te komen.18

2. Die sporen van bewoning behoren tot het wonen zelf: ergens aarden is leefpatronen ontwikkelen. Bewust en onbewust weten waar de koffie staat en hoe je je ontbijt klaarmaakt. In de wijk, de routine van naar de bakker, de slager, de koffie-corner toegaan. Die patronen – zeker die op wijkniveau – brengen je in contact met anderen. Je leert je buren en hun patronen kennen, en je leert ze ook te ontlopen, als je er even geen behoefte aan hebt. Dat onderstreept zowel het belang van een goede openbare ruimte, als ook het belang van voorzieningen in de nabijheid van de woning, al lijkt dat in het tijdperk van internet en thuisbezorgen een afgesloten weg. Bij collectieve voorzieningen kunnen we echter ook denken aan gemeenschappelijke (speel)tuinen, zoals de bewoners rondom de squares in Londen alleen de sleutel hebben van de hekken rondom deze groene pleinen. De crux van een goede openbare en collectieve ruimte is dat het ruimte biedt aan verschillen en mensen in elkaars nabijheid brengt.19 Gezamenlijke verantwoordelijkheid en inspraak verhogen de betrokkenheid bij de buitenruimte – en zo leert men elkaar natuurlijk sneller (her)kennen.

3. Dat elkaar (her)kennen heeft ook alles te maken met de relatie tussen het huis het de straat. De Amerikaanse stadsactiviste Jane Jacobs onderstreepte het belang van ‘eyes on the street’, mensen die vanachter hun raam het straatleven in de gaten kunnen houden.20 Ongemerkt leer je niet alleen de patronen van de buren kennen, maar gaat ook de veiligheid op straat omhoog. Je ziet de kinderen spelen, de buurman die de hond gaat uitlaten, de pakjesbezorger die opnieuw een pakket met kleding komt bezorgen bij de bovenburen. De relatie tussen het private domein en het publieke domein is dus een belangrijk aandachtpunt voor ontwerp. De drempel (het stoepje, het tuinpad) met aandacht ontworpen kan een werkelijk intermediair zijn.

4. Het mag duidelijk zijn dat dergelijke gemeenschappen niet te groot kunnen zijn. Dit is een paradoxaal aandachtspunt: want hoe zorg je ervoor dat een bepaalde wijk inderdaad een herkenbare eenheid vormt, zonder dat deze een wereld op zich wordt? Ofwel: hoe zorg je ervoor dat de grenzen tussen gemeenschappen zacht en doordringbaar zijn, zodat wijk en buurt enerzijds herkenbaar zijn, terwijl tegelijkertijd de stad en het dorp een geheel blijft, meer dan de optelsom der delen? Nieuwe uitbreidingen vragen om een goede aanhechting aan het bestaande netwerk van straten en pleinen, openbaar vervoer en publieke voorzieningen.

5. Het laatste uitgangspunt betreft de manieren waarop we onze woonomgevingen ontwikkelen. Nederland is een land van ontwikkelen op grote schaal, waarbij de woningcorporaties of projectontwikkelaars het voortouw nemen. Dat is efficiënt, maar de bewoners zelf staan daarbij grotendeels buitenspel. In de ons omringende landen zijn de ontwikkelingen vaak kleinschaliger. België kent een traditie waarbij de bewoners zelf bouwen, in Duitsland (met name in Berlijn) kent men het model van de Baugruppe, waarbij groepen bewoners zelf hun eigen woningen ontwikkelen. Zelf ontwikkelen vergt enorm veel inzet van toekomstige bewoners en ontwerpers, maar zo wordt al voordat de huizen kunnen worden betrokken een gemeenschap gecreëerd. Bovendien levert een dergelijke vorm van ontwikkelen een meer divers palet aan woningtypen, en dus aan bewoners op. Het is bovendien een model dat zich makkelijker verhoudt tot kleinschalige ontwikkel locaties, binnen de bestaande contouren van stad en dorp. Dat is immers de grote opgave van vandaag: het ontwikkelen van stad en dorp van binnenuit. 

En de architectuur dan?
Je zou kunnen zeggen dat dit de randvoorwaarden zijn voor de goede stad. Inderdaad zijn mijn aanbevelingen nogal stedelijk van aard, wellicht omdat onbewust hier de aanname aan ten grondslag ligt dat de ontheemding vooral iets is van de stedelijke omgeving. De rode draad is echter ruimte voor herinneringen (tijd) en relaties (ruimte), en dat is natuurlijk ook van toepassing op dorpen en gehuchten. In de uitgangspunten is bovendien niets gezegd over de architectuur zelf, als we onder architectuur het uiterlijk van de gebouwde omgeving verstaan. Dat doe ik bewust. Sommige architecten suggereren dat gebouwen die er klassieke of traditioneel uitzien ons gemakkelijker laat aarden.21 Dat is me echter gemakkelijk, te reactionair: er wordt veel gebouwd wat ruimtelijk gezien nauwelijks kwaliteit heeft, maar wat dan net wel een klassiek geveltje meekrijgt. Achter die gevel gaan dezelfde moderne efficiënte woningplattegronden schuil die de bouweconomie ons voorschrijft. Architectuur als pleister, dus. De kwaliteit van architectuur zit wat mij betreft in de eerder genoemde dialoog met de ondergrond, de locatie, als ook in de ruimtelijkheid en materialiteit van het ontwerp. Architectonische kwaliteit heeft te maken met de verhoudingen van ruimte en materiaal (het materiaal dat nodig is een ruimte te maken), met hoe ruimtes (interieur en exterieur) zich tot elkaar verhouden, hoe de grenzen zijn vormgegeven, hoe het licht valt, en hoe de muren, deuren, deurklinken aanvoelen. Dat alles heeft weinig met het visuele te maken, dat vooral via de stijl wordt gepromoot, maar veel meer met de tactiele kwaliteit van ruimte: het besef dat de ruimte uiteindelijk ervaren wordt niet alleen via het oog, maar via alle zintuigen.22

Epiloog
De ontheemding laat zich echter niet wegontwerpen. Geen architect die op dat fundamentele gemis het antwoord heeft. Mijn suggesties – die op zich verre van origineel zijn – zijn dan ook geen garantie voor het goede huis, noch voor de goede gemeenschap, laat staan voor het vinden van een heimat. Het is eenvoudig weg een oproep voor kwaliteit. En een oproep om deze paradox niet uit de weg te gaan: laat de ander toe in de wijk en je krijgt er levendige, vitale wijken voor terug. Vice versa conditioneren die wijken ons, zodanig dat ze ons óók leren omgaan met die ander.


Dr. Hans Teerds is architect en promoveerde op de publieke aspecten van de architectuur in relatie tot het gedachtegoed van filosofe Hannah Arendt:
At home in the world. Architecture, the public, and the writings of Hannah Arendt.  

Noten
1. Uitgesproken op 18 april 2018 in het Humanity House te Den Haag. Gepubliceerd als: B. de Graaf, (2018). Heimat, Angst voor ontheemding en verlangen naar veiligheid. Amersfoort: Wetenschappelijk Instituut ChristenUnie.

2. De Amerikaanse theoloog Leonard Hjalmarston wijst erop dat deze landbelofte de context vormt voor de tien geboden. L. Hjalmarson, (2014). No Home Like Place, A Christian Theology of Place. Portland: Urban Loft Publishers, 72.

3. De Duitse filosoof Martin Heidegger benadrukt in zijn essay ‘Denken Bouwen Wonen’ hoezeer het wonen met onze existentie te maken heeft. Hij stelt het zo ongeveer gelijk aan het zijn zelf.  M. Heidegger, (1971). ‘Building Dwelling Thinking’, in: Martin Heidegger, Poetry, Language, Thought. London: Harper & Row.

4. T.L. Friedman, (2016). Thank You for Being Late, An Optimist Guide to Thriving in the Age of Accelerations. London: Allen Lane, 32.

5. M. Berman, (1988). All That is Solid Melts into Air, The Experience of Modernity. New York: Penguin Books, 17.

6. B. de Graaf, (2017). Heilige Strijd, Het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad . Utrecht: Uitgeverij Boekencentrum, 35.

7. De Graaf, Heimat, 10; De Graaf, Heilige Strijd, 92.

8. De Graaf, Heimat, 13.

9. Ibid., 13; ‘Terug naar Putten’ gaat overigens het gevoel van ontheemding en het verlies van de Heimat niet oplossen. Iedereen kent wel het gevoel dat als je terug bent in je vertrouwde omgeving waar je opgegroeid bent, dat de wereld er toch anders is dan gedacht. Alles lijkt kleiner, minder imposant. Of het huis is verbouwd, als het niet gesloopt is. Er wonen andere buren, enzovoort. Ook die ervaring bevestigd de ontheemding als condition humaine

10. Ibid., 15.

11. Ik gebruik vanaf nu het woord architectuur om het hele veld van het bouwen mee aan te geven, dus inclusief stedenbouw en landschapsarchitectuur. Ik zie het als drie disciplines waartussen de scheidslijnen niet al te scherp getekend moeten worden. Ze zijn samen verantwoordelijk voor het scheppen van een wereld waarin het menselijk leven kan floreren. Op deze omschrijving kom ik later in mijn betoog terug.

12. Het Parool heeft rondom het vijftigjarig bestaan van deze wijk een mooi dossier van het ontwerp, de bouw, het leven in en de transformatie van de Bijlmermeer aangelegd: https://www.parool.nl/alle-nieuws-over-50-jaar-bijlmer/.

13. Vgl P. Hoexum, (2014). Kleine filosofie van het rijtjeshuis. Amsterdam: Atlas Contact, 19.

14. Zie: https://winstonchurchill.org/resources/quotes/famous-quotations-and-stories/

15. Zie: S. Williams Goldbergen, (2017). Welcome to Your World, How the Built Environment Shapes our Lives. New York: Harper, 88.

16. De Graaf, Heimat, 13.

17. vgl: G. Eckbo, (1950). Landscape for Living. New York: F.W. Dodge Corporation, 131.

18. M. Heidegger, (1971). ‘The Thing’, in: M. Heidegger, (1971). Poetry, Language, Thought. London: Harper & Row.

19. vgl: Friedman, Thank You for Being Late, 365.

20. J. Jacobs, (1992) [1961]. The Life and Death of Great American Cities. New York: Vintage Books, 35.

21. Bijvoorbeeld de Luxemburgse architect Léon Krier. Zie: L. Krier, (2009).The Architec­ture of Community. Washington DC: Island Press, 101-102.

22. Ik volg in deze laatste paragraaf grotendeels Kenneth Frampton, ‘Towards a Critical Regionalism. Six Points for an Architecture of Resistance’, in: K. Frampton, (2002) [1983]. Labour, Work and Architecture, Collected Essays on Architecture and Design. London: Phaidon Press, 86-89.