Migratie en de christelijke identiteit van Europa

‘Europa worstelt met haar identiteit’. Maar wat betekent dat? Is een Europese identiteit mogelijk en waar zou die uit kunnen bestaan? Heeft Europa een christelijke ziel? En hoe verhoudt zo’n identiteit zich tot politieke programma’s? Of is die identiteitsvraag helemaal niet zo relevant? Stephan van Erp denkt in dit essay na over migratie en de ziel van Europa, omdat de komst van vluchtelingen in 2015 ons lijkt te bepalen bij wat Europa is, of zou moeten zijn.

Vlak na de beruchte zomer van 2015 waarin veel vluchtelingen verdronken in de Middellandse Zee, deed paus Franciscus een beroep op alle lokale kerken in Europa om een vluchtelingengezin te verwelkomen. De christelijke kerken in Europa hebben op een creatieve en vaak onopvallende wijze migranten verwelkomd en voor hen gezorgd. De Waldenzen in Italië zorgden voor veilige corridors voor duizenden migranten die de Middellandse Zee overstaken. Tijdens de zware economische crisis boden de Grieks-orthodoxe kerken onderdak en voedsel aan de vluchtelingen die gestrand waren aan de grens met Macedonië en verdedigden hun belangen. Uit Duitse, Zweedse en Britse kerken klonk zelfs de constatering dat de eigen kerkgemeenschappen opnieuw tot leven kwamen dankzij de inzet voor vluchtelingen – mensen keerden er op sommige plaatsen terug naar de kerk vanwege de getuigenis en de zorg van deze gemeenschappen voor de migranten.

Migratie en de bescherming van Europa’s christelijke identiteit
Het bieden van hulp is echter niet de enige of zelfs ook maar voornaamste reactie in de Europese politieke arena of in de Europese kerken. De Hongaarse regering haalde migranten van de trein en probeerde te voorkomen dat vluchtelingen door Hongarije naar Duitsland en Scandinavië konden reizen, en opperde op een bepaald moment zelfs om een muur te bouwen. Viktor Orbán, de Hongaarse premier, stelde dat migranten een bedreiging vormden voor de christelijke identiteit van Europa, terwijl Peter Erdő, de rooms-katholieke aartsbisschop van Boedapest, zou hebben gezegd dat het Hongaarse kerken verboden was onderdak te bieden aan vluchtelingen, “omdat we ons anders schuldig zouden maken aan mensensmokkel”. Ook de Slowaakse, Poolse, Bulgaarse en Cypriotische regeringen kwamen met verklaringen waarin ze stelden dat ze alleen christelijke vluchtelingen zouden accepteren, aangezien moslims een bedreiging voor hun identiteit zouden vormen. Deze retoriek beperkt zich niet tot Midden- en Oost-Europa, maar begint steeds meer gemeengoed te worden en staat centraal bij de opkomst van rechts-nationalistische partijen in heel Europa. Sommige Europese leiders hebben al aandacht gevraagd voor de veronderstelde onverenigbaarheid van de cultuur van de nieuwkomers en het Europese christelijke gedachtegoed.

De roep om een sterke identiteit klinkt naar een geluid uit de twintigste eeuw, waarin de Europese landen twee wereldoorlogen te boven moesten komen, nog voordat men de negatieve consequenties van de industrialisatie had leren beheersen. Behalve de roep om een nieuwe politieke en economische samenwerking, uitte men in de vorige eeuw meerdere malen het verlangen naar een nieuw elan, een hernieuwd verstaan van het eenheidsideaal dat ooit ten grondslag had gelegen aan de totstandkoming van de Volkenbond in 1919, of nog veel langer geleden, aan de Vrede van Westfalen in 1648. We weten van de geschiedenis van het Interbellum en van de periode daarna dat het verwoorde ideaal altijd ook de uitdrukking is van een politieke pragmatiek waar het met terugwerkende kracht de ideële fundering van vormt. Wat zich laat kennen als ‘identiteit’, is feitelijk de taal van de verbeelding of de ideologie die het draagvlak voor reeds genomen politieke beslissingen moet mee helpen creëren. Die volgorde – dat ons concept van identiteit ter rechtvaardiging dient van ons handelen – leert ons dat wie zoekt naar een nieuwe identiteit voor Europa, eerst zou moeten bepalen welk politiek ideaal men wil ondersteunen, om vervolgens de identiteit naargelang te formuleren. Maar eigenlijk zou een gezamenlijke Europese identiteit niet de uitdrukking behoren te zijn van een bepaald politiek programma.

Overvloed aan verbeelding
Men hoopt wellicht dat de formulering van een nieuwe identiteit de politiek een kritische, maar constructief-andere richting kan wijzen. De verbeelding opnieuw aan de macht. Dit laatste zou echter weleens het probleem kunnen zijn van het laatmoderne Europa, dat in de fuik is gelopen van een overvloed aan eigen verbeelding. De ideële formulering van het Europese project is minstens deels debet aan de verstarde Europese identiteitslogica. Juist ook in de vorm van het vaststellen van enkele moderne, algemene waarden en deugden, zoals vrijheid, gelijkheid of dialoog.

Dat geldt ook voor het herformuleren van de christelijke identiteit in Europa als een identiteit naast andere, of als een cultuur van waarden, zoals tolerantie, zorg en solidariteit. Behalve dat zo het christelijke wordt gereduceerd tot een ethiek, is het ook moeilijker geworden om het christelijke onderscheid te maken. Ik zou eerder een pleidooi willen houden voor de universaliteit van het christelijk geloof, dat mensen in staat stelt elke identiteit achter zich te laten, zodat Europa van eenieder kan worden. De christelijke identiteit is er immers een van hoop in de gebrokenheid.

Het concept van ‘christelijke identiteit’ is eigenlijk problematisch, omdat het ruimte laat voor een programmatisch gebruik dat dan vervolgens al te exclusivistisch kan worden ingezet tegenover andere zogenaamde ‘identiteiten’, ook al belijden hun verschillende vertegenwoordigers open te staan voor elkaar. In plaats van te leven met één bepaalde identiteit te midden van andere, leven christenen een onvoltooid, gebroken leven dat ze universeel delen met anderen. Daarom wordt hun identiteit bepaald door een gebrek en door wat er niet is, in plaats van door een reeks duidelijke kenmerken of door een vaststaande ethiek, hoezeer we ons ook voorstellen dat ze in beweging is of openstaat voor anderen.

Caritas en het menselijk tekort
De term ‘caritas’ kent een lange geschiedenis van christelijke toe-eigening en interpretaties, maar dat betekent geenszins dat de belichaming ervan geen familiegelijkenis zou kunnen vertonen met wat niet- of anders-dan-christelijk gelovigen doen. Op de stranden van Lesbos en in de tentenkampen van Calais en Duinkerken wordt ook hard gewerkt door geseculariseerde jongeren, die elk zo hun eigen beweegredenen hadden om hun steentje bij te dragen. Hun gastvrijheid bewijst daarmee dat de droom van Europa niet per definitie christelijk is, ook al is er geen scherpe tegenstelling tussen hun handelingen en de christelijke geschiedenis van Europa. Het heeft weinig zin om van die laatste constatering alsnog een hoopvol christelijk verhaal te maken, door er al te vanzelfsprekend een continuïteit met het christelijke verleden in te zien. De gastvrijheid voor migranten toont niet direct de ziel van het christelijke Europa in een nieuwe gedaante, maar laat wel degelijk iets zien van het oude én het nieuwe Europa, dat veel meer is dan een christelijk project.

Toen Paus Franciscus op Lampedusa Europa ter verantwoording riep en dat nog eens herhaalde in zijn toespraak voor het Europese parlement op 24 november 2014, riep hij op om de menselijke waardigheid te beschermen in naam van het gemeenschappelijk goed. Zijn herhaling van Gods vragen aan Adam (Adam, waar ben je?) en Kaïn (Kaïn, waar is je broeder?) verwijst naar meer dan verantwoordelijkheid en humaniteit. Die Bijbelse vragen worden in de schriftverhalen aan zondaars gesteld, aan mensen die terwijl ze ter verantwoording worden geroepen of opgeroepen worden hun verantwoordelijkheid te nemen, tevens hun eigen gebrek, verlorenheid en gewelddadigheid onder ogen moeten zien. We moeten de drenkeling oprapen, en eten en onderdak geven, jazeker, maar dat doen wij niet in naam van de vrijheid of van een zichzelf toe te eigenen goedheid, maar in naam van onze wederzijdse afhankelijkheid.

Kwetsbare waardigheid als politiek centrum  
Het herwinnen van de Europese ziel is niet de terugkeer naar haar Griekse of Romeinse wortels, een neo-renaissance van haar cultuur, toen die nog, zo is dan de gedachte, op haar politieke en economische hoogtepunt was. De Europese ziel is volgens Franciscus een christelijk humanisme dat het nooit om zichzelf als idee of cultuur te doen is, maar de menselijke waardigheid als zijn politieke centrum heeft. Die waardigheid is het meest kwetsbare symbool, en wordt als zodanig ook telkens weer geschaad. Te midden van de moderne vrijheid en de ermee gepaard gaande verlangens wordt het menselijk tekort pijnlijk zichtbaar en de ontkenning van die ervaring slaat genadeloos en gewelddadig om zich heen. Omdat vergeten wordt dat de genade in het tekort zelf bestaat.

Een nieuwe toekomst voor Europa begint bij het onder ogen zien van de harde werkelijkheid van het menselijk tekort, dat is de paradox van mijn betoog. Er zijn tekenen te over dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Bijvoorbeeld in het groeiende ecologische bewustzijn dat een uitputting van onze natuurlijke bronnen een directe aantasting van het leven van velen tot gevolg heeft of in de groeiende kritiek op de banken en de ongebreidelde speculatie en schuldenopbouw. Of in de pleidooien voor een verdergaande democratisering, en in de oproep om in het openbaar met meningsverschillen, onwetendheid en onzekerheid om te gaan.

Werkelijk teken van het menselijk tekort zijn de werklozen, migranten, de ouderen en de armen. Zij tonen het menselijk tekort dat wij allen delen en dat in plaats van te worden ontkend erom vraagt gezien te worden als het hart van het Europese project. Dat kan een heel goed ook een christelijk project zijn, want christenen weten dat het hier en nu niet de plaats is waar zij thuishoren, maar wel de plaats waar zij verantwoordelijkheid moeten nemen voor het kwetsbare. Het kan evenzeer een project met joden en moslims zijn, met al die religieuze tradities die het kwetsbare niet uitsluiten, maar insluiten. Het kan een sociaal project zijn, en Europa kent vele eminente voorbeelden van sociale bewegingen die uit solidariteit met de armen hun strijd tegen het onrecht hebben gevoerd.

Het verstoorde Koninkrijk: een theologische visie op migratie
De schrijnende aspecten van migratie brengen ervaringen teweeg die christenen raken in hun geloof. Voor christenen is de dienst aan migranten een opdracht die direct voortvloeit uit de werken van barmhartigheid die in de parabel van de schapen en de bokken staan beschreven (Mt. 25:31-46) als de dienst aan Gods Koninkrijk. Gehoor geven aan die opdracht motiveert gelovigen om van elk dramatisch lot weer een bestemming te maken, van elk gedwongen wegtrekken weer een op weg gaan. Het is dit geloof, dat zich in het tekort en in de respons op dat tekort manifesteert, dat een christen in staat stelt in elke migrant de figuur van Christus te zien. Op de Werelddag van Migranten en Vluchtelingen in 2016 verwees Paus Franciscus naar de volgende evangelietekst: ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft’ (Mk 9:37; vgl. Mt 18:5; Lk 9:48; Jn 13:20).

Anderen verwelkomen, is teken willen zijn van het gegeven dat in de migrant zichtbaar wordt dat God mens is geworden. Het geloof dat gewekt wordt door de confrontatie met vreemdelingen uit zich dus niet alleen in ons charitatieve handelen, in onze waarden, maar ook in het zien van Christus in elke migrant. Christus wordt verwelkomd in de verwelkoming van elke vreemdeling; niet zozeer omdat Christus ook een pelgrim en een vreemdeling was, maar eerder omdat in de thuisloosheid en het lijden van migranten de belofte van Gods Koninkrijk wordt geschonden. In elk individueel geval waarin die schending plaatsvindt, is Christus ook een thuisloze, en als die aan een gesloten deur staat, wordt een universele boodschap genegeerd. Dit gelovige perspectief, Christus te zien in de vreemdeling, maakt duidelijk dat gelovigen het evangelie niet zozeer nodig hebben om betekenis of waardigheid te geven aan een anders zo schrijnende situatie, maar dat het evangelie hen toont hoe ernstig de schrijnende situatie is en hoe die situatie uiteindelijk de doorbraak van Gods Koninkrijk belemmert.

Vanuit een christelijk perspectief verstoort migratie de bestaande en beloofde orde in de levens van de migranten en de samenlevingen die hen onderdak bieden.De migrant is de verstoring van een orde die er was en nog steeds is en die in al haar gebrokenheid zowel een openbaring is als voltooiing behoeft.Het zou bijzonder naïef zijn om tegenover deze gebrokenheid simpelweg een identiteitspolitiek van idealen en waarden te plaatsen, in de hoop dat dit voldoende zal zijn om mensen te motiveren om migranten te helpen.De reconstructie van identiteiten leidt vaak tot al te idealistische ideeën over zinvolheid en zingeving.In plaats daarvan is het zo dat migranten door een idee van identiteit te verstoren nu juist een onderbreking vormen van een orde die de werkelijkheid toont als onvoltooidheid, de gebroken werkelijkheid van Christus.De kerkelijke en theologische uitdaging is daarom niet zozeer gelegen in de reconstructie van een christelijke identiteit die de hulpverlening aan migranten ondersteunt.Nee, eerder is het de taak van de kerken om een kritisch antwoord te formuleren op de vraag hoe het kan dat de vreemdeling het geloof van de mensen die zich door hen aangesproken voelen, nieuw leven inblaast, en hoe zo dus het gezelschap van vreemden onze christelijke identiteit mee vormgeeft.


Prof. dr. Van Erp is professor fundamentele theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven.