Werken in de toekomst: nemen robots het over?

Nadenken over de toekomst van werk is een geliefde bezigheid. Stoppen we met werken? Nemen robots het over? Of is er eigenlijk niet zo heel veel over te zeggen? We vroegen hoogleraar Joop Schippers op een rij te zetten wat we wel weten en, ook belangrijk, we wat niet weten. Want er is vooral veel dat we nog niet weten over de toekomst van de arbeidsmarkt. Hoe gaan we om met die arbeidsmarkt die steeds verandert en welke beleidskeuzes moeten gemaakt worden?


Beroepen komen en gaan
Wie het boek Gouden Jaren (2014) van Annegreet van Bergen leest of regelmatig naar het tv-programma Andere Tijden kijkt, komt daar beroepen en werksituaties tegen die we in het Nederland van nu niet meer kennen. Er rijdt geen schillenboer of voddenman meer door de straten. Er komen geen kwitantielopers meer aan de deur om de huur of verzekeringspenningen te innen en de laatste Limburgse mijnwerker heeft reeds lang geleden zijn pikhouweel opgeborgen. Er zijn de laatste decennia ook allerlei functies en beroepen ontstaan die we vroeger juist niet kenden. Veel van het nieuwe werk van de afgelopen decennia is ontstaan in de dienstensector en dan met name in wat we aanduiden als ‘de vrijetijdsindustrie’, al die activiteiten die te maken hebben met wat we zoal in onze vrije tijd doen, variërend van het volgen van yogacursussen, het bezoeken van pretparken, een natuurwandeling maken, funshoppen, barbecueën in de van alle gemakken voorziene achtertuin tot het bijwonen van een concert of bezoeken van een tentoonstelling.


De computer rukt op en de meeste beroepen veranderen van inhoud
Daarnaast vertonen sectoren als de zorg en het onderwijs al decennialang een sterke groei. Maar daar komen niet primair nieuwe functies en beroepen bij, maar veranderen bestaande functies vooral van inhoud. Dat laatste geldt ook elders op de arbeidsmarkt: of je nu in de landbouw, de industrie of de dienstverlening werkt, de kans is klein dat je beroep er nog hetzelfde uitziet als een kwart eeuw of nog langer geleden. Een belangrijke oorzaak daarvan is het oprukken van de computer en in bredere zin informatie- en communicatietechnologie (ict). De pakketbezorger, de agrariër, de kraanmachinist, de wijkverpleegkundige, de buschauffeur, de onderwijzer – allemaal werken ze tegenwoordig met een computer en die wordt steeds belangrijker. En voorlopig is er geen reden om te veronderstellen dat die ontwikkeling zal stoppen. Integendeel, computers worden steeds ‘slimmer’ en door er wieltjes onder te zetten of er kunstarmen en -benen aan te monteren, komen gaandeweg de robots tot stand die we tot dusver vooral uit strips en science fiction films kenden. In bijvoorbeeld autofabrieken zien we ze massaal aan het werk, maar ook in de agrarische sector is de melkrobot een alom geaccepteerd verschijnsel dat de melkveehouder heel veel werk uit handen neemt en in hoge mate bijdraagt aan de torenhoge productiviteit van de zuivelindustrie in Nederland.


Hoe gaat dat verder en is er nog wel werk voor iedereen?
Het snelle tempo waarin technologische ontwikkelingen hun intrede doen in verschillende sectoren van de economie doet sommigen de wenkbrauwen fronsen: komt mijn baan straks op de tocht te staan en houd ik het allemaal wel bij? Die zorgen over de toekomst zijn terecht. Veel mensen die relatief eenvoudig administratief werk doen, lopen een gerede kans dat hun werk over een jaar of tien (en soms al eerder) weg-geautomatiseerd wordt. Zo is het met het werk van lokettisten bij de bank of de spoorwegen gegaan en zo zal het ook gaan met de taken van medewerkers bij de Belastingdienst, banken of verzekeraars, ministeries of universiteiten die nu nog bonnetjes verwerken, brieven inboeken etc. Wat we tegelijkertijd zien, is dat niet al die mensen van wie het traditionele werk is verdwenen, werkloos zijn geworden (en gebleven). Velen van hen doen inmiddels wel iets anders dan in hun ‘oude’ functie. Het eerder beschreven proces van baanvernietiging en baancreatie zal de komende decennia ongetwijfeld voortgaan en bestaande banen zullen van inhoud en karakter veranderen. Wat echter heel moeilijk – zo niet onmogelijk – te voorspellen valt, is hoe snel die processen zullen verlopen en wat voor nieuwe banen er in de toekomst zullen ontstaan.

Nu al is het in principe mogelijk auto’s, vrachtwagens of treinen te laten rijden zonder chauffeur of machinist. Maar wanneer achten we de technologie zo goed ontwikkeld en zo betrouwbaar dat we ook daadwerkelijk achterin een zichzelf sturende auto durven te gaan zitten? Die betrouwbaarheid heeft veel te maken met het tempo waarin computers in staat zullen blijken te leren op basis van eerdere ervaringen en ook nieuwe, hen tot dusver onbekende situaties op adequate wijze te analyseren en tegemoet te treden. Computers mogen dan als het gaat om routinematige taken minder fouten maken dan hun menselijke evenknie, als het gaat om intuïtie en invoelingsvermogen is de mens vooralsnog de computer de baas. Die constatering geeft tegelijk een indicatie voor welk type werk voorlopig niet door computers of robots zal worden vervangen: al dat werk waarbij op een of andere manier een (belangen)afweging moet worden gemaakt, ethische aspecten aan de orde zijn en menselijke aspecten spelen. De computer kan prima ‘uitzoeken’ welke strafmaat in een reeks strafzaken is opgelegd en in hoeverre een lopende zaak overeenkomsten vertoont met eerdere zaken, maar in een concreet geval zal de rechter moeten oordelen of bepaalde specifieke omstandigheden aanleiding geven tot een lichtere of juist een zwaardere straf voor degene die zij schuldig acht. De computer kan prima aangeven hoe groot – gegeven eerdere gevallen en de kenmerken van een patiënt – de kans is op een succesvolle operatie, arts en patiënt zullen samen moeten bepalen of zij ook in deze concrete situatie een operatie gewenst achten. Dat neemt niet weg dat al die menselijke besluitvormers in de toekomst steeds meer zullen gaan leunen op snelle en geavanceerde analyses van bestaande informatie (big data), maar uiteindelijk moeten zij wel zelf het besluit nemen. Het ontsluiten en toegankelijk maken van informatie zal op zich nieuw werk creëren. Nu al zien consumenten – bijvoorbeeld in de reis- of verzekeringswereld of bij de keuze van een nieuwe smartphone – gegeven de overvloedige informatie die op internet beschikbaar is door de bomen het bos niet meer en spelen ondernemende types daar op in door een vergelijkingssite of een adviesbureau te beginnen om consumenten bij hun keuze te begeleiden.


Transitie naar robotsamenleving vraagt sturing en solidariteit
Hoewel op dit moment dus nog niet valt te voorspellen hoeveel en welke banen er zullen verdwijnen en hoeveel en welke er zullen bijkomen, is het niet ondenkbaar dat we per saldo met zijn allen minder uren zullen behoeven te werken dan thans het geval is. Dat is op zich geen probleem, mits we er in slagen de beschikbare uren op een fatsoenlijke wijze over de beroepsbevolking te verdelen en te voorkomen dat de toch al aanzienlijke ongelijkheid tussen de insiders op de arbeidsmarkt en de outsiders die buiten spel staan nog verder groeit. Vanuit dit perspectief is relevant dat vanwege ontgroening en vergrijzing de beroepsbevolking de komende decennia sowieso krimpt en dat we al een eeuw lang een continu proces van verkorting van de gemiddelde individuele arbeidsduur kennen. Meer vrije tijd is voor veel mensen een groot goed dat ruimte schept om juist die dingen te doen (bijvoorbeeld in de sfeer van gezin, gemeenschap of culturele ontplooiing) die in hoge mate bijdragen aan de kwaliteit van leven. Mocht er echter een situatie ontstaan waarin de banen in bepaalde beroepen of sectoren massaal verdwijnen en de vraag in andere beroepen of sectoren juist sterk groeit, dan ligt het probleem op tafel hoe vraag en aanbod op een adequate wijze kunnen worden gematcht en in hoeverre herverdeling van het beschikbare werk aan de orde is. Zonder enige vorm van herverdeling zou het er wel eens toe kunnen leiden dat bepaalde groepen langdurig buiten spel komen te staan, terwijl andere groepen zich hun leven lang drie slagen in het rond werken en voortijdig opgebrand raken omdat zij het werk niet aankunnen. Die ‘buitenspelpositie’ dreigt vooral voor wie zijn of haar baan weg-geautomatiseerd ziet en onvoldoende in staat is zich de nieuwe kennis en vaardigheden eigen te maken die noodzakelijk zijn in de robotsamenleving. De winnaars zijn die leden van de samenleving die over voldoende – mogelijk schaarse – kennis en vaardigheden beschikken om aan het front van de nieuwe technologische ontwikkelingen mee te doen.

Om de matching tussen vraag en aanbod soepeler te laten verlopen, maar ook om te zorgen dat mensen de veranderingen in hun eigen baan gemakkelijker verwerken en niet afhaken bij de introductie van verdere technologische vernieuwing, is het van belang dat meer dan tot dusver werk gemaakt wordt van de upgrading van de kennis en vaardigheden van de Nederlandse beroepsbevolking. Te veel werkenden – zeker al s zij wat ouder zijn – geven nog altijd aan niet systematisch aan het onderhoud van hun menselijk kapitaal, hun productieve vermogen, te werken. Omdat dit typisch een ‘na u’-probleem is (zowel werkgevers als werknemers ervaren te veel onzekerheid om daadwerkelijk tot het investeren van tijd, geld en moeite te besluiten), zijn hier collectieve afspraken tussen sociale partners en de overheid noodzakelijk. Hoe die eruitzien, is een kwestie van techniek; de uitkomst moet in elk geval een systeem zijn dat mensen stimuleert gedurende hun gehele levensloop regelmatig opnieuw aan de slag te gaan om hun kennis en vaardigheden te onderhouden en aan te vullen.


Wie betaalt onze verzorgingsstaat?
Behalve voldoende bereidheid om het beschikbare werk en de beschikbare kennis te delen, vergt een succesvolle transitie naar een robotsamenleving ook financiële solidariteit. Met het oprukken van de technologie dreigt een steeds groter deel van het nationale inkomen toe te vallen aan de productiefactor kapitaal en een kleiner deel aan de productiefactor arbeid. Gegeven de door concurrentieoverwegingen geïnspireerde tendens in de ontwikkelde landen over de gehele wereld om de productiefactor kapitaal lager te belasten, dreigt de robotisering de financieringsbasis van de verzorgingsstaat uit te hollen. Daarop zijn twee reacties mogelijk: of de verzorgingsstaat wordt verder uitgekleed en steeds meer voorzieningen worden aan de markt en marktwerking overgelaten of de lasten op de productiefactor arbeid worden verder verhoogd, wat een verdere stimulans zal vormen van de vervanging van arbeid door kapitaal en vooral ten koste zal gaan van de minst productieve leden van de beroepsbevolking. Het alternatief is uiteraard het varen van een koers waarbij de vruchten van de inzet van technologie niet exclusief bij de eigenaren van de computers, de robots en de technologie terecht komen, maar gebruikt worden om de samenleving als geheel te dienen en de economie duurzamer en toekomstbestendiger te maken. Opmerkelijk is in dit verband dat onder andere Bill Gates in februari 2017 voor een robot tax pleitte. Los van de precieze vormgeving van zo’n belasting, vergt een substantiëlere bijdrage aan de financiering van de verzorgingsstaat door de productiefactor kapitaal een herijking van de spelregels rond het betalen van belasting. Niets doen en met de armen over elkaar zitten, biedt weinig perspectief op een goede afloop.


Conclusie
De Nederlandse arbeidsmarkt staat voor forse veranderingen, maar dat is niet wezenlijk anders dan in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw toen bijvoorbeeld de mijnbouw verdween net als een groot deel van de textielindustrie en de grote scheepsnieuwbouwwerven. Ander werk kwam er voor in de plaats, zij het dat er niet één-op-één voor iedereen een nieuwe baan beschikbaar was. Daarmee werd de structurele aanpassing van de productiestructuur voor velen een pijnlijke aangelegenheid en een proces van langdurige aanpassing. Gewapend met wat we weten over hoe het toen ging, kunnen we nu ons voordeel doen: bijtijds investeren in de ontwikkeling van kennis en het aanleren van nieuwe vaardigheden die passen bij de ‘robotsamenleving’ voor brede lagen van de beroepsbevolking en bewerkstelligen dat de vruchten van de technologie min of meer gelijkelijk over de bevolking worden verdeeld. Dat voorkomt een tweedeling tussen degenen die vooral de lusten van voortgaande technologische ontwikkeling zullen ervaren en degenen die vooral met de lasten dreigen te worden opgescheept.


Prof. dr. Joop Schippers is als hoogleraar Arbeidseconomie verbonden aan de Faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht.