'Met mij gaat het ook niet zo goed'

‘Met mij gaat het goed, maar met ons niet’. Met deze befaamde typering gaf Paul Schnabel, oud- directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), aan het begin van deze eeuw de sociale staat van Nederland weer. Dat ‘ons’ betreft de samenleving als geheel, waarover veel onbehagen was en is; het ‘mij’ heeft betrekking op het individuele welbevinden – en daarover leken we wel tevreden. Wie echter afgaat op recente onderzoeken naar en berichtgeving over prestatiedruk, stress en burn-out, ontkomt niet aan de indruk dat de huidige toestand van het individuele welbevinden voor velen ondertussen sterk verslechterd is. De SCP-typering lijkt geamendeerd te moeten worden: ‘ook met ‘mij’ gaat het niet zo goed’.

Hoewel zeker al sinds het begin van dit decennium prestatiedruk, werkstress en burn-outklachten een groeiend probleem zijn, wordt het slechts langzaam en vooral pas recent een publiek thema. Documentairemaakster Sarah Domogala was in 2011 een van de eersten met haar documentaire Alles wat we wilden, waarin indringend de keerzijde van het tijdperk van de ogenschijnlijk grenzeloze mogelijkheden werd getoond. In de jaren die erop volgden, verscheen een stroom aan (zelfhulp)boeken en plaatsten diverse kranten noodkreten, maar daar bleef het bij. Een ferme poging voor agendering deed in 2017 het BNN-programma Sophie in de mentale kreukels, en afgelopen voorjaar maakte ook de NOS er reportages over. Waar in de documentaire van Domogala vooral hoogopgeleide dertigers uit de creatieve sector geportretteerd werden, blijkt uit deze recente reportages dat prestatiedruk, angst en stress veel breder in de samenleving leven. Al met al gaat het niet om een probleem in de marge, maar om een omvangrijke ‘sociale kwestie’ – om deze grote term maar van stal te halen. De statistieken zijn zorgwekkend. Inmiddels lijkt één op de zeven werknemers aan prestatiedruk, werkstress en burn-outklachten; dat is zo’n veertien procent van de beroepsbevolking. En afhankelijk van de leeftijdscategorieën en beroepssectoren lopen de cijfers op tot in de dertig procent – vooral in onderwijs en zorg, en onder twintigers en dertigers. Studenten vormen een bijzonder kwetsbare groep, en prestatiedruk blijkt inmiddels ook basisschoolkinderen bereikt te hebben.

Werkstress en burn-out zijn misschien wel de belangrijkste beroepsziekten van onze tijd geworden. De Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han heeft terecht geconstateerd dat we hard op weg zijn een ‘vermoeide samenleving’ te worden, zoals hij beschreef in zijn gelijknamige essay (2012).

Het is stil in de politiek
Het thema mag inmiddels uit de private zones van het bestaan zijn getreden en met toenemende vrijmoedigheid op televisie besproken worden, in de politiek blijft het ondertussen nog opvallend stil rond dit thema. Zo hyperactief als politici en beleidsmakers kunnen reageren op een aangespoelde potvis, omgevallen hijskraan of een klein percentage fipronil in eieren, zo kalm is het in beleidsland wat betreft prestatiedruk en burn-out. Verkiezingsprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2017 besteden aan dit thema geen aandacht. Ook het regeerakkoord van Rutte-III zwijgt over dit thema. Dat ligt in de lijn der verwachting als het in verkiezingsprogramma’s niet voorkomt – hoewel, je weet het maar nooit tegenwoordig. In de achterliggende jaren zijn slechts twee noemenswaardige studies verschenen waarin werkstress en burn-out een serieus thema zijn – en die studies komen van instituten op afstand van de directe politiek. In 2014 deed het SCP onderzoek naar burn-out op de werkvloer, en concludeerde dat overheidsbeleid rond om ‘het nieuwe werken’ daarop negatieve invloed bleek te hebben. In 2016 verscheen van de Sociaaleconomische Raad een studie over combinaties van werk, gezin en zorg voor de toekomst, waarin de problematiek een plaats heeft.1 In ‘Den Haag’ is van serieuze probleemdiagnose, beleidsvorming en politieke actie nauwelijks sprake. De antwoorden op de enkele Kamervragen over prestatiedruk in het onderwijs tonen dat bewindspersonen vooral naar ‘het veld’ wijzen voor oplossingen.2 Ook binnen christelijke politieke partijen staat dit thema niet op de kaart. Zowel de ChristenUnie als de SGP verwezen in hun verkiezingsprogramma bij de TK-verkiezingen slechts terloops naar stress rond werk en gezin. Positieve uitzondering op dit stilzwijgen is de bijdrage van PerspectieF-voorzitter Jarin van der Zande eerder dit jaar in Groen (nr. 2: Prestatiedruk? Zeur niet!).

Dat prestatiedruk en burn-out zo moeilijk doordringen tot de politieke agenda is gelet de omvang van het vraagstuk verbazend, maar gelet op de aard van het fenomeen en de politiek-ideologische context niet verrassend. Wat betreft de aard van het fenomeen: prestatiedruk, stress en angst zijn maar moeilijk grijpbare en concreet te maken gevoelens, die bovendien voor anderen die het niet ervaren ook weer lastig te begrijpen zijn. Dat geldt nog sterker voor burn-outklachten. Hierdoor is het voorstelbaar dat agendering en beleidsontwikkeling niet zomaar op gang komen. Maar er is meer aan de hand – en hier komt de politiek-ideologische context om de hoek kijken. In Coöperatiemaatschappij (hoofdstuk 2) hebben Wouter Beekers en ik betoogd dat er sprake is van een ‘vitaliteitsmythe’. Centraal in de taal en voorstellingswereld van beleid en politiek is de idee van de actieve burger, die enthousiast en blij werkt en de civil society vormgeeft en overloopt van energie om zich voor de samenleving in te zetten. Rond de participatiesamenleving hing een roze wolk, beleidsrapporten liepen over van newspeak aangaande de vitaliteit van burger in de civil society. Alsof menselijke energiebronnen niet uitgeput kunnen raken. Tegen de achtergrond van dit discours dringen diagnoses die het tegendeel aanwijzen maar moeilijk door, daar raken we dan blind en doof voor. Enerzijds is het een reactie op geklaag over het consumentisme van de moderne burger, maar het is vooral ook gevolg van de onderliggende ideologie van het neoliberalisme. Daarop hebben auteurs als Han en de Vlaamse psychiater Paul Verhaeghe uitvoerig gewezen. In de neoliberale ideologie wordt de volle verantwoordelijkheid bij het individu gelegd. Mensen zijn dan ‘prestatiesubjecten’, die hun potentieel moeten maximaliseren en die het beste zouden gedijen in voortdurende competitie; het is de you can do it-mentaliteit die ons hier parten speelt.

Een verwelkende samenleving
Het wordt tijd om de vitaliteitsmythe verder te doorbreken en de thematiek van prestatiedruk en burn-out hoger op de politieke agenda te plaatsen. Vanuit christelijk-sociaal perspectief zijn er verschillende redenen om het thema verder op de kaart te zetten. Het goede (samen)leven draait om wat Nicholas Wolterstorff aanduidt met het Hebreeuwse woord ‘shalom’, het gaat om flourishing (bloeien) van de samenleving. Wat momenteel dreigt is het tegendeel. Het ‘bloeien’ dreigt om te slaan in een ‘verwelken’. Niet alleen de burn-out-cijfers geven aanleiding voor deze stelling. Ook de verhalen over de impact die een burn-out heeft op het welbevinden, ook nadat men is opgekrabbeld, geven reden tot zorg. Hoewel sommigen zeggen dat zo’n periode je levenslessen bijbrengt (over prioriteiten en over wat echt van waarde is) kan burn-out toch moeilijk gezien worden als iets goeds en waar je ‘gewoon doorheen’ moet (omdat het mede gevolg is van door politiek geschapen maatschappelijke structuren, zie verderop). Deze positie heeft alles te maken met een tweede motief, het principe van rentmeesterschap; een begrip dat we vaak in verband brengen met roofbouw op de ons omringende natuur. In een vermoeiende prestatiemaatschappij plegen we roofbouw op onszelf. Het wordt tijd het principe van rentmeesterschap nadrukkelijker op onszelf toe te passen. Het is een vorm van rentmeesterschap om prestatiedruk en burn-out tegen te gaan – als zorg voor onszelf en elkaar als onderdeel van de schepping. Een nog politieker argument kan ontleend worden aan de vandaag de dag populaire politiek filosofe Hannah Arendt (1906-1975). Wat in een vermoeide samenleving volgens haar ook op het spel staat, is wat zij ‘de wereld’ noemt en de gemeenschappelijke zorg voor die wereld. De essentie daarvan is dat we in staat zijn om verbindingen met elkaar te leggen en door gezamenlijke actie als burgers in het publieke domein op te treden. Maar dat vermogen staat sterk onder druk in een vermoeiende samenleving. Wanneer we aan deze dimensie van het sociale en politieke bestaan niet toekomen door vermoeidheid dreigt het risico dat we een belangrijke dimensie van onze menselijke waardigheid verliezen. Wanneer we geheel opgeslokt en uitgeput worden door de wereld van het werk staat, om met de katholieke filosoof Josef Pieper te spreken, de humaniteit van ons bestaan op het spel.

Onrust en existentiële ongedurigheid: kan het anders?
De prangende vraag is vervolgens: valt hier politiek en beleidsmatig iets aan te doen? Het antwoord is tweeledig: we kunnen er wel iets aan doen, maar slechts ten dele. Het is niet mijn ambitie om hier concrete oplossingen aan te dragen, het gaat me erom te verkennen wat de (on)mogelijkheden van een politieke agenda zijn. Die worden helder wanneer we meer zicht krijgen op de onderliggende problemen. Mijn stelling (die ik elders uitvoeriger heb uitgewerkt) is dat we de rust hebben uitgebannen en dat dit problematisch is.3 We zijn een hyperactieve prestatiemaatschappij zonder remmen geworden. Die is deels resultaat van veranderingen in de maatschappelijke structuur en beleid, deels gevolg van culturele ontwikkelingen. Tegen het eerste valt met politiek en beleid iets te beginnen, met het tweede niet.

Wat betreft de maatschappelijke structuur: de term neoliberalisme is al gevallen. Prestatiedruk en burn-out komen deels voort uit de meritocratie en de geglobaliseerde en geflexibiliseerde arbeidsmarkt, die geïnspireerd zijn door de neoliberale ideologie. Deze politiek-economische constellatie draagt bij aan een rat race. Typering in termen van maatschappelijke structuur en ideologie kunnen de oorzaken gemakkelijk abstract maken, alsof het iets is dat ons is overkomen. Dat is niet het geval. De neoliberale ordening is resultaat van doelbewuste economische politiek, zoals Roel Kuiper ook in zijn boek Privatiseringsverdriet (2011) heeft laten zien. Anders gezegd, het is resultaat van beleid en het is daarom ook mogelijk om ander beleid te ontwikkelen.

Tegelijkertijd moeten de mogelijkheden voor politieke actie niet overschat worden. Prestatiedruk, stress en burn-out hangen ook samen met grote culturele ontwikkelingen die veel dieper in de moderniteit geworteld zijn dan de politieke koers van de laatste dertig jaar en die ten principale het domein van politiek en beleid overstijgen. Om dit inzichtelijk te maken is een onderscheid dat de Belgische filosoof Ignaas Devisch in zijn boek Rusteloosheid (2016) maakt zinvol: enerzijds hebben we ‘onrust’, anderzijds is er ‘rusteloosheid’. Onrust gaat over de feitelijke hectiek van het bestaan, rusteloosheid over een existentiële ongedurigheid. De onrust is in belangrijke mate ook ‘gemaakt’, als gevolg van inrichting van de economische orde, begeleid door sociaaleconomisch beleid. Het tweede, de rusteloosheid, valt geheel buiten de categorie van maakbaarheid, maar is ook volgens Devisch wel de bron voor de onrust. De existentiële onrust hangt samen met processen van secularisering en individualisering, met het You Only Live Once-principe (#YOLO) en met het ideaal van zelfontplooiing. Dan gaat het om een culturele druk die we onszelf zonder overheidsdwang opleggen en die ervoor zorgt dat innerlijke ‘remmen’ tot rust en relativering van prestaties en activiteit zijn gaan ontbreken. Hier kan politieke interventie niets tegen doen, want betreft de moderne menselijke conditie.

Kortom, wat politiek en overheid kunnen doen is – volgens klassiek christelijk-sociaal inzicht – de juiste sociale, economische en juridische condities bevorderen. In de eerder genoemde bijdrage doet Jarin van der Zande een aantal voorzetten. Veelbelovend is ook de aankondiging van Gert-Jan Segers om de strijd tegen het neoliberalisme aan te binden. Daarin krijgt het begrenzen van de gekmakende meritocratie hopelijk een plaats, evenals bescherming van de schaarse ‘instituties van de rust’ – daarmee bedoel ik activiteiten, tradities, momenten en faciliteiten die stimuleren het werk te stoppen, waaronder de klassieke zondagsrust. Dat is broodnodig, want wat dreigt is een ‘uitgebluste mens’. Wat zou het mooi zijn als de christelijke politiek op dit thema een voorhoede zou vormen.

Robert van Putten werkt als promovendus en docent aan afdeling bestuurswetenschap & politicologie van de Vrije Universiteit Amsterdam. Naast zijn proefschrift over maakbaarheid en bescheiden bestuur schrijft en spreekt hij regelmatig over prestatiedruk en het belang van rust.

Lees meer artikelen uit Groen