Ruimte voor de regio

Door Mirjam Kosten

De wereld wordt groter. Of misschien juist kleiner. Gebeurtenissen aan de andere kant van de wereld hebben invloed in Nederland en als reactie op de globalisering ontstaat er een hang naar het lokale. We vroegen hoogleraar Jouke de Vries om het begrip glokalisering te duiden. Wat betekent glokalisering voor bestuurders en wat vraagt het voor de inrichting van het bestuur? Zijn de huidige structuren werkbaar of vraagt de glokalisering om andere schaalniveaus? De Vries signaleert de opkomst van de regio, maar voorspelt dat het nog even duurt voor ‘de regio’ politiek meetelt.

Wat is glokalisering?
De term glokalisering bestaat uit een samenvoeging van twee termen: globalisering en lokalisering. De interconnectiviteit tussen landen en systemen neemt, mede door de informatietechnologie, steeds meer toe en globalisering is daarmee een heel belangrijke ontwikkeling.  Tegelijkertijd zien we de tendens om het lokale weer meer te gaan waarderen. Zet die twee ontwikkelingen bij elkaar, en dan wordt dat glokalisering.
De ene keer is dat globaliseringsproces weer belangrijker en de andere keer dat lokale.

Wat speelt nu vooral?
We zitten nu in een periode waarin het lokale weer belangrijker wordt. De globalisering gaat gepaard met enorme immigratiestromen en ook met terrorisme. Daarom vindt men die grote, globale wereld ook wel lastig. Dan zie je dat het lokale weer heel erg belangrijk wordt. En sommige mensen voegen daaraan toe: als je het lokale niet goed op orde hebt, krijg je ook geen steun voor de globalisering. Mensen moeten zich zeker voelen op het lokale niveau, als ze dat voor elkaar hebben, dan durven ze zich ook veel meer in te laten met processen van globalisering.

Lokaal, betekent dat gemeente, provincie, of kan dat ook het nationale niveau zijn?
Zeker, in het proces van globalisering is ‘nationaal’ juist een vorm van lokaal. Maar die nationale staat krijgt het wel moeilijker en ook dat is het gevolg van globalisering. Bestuurlijk krijgt die nationale staat de zaken niet meer zo voor elkaar.  Dat komt mede door wat ze zelf doen, namelijk het decentraliseren van taken, waardoor de regio wel steeds belangrijker wordt. Glokalisering is dus een ingewikkeld begrip omdat je bij ‘het lokale’ kunt  denken aan het nationale niveau, het regionale, het stedelijke en het wijkniveau.

Leiden processen van globalisering onvermijdelijk tot lokalisering en nationalisme?
Eerder dacht men: ‘dit is het einde van de geschiedenis, nu komen we in deze fase van de globalisering en we worden steeds gelukkiger’. Dat had te maken met de politiek van na 1989, oude systemen vielen in elkaar, het communisme verdween en wat was er mooier dan dat al die landen met elkaar gingen interacteren en dat de liberale democratie het overal zou winnen? Dan ontstaat een situatie zonder spanningen, zonder conflicten en zonder oorlogen. Maar globalisering is een proces van these en antithese. Die antithese wordt nu ook duidelijker waardoor we dus met allerlei ontwikkelingen geconfronteerd worden. We zien dat de these van ‘het einde van de geschiedenis’ van Fukuyama niet kan kloppen omdat er weer nieuwe spanningen ontstaan. Globalisering is door heel veel partijen omarmd als iets positiefs.  Maar het is geen rechte lijn, er wordt ook weer op gereageerd.

Zijn de Brexit en de afscheiding van Catalonië voorbeelden van nationalisering en de opkomst van de regio?
De wereld wordt te groot. De Brexit is duidelijk een tegenreactie daarop. Dat is bij Catalonië lastiger te zeggen omdat daar ook een enorme, historische dimensie aan zit. Maar duidelijk is wel: lokale en nationale identiteit worden heel belangrijk.

Wat is de bestuurlijke kant van glokalisering?
Bij glokalisering hoort ook de gedachte dat er bestuurd moet worden op lagere niveaus. Sommige mensen zeggen dat de nationale staat verdwijnt, maar daar geloof ik niet helemaal in. Toch hoor ik steeds meer mensen zeggen dat je veel zaken beter niet aan Den Haag over kunt laten, omdat je ze beter in de regio’s voor elkaar krijgen. We hebben een bestuurlijke indeling van Den Haag, provincies en gemeentes, maar er ontstaan spontaan en organisch regio’s. Zo zijn er bijvoorbeeld de metropolenregio Den Haag Rotterdam,  de regio Amsterdam, een regio rondom Eindhoven, rondom Twente, Enschede en in het Noorden begint het nu heel voorzichtig. De nationale staat raakt bevoegdheden kwijt aan Europa, maar ook aan decentrale overheden en daardoor worden de regio’s belangrijker. Dat is op dit moment allemaal in beweging. De vraag is nu, en dat is een oude bestuurskundige vraag: wat is het juiste schaalniveau om te besturen?

Is de provincie het niveau waarmee we moeten werken?
Blijkbaar niet, want er ontstaan dus steeds weer die regio’s. En die zijn soms provincie overstijgend en overstijgen soms ook de landsgrens. Regio’s bestaan ook naast de provincie. Dat heeft ermee te maken dat het takenpakket van de provincie niet gericht is op de nieuwe taken van de gemeente. Dus die relatie tussen provincie en de regio moet doordacht worden. Bij gemeenten zie je dat er steeds grotere gemeenten ontstaan. Dus het plaatje dat ik zie is: grotere gemeentes, regio’s. Ik zeg niet dat we de provincies moeten opheffen, maar ze moeten beter gaan samenwerken en dat kan in regionaal verband. Daarmee krijg je toch een andere politieke situatie. De nationale overheid wil taken kwijt en verliest een deel van haar takenpakket aan Europa. Dat is een trein die ze niet stoppen denk ik, dus die nationale overheid wordt minder van belang.

Den Haag loopt dus aan twee kanten leeg. Naar Europa en naar de decentrale overheden?
Ja, en richting Europa gaat dat misschien niet van harte. De nationale overheid worstelt met haar eigen takenpakket en decentraliseert heel veel van de verzorgingsstaataken naar de provincie en de gemeente. Dat heeft tot gevolg dat Den Haag minder centraal kan sturen, kleiner wordt en aan legitimiteit verliest. Die taken moeten door anderen worden overgenomen en dat zie ik om me heen gebeuren.

Vervolgens is het de vraag welke taak waar hoort. Ik denk we dat de law en orderfunctie, dus politie, justitie, defensie, het best op dat centrale niveau kunnen houden. Over onderwijs kun je discussiëren.  In de regio kun je ook veel voor elkaar krijgen. De nationale staat moet vooral faciliterend zijn, dus wat in de Engelse literatuur de enabling state wordt genoemd. De staat moet het mogelijk maken dat anderen hun werk kunnen doen. De staat zit dus op het voorwaardenscheppende terrein en moet niet te veel zelf willen doen.

Die ‘regionalisering’ vraagt dus om een ander bestuursmodel?
De opkomst van de regio is ook in Den Haag wel opgemerkt. Maar we zitten wat vast in bestaande structuren. Veel processen zijn niet zozeer rationeel, maar politiek vormgegeven.  Dat zie je bijvoorbeeld bij de vorming van het nieuwe kabinet.  Er wordt gezegd ‘er komen zestien ministers en even of acht staatssecretarissen’. Dat doet men om het evenwicht op het politiek niveau voor elkaar te krijgen. Maar dat betekent dat we niet het echte organisatievraagstuk kunnen oplossen want we hebben al die posten te verdelen. Rationeel gezien moeten we tot een ander bestuursmodel komen, dus minder ministers, minder staatssecretarissen en ruimte voor de regio. Maar omdat het politieke processen zijn, is er de machtsvraag en gaat het eerder om getallen dan om die doordenking.

U ziet er liever minder?
Nee, dat is het punt niet. Veel liever zie ik dat er een goede analyse, een rationele doordenking komt van hoe we het binnenlandse bestuur moeten vormgeven. Maar ja, dan moet je de Grondwet veranderen en dat zie ik er nog niet van komen. Politieke partijen hebben er tenslotte geen belang bij.  Er is mijns inziens behoefte aan een structuurdiscussie, over hoe regiobestuur, parlement en gemeenteraden zich tot elkaar moeten verhouden. Maar dat gaat nog lang duren ben ik bang.

Is dat dan uit behoudzucht? Kunt u dat duiden?
Ja, dat komt voort uit behoudzucht en politieke machtsverhoudingen: ‘Het is nu eenmaal altijd zo geweest, er zijn institutioneel gegroeide verhoudingen en we hoeven maar drie bestuurslagen want dat heeft Thorbecke bedacht in 1848.’ Het verandert alleen als het vastloopt.

En ziet u dat nu al gebeuren?
Omdat we nu weer met economische groei te maken krijgen, wordt de urgentie om dingen te veranderen toch minder gevoeld, terwijl je het nu dus wel zou moeten doen.  Die stuctuurvernieuwing is nodig. Die organische veranderingen, zoals de opkomst van de regio, hebben een functie, anders zouden ze niet ontstaan of men zou ze onmiddellijk verbieden. Maar het gebeurt, men heeft die wil om samen te werken op een ander schaalniveau dan net boven de gemeente en onder de provincie. Dat tussenniveau. Maar ik ben pessimistisch over de veranderingsgezindheid van het staatsbestel. Het zal nog lange tijd in die informele sfeer blijven, totdat het echt niet meer kan.

Stel dat er een regioparlement zou komen naast het Haagse parlement. Worden dat niet wat veel bestuurslagen? 
Dat leidt inderdaad niet tot de oplossing van het probleem van bestuurlijke drukte. Dus daar zul je goed over moeten nadenken. Ik zie duidelijk bij de gemeente dat door de decentralisaties er de behoefte ontstaat om naar een hogere schaalniveau te gaan. Kleinere gemeentes lenen ambtenaren van grotere steden. Je ziet dan ook een oriëntatie op de steden in de regio. Dus er ontstaat een soort servicemodel op ambtelijk niveau. Ik zie de regio steeds belangrijker worden en signaleer dat de provincies in toenemende mate met die snel groeiende regio’s willen samenwerken. Hoe dat eruit moet gaan zien, daar moeten we verder over nadenken.

De opkomst bij lokale verkiezingen is altijd lager dan bij landelijke verkiezingen. Hoe kan dat als het lokale juist in opkomst is?
Deze ontwikkeling speelt al een tijdje, dus je zou zeggen dat dat terug te zien moet zijn. Maar het is lastig te zien of mensen nu meer betrokken zijn. De opkomst is lager dan bij landelijke verkiezingen, maar dat zou kunnen veranderen als het lokale bestuur meer bevoegdheden en meer middelen zou krijgen. Met meer taken, is er ook meer te kiezen. Dan wordt het ook lokaal spannender.

Wat vraagt de nieuwe nadruk op de lokale politiek van burgemeesters, wethouders, en raadsleden? Wat moeten ze kunnen wat ze twintig jaar geleden nog niet hoefden?
Er zijn natuurlijk altijd goede mensen nodig in de politiek, ook op lokaal en regionaal niveau. Ik denk dat de vraagstukken die op die regio’s, provincies en gemeenten afkomen, steeds groter en complexer worden. Dat betekent ook dat gemeenteraadsleden, bestuurders van gemeenten hun kennis maar ook hun vaardigheden echt bij moeten houden. Burgemeesters moeten veel meer bezig zijn met internationalisering, vanwege de globalisering. Ze moeten bedrijven kunnen aantrekken voor hun gemeente en dus hun talen kennen, goed kunnen onderhandelen. Ze moeten de portefeuille Openbare Orde goed beheersen omdat in de geglobaliseerde wereld veiligheid een belangrijk vraagstuk is. Ze moeten veel empathischer zijn dan in het verleden. Ik noem dat de terugkeer van de burgemeester. Door ontwikkelingen van globalisering is de burgemeester weer veel belangrijker geworden. En als ze de dualisering van het gemeentebestuur consequent doorvoeren, krijgen we ook een gekozen burgemeester. Dan krijgen we ook echt politiek op het lokale niveau.


Prof. dr. Jouke de Vries is Hoogleraar Governance en Public Policy Universiteit Groningen en decaan Campus Fryslân van diezelfde universiteit.