Tekorten in de jeugdzorg

Alle gemeenten in Nederland kampen met grote tekorten op de jeugdzorg en de WMO. In 2015 zijn budgetten overgeheveld van het Rijk en de provincie naar de gemeenten; sindsdien wordt de zorg lokaal georganiseerd. Dat is voor gemeenten heel prettig, omdat de zorg ‘ontschot’ kan worden: hulpverleners vinden elkaar via korte lijntjes en kunnen de zorg onderling afstemmen. Veel gemeenten hebben wijkteams ingesteld, met voor elk gezin één plan en één regisseur (geïnspireerd door André Rouvoet). Snel en preventief ingrijpen zou moeten voorkomen dat problemen groot en kostbaar worden. Omdat gemeenten de zorg beter kunnen afstemmen, heeft het Rijk sinds de decentralisatie elk jaar de budgetten verkleind. Nu kampen gemeenten echter met overschrijdingen. Waarom?

Allereerst omdat de wijkteams veel meer mensen bereiken. Snel ingrijpen en korte lijntjes hebben vooral geleid tot groei van het aantal mensen dat zorg en aandacht krijgt. Daarnaast hebben huis- en jeugdartsen het recht behouden om zelfstandig door te verwijzen. Zij verwijzen hun jeugdige cliënten met psychische problemen meestal niet naar het wijkteam, maar gaan meteen naar de dure, gespecialiseerde GGZ-psychologen. De rekening wordt naar de gemeente gestuurd. De helft van alle verwijzingen wordt nog steeds door deze artsen gedaan, terwijl de wijkteams liever zouden bepalen welke zorg nodig is. Want soms hoeven jongeren geen diagnose, maar is een sociale vaardigheidstraining of activiteit al voldoende.

Daarnaast worden kosten afgeschoven op gemeenten. Als gehandicapte kinderen nog ontwikkelvermogen hebben, komen ze niet in de Wet Langdurige Zorg, maar in de WMO. Met die doelgroep was geen rekening gehouden bij de budgettering. En als de cao-kosten voor huishoudelijke hulp en verzorgenden omhooggaan, moeten de gemeenten het verschil betalen. Als het kabinet bovendien besluit dat gemeenten niet langer een verhoogde eigen bijdrage mogen vragen voor huishoudelijke hulp van inwoners met veel inkomen of vermogen, en de eigen bijdrage maximeert op 17,50 euro per vier weken, moet de gemeente ook hier het verschil bijpassen.

Daarom kampt elke gemeente nu met tekorten. En het Rijk houdt zich doof en gaat door met de voorgenomen bezuinigingen op deze vorm van zorg. Het Rijk heeft zelf hogere uitgaven en dus is de gemeentefondsuitkering ook hoger (trap op trap af-systematiek). Gemeenten moeten hun tekorten maar uit dit overschot betalen, is de gedachte. O ja, en ze moeten natuurlijk niet vergeten om flink te investeren in duurzaamheid. Subsidiariteit is een mooie gedachte. Maar extra taken horen te komen met extra geld.

Simone Kennedy is fractievoorzitter van de ChristenUnie in Amersfoort, was van 20004-2016 curatoriumlid voor het WI en breit graag truien terwijl ze haar raadsstukken leest.