Participatiesamenleving en het regeerakkoord

Over wat het regeerakkoord zegt over de participatiesamenleving zou ik heel kort kunnen zijn: het begrip wordt in de 55 pagina’s van het akkoord niet genoemd. Dat is toch opvallend na de uitgebreide aandacht hiervoor van Kabinet Rutte II, concreet in de troonrede van 2013. Maar zonder de term te gebruiken, zegt dit regeerakkoord wel degelijk iets over het mee kunnen, mogen en willen bijdragen van mensen aan de samenleving.

Participatie bij Rutte II
Rutte II riep veel reactie op met de ambitie om van de Nederlandse verzorgingsstaat een ‘participatiesamenleving’ te maken. iedereen moest meer meedoen, en iedereen wilde dat volgens Rutte ook. Dat is een eenzijdige en liberale uitleg van het woord ‘participatiesamenleving’, gebaseerd op een zeer positief beeld van wat individuele mensen zelf kunnen en willen, en gebaseerd op de overtuiging dat als ieder doet wat hij wil, de samenleving als geheel ook beter af is. Voorzieningen moeten in deze opvatting beperkt blijven, omdat ze het risico meebrengen mensen van hun initiatief te beroven, hen lui te maken. Een meer linkse uitleg van ‘participatie’ zou veel meer de nadruk leggen op de vraag of iedereen wel mee kan doen. In die uitleg – ook die van toenmalig coalitiepartner PvdA – zouden voorzieningen ruimhartig voorhanden moeten zijn, om te zorgen dat iedereen mee kan doen. Ook dat zou een ‘participatiesamenleving’ genoemd kunnen worden. Rutte II gaf dit woord echter een specifieke rechtse invulling.

Een vangnet, als dat nodig is
Eén van de redenen dat ik ChristenUnie stem, is dat onze partij in deze discussie zowel het belang van eigen initiatief – of liever ‘verantwoordelijkheid’ – onderschrijft, alsook de noodzaak om actief vorm te geven aan solidariteit. Kansen zijn nu eenmaal niet gelijk verdeeld. En we hebben als mensen de opdracht naar elkaar om te zien. Ik zie het dan ook als invloed van de ChristenUnie dat het regeerakkoord van Rutte III opent met een standpunt dat meer het midden kiest: “In Nederland gaan individuele vrijheden en een hecht collectief hand in hand. Hier kan iedereen de ambitie najagen om over de hoogste lat te springen, in de zekerheid dat er een vangnet is als dat nodig is.”

Ik lees hierin de erkenning dat niet alleen individuele vrijheden  belangrijk zijn, maar zeker ook een hecht collectief;  al is het de vraag of hier met ‘collectief’ gedoeld wordt op een bepaalde zorgzaamheid en solidariteit. Dat suggereert het woord ‘vangnet’ wel. Ook vraag ik me af hoe ruimhartig de toevoeging ‘als dat nodig is’ wordt bedoeld. Deze en andere formuleringen in het regeerakkoord zijn nog voor allerlei uitleg vatbaar, hoe gaan ze uitgewerkt worden?

Concrete keuzes door Rutte III
Het wordt al concreter bij de keuze om meer geld te investeren in onderwijs en zorg. Dat zou kunnen leiden tot gelijkere kansen voor iedereen om daadwerkelijk mee te kunnen doen. Voor onderwijs gebeurt dat voorzichtig, via een verlaging van het collegegeld in het eerste jaar; maar jongeren zullen zich nog steeds behoorlijk in de schulden moeten steken om een studie te volgen, zoals ook jongerenorganisatie Perspectief opmerkt. Studeren betekent zo een financieel risico; leidt dat er niet toe dat jongeren uit rijkere milieus gemakkelijker zullen besluiten om te studeren dan  jongeren uit de armere lagen van de bevolking? Hierdoor zou de toch al groeiende tweedeling tussen arm en rijk vergroten. Ook extra geld in de zorg zou een goede stap kunnen zijn, maar het gaat om investering in verzorgingstehuizen, terwijl het erop lijkt dat er bezuinigd wordt op de ondersteuning voor mensen die zo lang mogelijk thuis willen – of ook moeten – wonen, concreet de huisartsenzorg en wijkverpleging. Om uiteindelijk de kosten van zwaardere (instellingsgebonden) zorg in de hand te kunnen houden is het toch juist belangrijk te investeren in laagdrempelige vormen van zorg en ondersteuning? Dit lijkt mij in tegenstrijd met een ander streven in dit akkoord: de inzet op de beweging van meer zorg naar de tweede en eerste lijn.

Participatie krijgt lokaal vorm
Een belangrijke nuancering van de impact van het regeerakkoord is dat de ondersteuning voor de participatie van mensen helemaal niet alleen afhangt van dit akkoord op nationaal niveau. Veel voorzieningen en regelingen zijn juist sinds de transities in 2015 (nieuwe Wmo en Wlz, nieuwe Jeugdwet, Participatiewet) gedecentraliseerd. Lokale politiek zal daarmee veel beslissender zijn dan voorheen voor de invulling van voorzieningen voor mensen met een beperking, in de manier waarop de toekenning van eerste- en tweedelijnszorg wordt vormgegeven en in hoeveel begeleiding iemand krijgt om zijn afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. Positief is dat het regeerakkoord een ‘integrale aanpak’ voorstaat (onder andere rond mensen met ggz-problematiek), en zoveel mogelijk laagdrempelige hulp en ondersteuning biedt (bijvoorbeeld voor gezinnen). Ook wordt in dit regeerakkoord specifiek aandacht gevraagd voor een goede ondersteuning van mantelzorgers. Maar gemeenten zullen dit moeten vormgeven. Het is mooie zet dat Paul Blokhuis is aangesteld als staatssecretaris van VWS. Hij weet als ervaren wethouder van binnenuit wat nodig is voor gemeenten om de ingezette transformatie van het sociale domein verder vorm te geven. 

Kortom, dit regeerakkoord doet gelukkig een beetje afstand van het al te rechtse ‘participatieverhaal’, maar de lokale praktijk moet uitwijzen wat dit betekent. De formuleringen ‘individuele vrijheid en een hecht collectief hand in hand’ laten alle ruimte voor linksere en rechtsere interpretaties. Ook voor het genuanceerde geluid van de ChristenUnie. Lokale politici, maak er wat van!


Dr. Ir. Marja Jager-Vreugdenhil is lector Samenlevingsvraagstukken aan Hogeschool Viaa in Zwolle