Gevulde democratie

“Wat als we de democratie afschaffen?” Met deze vraag als vertrekpunt schreef journalist Melle Garschagen in NRC onlangs een beschouwing over een politiek bestel zonder verkiezingen.1 Gaat het wel goed met de democratie zoals wij die kennen? In 2015 analyseerde David van Reybrouck het ‘Democratisch Vermoeidheidssyndroom’ in zijn boek Tegen verkiezingen. Is de democratie in crisis? Wat als? In dit essay kijk ik naar de grondleggers van het christelijke politieke denken. Welke democratie zouden zij tot bloei willen brengen en welke voorwaarden moeten daarvoor vervuld worden? En hoe kan de ChristenUnie een bijdrage leveren aan het huidige debat over de staat van de democratie? Is er wat aan het brede besef van malaise te doen?

Exercities als die van Garschagen en Van Reybrouck zijn niet meer uniek. Opvallend is de groeiende reeks aan analyses over het verval van de democratie. De Amerikaanse journalist David Runciman schreef dit jaar het boek How Democracy Ends. Grote catastrofes en existentiële bedreigingen van de westerse samenlevingsvorm brengen de democratie om zeep, meent hij. De opkomst van leiders als Erdogan en Trump, die rechtsstaat en parlement het liefst aan de leiband hebben, vergroten de angst dat het democratisch bestel zomaar kan omvallen. Journalist Marcel ten Hooven kwam dit jaar met zijn boek De ontmanteling van de democratie. “Neergang van de democratie als beschavingsvorm is als dat giftige, reukloze gas dat van onder de deur vandaan komt: het duurt een tijdje voor je in de gaten hebt dat er iets niet in orde is”, schreef hij.2

Al deze auteurs hebben het gevoel dat er iets niet in orde is. Maar wat? Welk begrip hebben zij van ‘de’ democratie? Wat zijn de oorzaken van het verval? Op dit punt lopen de antwoorden uiteen. Volgens Ten Hooven wordt het verval aangewakkerd door polarisatie, intolerantie en het niet meer willen luisteren naar elkaar. Hij legt er de nadruk op dat een democratisch systeem een beschaving veronderstelt en die is in het geding. De voortdurende verontwaardiging en het wij-zij-denken keren zich eenmaal tegen de parlementaire democratie zelf, het instrument waarmee de ‘elite’ regeert, zo wordt gevreesd.3 Garschagen legt de nadruk op het falen van partijpolitiek en van politici die kiezers naar de mond praten en niet in staat zijn urgente problemen op te lossen. Van Reybrouck acht de legitimiteit van het via verkiezingen in het zadel geholpen politieke bestuur problematisch. Waar moeten we nu aan denken?

De pijlen worden in deze analyses gericht ofwel op het systeem ofwel op het gedrag. Voorgestelde oplossingen liggen in het verlengde hiervan. Wie juist meent dat het aan het systeem ligt, stelt systeemverbeteringen voor. In Nederland doet D66 dat al vele jaren. Van Reybrouck komt met het revolutionaire voorstel het lot vaker te laten beslissen, en niet de stembus. In Nederland is momenteel de beweging Code Oranje actief, die het partijpolitieke systeem wil omzeilen. Wie meent dat het aan het gedrag ligt, wil een debat voeren over waarden en deugden die ons moeten leiden. Christelijke partijen zijn doorgaans aan deze kant van het spectrum te vinden. De democratie is immers meer dan een beslissysteem, de democratie is een uitdrukking van belangrijke waarden die om erkenning vragen, ook in ons gedrag. Zonder tolerantie en de erkenning van het recht van de ander, bestaat geen democratie.

Als er sprake van verval is, wat is er dan precies in verval?

Hapert het besluitvormingssysteem en wel zodanig dat de kwaliteit van de besluitvorming eronder lijdt? Of hapert de democratische cultuur en daarmee ook de bereidheid om met elkaar oplossingen te zoeken voor samenlevingsproblemen? Mij is gevraagd iets te zeggen vanuit het perspectief van de grondleggers van het christelijke politieke denken. Welke democratie zouden zij tot bloei willen brengen en welke voorwaarden moeten daarvoor vervuld worden? En hoe kan de ChristenUnie een bijdrage leveren aan het huidige debat over de staat van de democratie? Is er wat aan het brede besef van malaise te doen?

De democratische impuls van de Reformatie
De democratie zoals wij die kennen, is een modern fenomeen. Ze krijgt een constitutionele vorm in de negentiende eeuw, maar heeft wortels in de zestiende eeuw. In die ‘vroegmoderne’ tijd had democratisch denken al de steun van de reformatoren, die op eigen wijze een bijdrage leverden aan de vernieuwing van het politieke denken. Vooral bij Calvijn is er steun voor de gedachte dat een samenleving een res publica (zaak van allen) is en ook door belanghebbenden bestuurd moet worden. Het calvinisme heeft zich dikwijls kritisch opgesteld tegenover absolutistisch vorstenbestuur en werd een motor voor democratisering in kerk en samenleving. Checks and balances werden als belangrijke rem op de macht gezien. De democratie die beoogd werd, ging over zeggenschap, rechtmatige invloed en de mogelijkheid verantwoordelijkheid te dragen voor eigen zaken. Dat blijkt ook wel uit het ‘recht van verzet’ dat in protestantse landen ontwikkeld werd om zeggenschap te verwerven over cruciale kwesties, zoals de vrijheid van godsdienst.

Er ging dus een democratische impuls uit van vroegmoderne protestanten. Zij waren uit op het vergroten van volksinvloed. Volgens sommigen loopt er een rechte lijn van dit vroege denken over volksinvloed naar het idee van ‘volkssouvereiniteit’, zoals dat in de achttiende eeuw door Rousseau wordt geformuleerd. Van politieke besmetting zal ongetwijfeld sprake zijn geweest.4 Rousseau was op de hoogte van calvinistische democratische denkbeelden. Toch was de transformatie te groot om de directe lijn te trekken. Voor protestantse denkers kwam niet het soevereine volk met een eigen wil op de eerste plaats, maar het gezag, het aan ieder toekomende recht en de vrijheid en dat alles verbonden met de dienst aan God, die aller Soeverein is.

Van geloofsvrijheid naar politieke vrijheid
Die gedachte van Gods soevereiniteit bepaalde dus het karakter van de democratische impuls. Maar waar kwam die impuls zelf vandaan? Het antwoord daarop is: uit de erkenning van de innerlijke vrijheid van ieder mens. De reformatie maakte ruimte voor ieder individu om een eigen geloofsovertuiging te mogen aanhangen. Niet de kerk of de overheid bepaalt wat mensen mogen geloven, daarover gaan ze zelf. Het beroep dat Luther deed op zijn geweten op de Rijksdag in Worms, had enorme politieke implicaties. Zijn mensen vrij om te geloven wat zij willen en dienen ze daarin gerespecteerd te worden, dan is dit het begin van een nieuwe politieke vrijheid. Die uit zich niet alleen op het vlak van de gewetensvrijheid, maar ook op het vlak van de godsdienstvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering. Uit de erkenning van de gewetensvrijheid is zo een hele reeks van andere vrijheidsrechten voortgekomen. Vandaar dat zowel Groen van Prinsterer als Abraham Kuyper in de negentiende eeuw verkondigden dat het calvinisme ‘oorsprong en waarborg’ van ‘onze constitutionele vrijheden’ is geworden.5

Deze vrijheden zouden er niet zijn als er geen morele consensus was over een te respecteren mensvisie. De vrijheid van de ander, zijn of haar recht om mee te spreken en mee te beslissen, wordt in die mensvisie erkend als een recht dat die ander ook daadwerkelijk toekomt, een verantwoordelijkheid behorend bij ieders menselijke waardigheid. De erkenning hiervan komt voort uit een houding van respect en naastenliefde. De aanvaarding van de ander, ook al denkt en handelt hij op een manier die ik niet goedkeur – echte tolerantie dus – is gebaseerd op deze waarden. Volgens Marcel ten Hooven is ‘gematigdheid’ een essentiële democratische waarde. Deze waarde helpt om onszelf te beheersen en er met anderen uit te komen.6 Maar uit de formulering blijkt wel dat er een andere waarde onder zit: het respect voor de persoon als persoon  en ruimte voor de ander. Deze waarde is niet goed denkbaar zonder het christelijk liefdegebod.

Herpositionering in een liberale democratie
De democratische impuls van het protestantisme had de tendens om de kring van politiek bevoegden uit te breiden naar ieder individu. Dat ging met horten en stoten, met stapsgewijze uitbreiding van het kiesrecht, met de insluiting van vrouwen in het electoraat en de verlaging van de leeftijdgrens. Uiteindelijk kreeg iedere volwassene met zeggenschap over eigen leven, ook politieke zeggenschap, wat tot uitdrukking komt in het actief en passief kiesrecht. Toch liepen christelijke partijen in deze beweging niet steeds voorop. Het passief kiesrecht van vrouwen is nog altijd omstreden binnen de SGP en aanvankelijk hadden ook de antirevolutionairen daar reserves bij. Toch is het moeilijk weerstand te bieden aan de tendens tot uitbreiding van het kiesrecht naar ieder mondig individu. Het christelijk mensbeeld van de Reformatie brengt dat met zich mee.

Groter was de moeite van protestanten met de nieuwe functie die door liberalen in de negentiende eeuw aan de democratie werd toegekend. De democratie werd door liberale hervormers in de negentiende eeuw gezien als een middel om te kunnen omgaan met diepgaande verschillen van mening in de samenleving: de democratie als beslechtingsmechanisme. Daarmee erkennen deze liberalen weliswaar religieuze en levensbeschouwelijke pluraliteit, maar willen ze die pluraliteit tegelijkertijd niet een te grote rol laten spelen in het openbare leven. Het politieke bestel moet zo worden ingericht dat er overeenstemming wordt gevonden om het land te kunnen verenigen en besturen. Die overeenstemming moet ontstaan over de grenzen van geloofs- en meningsverschillen heen en daarvoor dient de liberale democratie als voertuig. Het onderscheid tussen publieke en private sferen, dat liberalen graag hanteren, gaat gepaard met deze politieke boodschap: het geloof hoort thuis in de privésfeer en niet in de politiek.

De opvatting dat democratie de erkenning van pluraliteit inhoudt en dat christelijke overtuiging een particuliere overtuiging is naast andere, won het pleit. Dit vroeg echter om een herpositionering van christenen die politieke invloed wilden blijven uitoefenen in een liberale democratie. Zij moesten loskomen van het idee dat het protestantisme een bevoorrechte positie innam en dat het christelijk geloof leidend zou moeten zijn voor beslissingen die de hele samenleving raken. Die herpositionering heeft eigenlijk de hele negentiende eeuw geduurd. De uitkomst is echter ambivalent en kan ook geen andere zijn, aangezien de liberale democratie zelf deze ambivalentie in zich draagt. Alle christelijke politieke partijen die deelnemen aan het bestel, accepteren de levensbeschouwelijke en godsdienstige pluraliteit en de liberale democratie om hieraan uitdrukking te geven. Daarmee accepteren ze ook de liberale democratie als instrument om met die pluraliteit om te gaan.

Maar hiermee is de kous niet af. Als stroming met een eigen religieus en levensbeschouwelijk perspectief, blijft christelijk politiek een waarheid uitdragen die allen aangaat. Weliswaar vertaald in een politiek programma, maar niet minder uitdrukking van een religieus en levensbeschouwelijk perspectief. Om dat perspectief tot klinken te brengen, gebruiken christenen de liberale democratie als kanaal, ook al relativeert die liberale democratie tegelijkertijd de waarheidsaanspraken van iedereen. Partijen en stromingen moeten immers tot een vergelijk komen in het democratisch proces. Deze opvatting over de radicale gelijkheid van iedere waarheidsaanspraak en de neutraliteit of onbeslistheid die daarmee gepaard gaat, wringt. Ze vraagt om een depolitisering van diepste overtuigingen die niemand uiteindelijk wil opbrengen, liberalen zelf ook niet. Niemand is neutraal ten opzichte van zijn of haar diepste overtuigingen.

De crisis van de liberale democratie
Het is precies deze dubbelzinnigheid die we terugzien in de problematiek waar we dit essay mee begonnen: de crisis van de democratie. De een verbindt die crisis met een haperend besluitvormingssysteem waardoor de verschillende perspectieven in een plurale samenleving niet goed tot hun recht komen. De ander verbindt die crisis met een gebrekkige doorwerking van de juiste set aan waarden die het democratisch systeem als zodanig dragen en haar functioneren mogelijk maken. Zoals we hebben gezien bevinden christelijke denkers zich veelal aan dit laatste eind van het spectrum. Maar ook zij menen regelmatig dat hun perspectief niet goed tot uitdrukking kan komen in het democratisch systeem, zoals we dat nu kennen. Daarbij wordt bijvoorbeeld gewezen op het afnemende begrip voor wat wezenlijk bij de godsdienstvrijheid hoort, het verwijderen van de mogelijkheden tot expressie van christelijk geloof in de publieke ruimte of op afnemende ruimte voor de onderwijsvrijheid.

Dit legt een andere dubbelzinnigheid van de liberale democratie bloot. Door wat behoort tot ieders substantiële overtuiging zoveel mogelijk terug te dringen in de privésfeer en de wens het publieke terrein als neutraal te beschouwen, wordt ze zelf partij. Onder het gewaad van bureaucratie en technocratisch bestuur duwt ze stromingen, perspectieven en gezichtspunten weg uit het politieke debat en oogst ze de onvrede en verontwaardiging van groepen en individuen die zich niet meer gehoord voelen. Die groepen en individuen laten zich vandaag steeds meer horen en klagen over een democratie die een instrument is van de heersende ‘elite’. Hier ligt de voedingsbodem voor populisme. Volgende stappen zijn de haat en intolerantie jegens vertegenwoordigers van het openbaar bestuur, de polarisatie, afnemend respect voor de rechtsstaat, kortom: het verval van een cultuur die de democratie moet dragen.

Wat nu?
Nog meer technocratische oplossingen om de democratie te redden, zullen niet helpen. Neem het idee dat uitgewerkt wordt door Garschagen: volgens een bepaald algoritme wordt een groep van honderd burgers aangewezen om met experts tijdelijk te zoeken naar pragmatische oplossingen voor complexe problemen. De democratie is in dit gedachtenexperiment afgeschaft, de legitimiteit van de besluitvorming is opgehangen aan een digitaal systeem en verwacht wordt dat de samenleving zo’n uitkomst van willekeurig gekozen burgers zomaar zal accepteren. Dat zal niet gebeuren en de remedie is erger dan de kwaal. Nee, het geloof in een nog redelijker of slimmere besluitvormingstechniek gaat ons niet redden.

Democratie veronderstelt een cultuur van vertrouwen, een beschaving om met Ten Hooven te spreken. Dat vertrouwen is mede gebaseerd op waarden die in een democratie expliciet benoemd moeten worden. De democratie kan het niet stellen zonder moreel fundament, de wil om het goede voor allen te zoeken en niet het eigenbelang voorop te stellen. Dit is het christelijk fundament onder de democratie zoals wij die kennen en het verzet zich tegen de cultuur en de politiek van het eigenbelang. De neergang van de democratie wordt een thema, nu dat fundament zelf in geding komt en waarden eroderen die de democratie mogelijk maken. De gevoelde en soms verkeerd geadresseerde onvrede is een station in een breder secularisatieproces.

“Zoek de vrede en de welvaart van de stad”, zeggen christenen tegen elkaar in navolging van Jeremia (29:7) en zij zien hierin terecht een Bijbelse opdracht. Het bederf van de democratie begint daar waar ze wordt gezien en beleefd als voertuig voor eigenbelang. Een liberale democratie die waarden en overtuiging uit het publieke domein weg wil poetsen, zet hier de deur voor open. Dan wordt het politieke beeld gevuld door conflicterende groepen burgers die in een machtsstrijd verwikkeld zijn. Het systeem moet zich opnieuw leren openen naar waarden die het systeem gezond houden. Wat christenen kunnen doen, is hun leven als christen leven en tegelijk hun vrijheid gebruiken om te spreken. Het slechtste wat christenen kunnen doen, is zich terugtrekken in hun privésfeer. Christelijke politiek heeft zich altijd ingezet voor een gevulde democratie, een democratie die leeft vanuit waarden en deze tegelijkertijd verbreidt. De ChristenUnie moet thema blijven adresseren en agenderen en zo zichtbaar blijven met een eigen bijdrage tegen het gevreesde verval van de democratie.


Prof. dr. Roel Kuiper is fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Eerste Kamer. Daarnaast is hij rector van de Theologische Universiteit Kampen en aan die universiteit hoogleraar Christelijke Identiteit


Meer over dit thema? Lees de andere artikelen uit dit nummer van Groen of bestel deze editie

Noten

1. M. Garschagen, (3 november 2018). Wat als we de democratie afschaffen? NRC Handelsblad.

2. M. ten Hooven, (2018). De ontmanteling van de democratie. Hoe de kunst van het samenleven verstoord raakt – en wat eraan te

doen. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij De Arbeiderspers, 10.

3. Zie hiervoor S. L. de Lange en J. Zuure (red.), (2018). Woede. De kracht van verontwaardiging. Amsterdam University Press, 2018.

Dit is een bundel over het thema van grensoverschrijdend gedrag door burgers m.b.t. democratie en rechtsstaat.

4. Vgl. J.W. Sap, (1993). Wegbereiders der Revolutie. Calvinisme en de strijd om de democratische rechtsstaat/ Groningen: Wolters

Noordhoff.

5. A. Kuyper, (1898). Het calvinisme Amsterdam, 69-70. Dit citaat stond als motto voorin Ons Program uit 1879, het door Abraham

Kuyper geschreven beginselprogram van de Anti-Revolutionaire Partij.

6. M. Ten Hooven, Ontmanteling, 236-237.