Het muisje dat zich herinneren kon

Lang geleden leefde er eens een muisje aan de rand van een groot korenveld. Hij heette Puck. Puck woonde met zijn ontelbare broers en zussen, ooms en tantes, neven en nichten in een groot muizenhol. De hele zomer liepen alle muisjes af en aan, hun pootjes vol met noten en zaden.

Iedereen was druk bezig. Behalve Puck. Als de andere muizen bezig waren, zat hij maar een beetje voor zich uit te staren de blauwe lucht in. Niemand wist wat hij daar zag. Sommigen vroegen Puck wat ‘ie aan het doen was. “Kijken”, zei hij dan eenvoudig. En als zijn familieleden hem vroegen of hij niet even mee kon werken in het hol, schudde hij eenvoudig zijn kopje. Gekken moet je met rust laten, zo weten ze in de dierenwereld.

Toen kwam de winter. De nachten werden donker en de dagen kort. De muizen kwamen nauwelijks meer hun holletje uit. Ze kropen dicht tegen elkaar aan voor de warmte. Toen het avond geworden was, kregen de muizen honger en één voor één haalden ze hun avondmaaltje op. Ook Puck. De andere muizen keken hem nogal scheef aan, ze vonden hem een uitvreter, maar ook die laat je niet verhongeren.

En zo ging het dag aan dag, week aan week, maand na maand. De muizen werden dof en verdrietig. Alles was donker en koud. Niemand bewoog meer. Aan de duisternis leek maar geen einde te komen. Toen stond Puck op en begon te vertellen:

“Weten jullie nog, die prachtige zon, die warm over je muizenvelletje strijkt als ze ’s ochtend net opgekomen is? Die koele wind die je snorharen doet trillen in de avondschemering? De geur van nat gras en verse nootjes?”

De zon kwam op in het hol, een warme wind stak op en de geur van nat gras drong in hun neusjes. En vanaf die dag mocht Puck als eerste gaan eten, zodat alle anderen naar hem konden luisteren tijdens hun maaltijd. En nooit vroeg iemand nog of Puck kon meehelpen. Puck had zijn eigen taak. Puck hield hen in leven.