Verandering van tijden en het debat in de ChristenUnie

In de jaren negentig vond er een maatschappelijk debat plaats over de aard van het huwelijk. Het recht kende toen nog een redelijk traditionele opvatting: een verbintenis tussen één man en één vrouw. Tegenover pogingen om dit te veranderen, pleitten de voorlopers van de ChristenUnie voor het vasthouden aan een op de Bijbel gebaseerde norm. De partij kwam in 1998 met de studie Individualisering en gezinsbeleid. Deze vatte het bekende standpunt helder samen, in de aanloop naar het debat over de openstelling van het huwelijk voor koppels van het gelijke geslacht. In de bijna twintig jaar die sindsdien zijn verstreken, zijn echter de samenleving en het recht verder veranderd. De vraag is daarom, waar de ChristenUnie op dit moment staat als het gaat over relaties, huwelijk en ouderschap. In dit artikel staat het rapport van de Staatscommissie Herijking Ouderschap centraal. Hoe moet de ChristenUnie hiermee omgaan?


Door: Marianne Verhage – Van Kooten


De bijdrage van de voorlopers van de ChristenUnie aan de maatschappelijke discussie over het huwelijk in de jaren negentig kan alleen goed beoordeeld worden tegen de achtergrond van de destijds heersende rechtsopvatting. Die bestond onder andere uit de volgende elementen:

  • Het traditionele personen- en familierecht is opgebouwd rondom het huwelijk als verbintenis van een man en een vrouw, met de eventueel daaruit voortgekomen kinderen. De Hoge Raad bevestigde in 1990 nog dat het huwelijk alleen door personen van verschillend geslacht gesloten kan worden en meende daarnaast dat de mogelijkheid van voortplanting essentieel is voor het huwelijk.
  • De rechtsregels moeten op zodanig systematische wijze vastgelegd zijn, dat een huwelijk tussen man en vrouw automatisch (dus: van rechtswege) is gekoppeld aan een drievoudig ouderschap: biologisch (genetisch), feitelijk (ouders voeden op) en juridisch (van wie erft het kind, wiens naam kan het dragen, wiens nationaliteit kan het krijgen). Huwelijk en voortplanting horen onlosmakelijk bij elkaar – met adoptie als uitzondering.
  • Huwelijk en gezin zijn van vitaal belang voor de samenleving. Zij verzekeren het voortbestaan van de samenleving in fysieke zin en vormen de sociale basis voor de ontplooiing van mensen. Daarom dient de overheid het publiek belang door deze verbanden te beschermen.

Deze opvatting stoelde op Romeins en Frans recht en sloot duidelijk aan bij het normen- en waardenpatroon dat de twee voorlopers van de ChristenUnie uit de Bijbel afleidden. Dit betekende dat deze partijen een voorgenomen aanpassing van dat recht ook beantwoordden vanuit dit Bijbels kader. Zij achtten het van belang om deze normen in de politiek in te brengen. De rechtsopvatting zoals die toen gold, had overigens ook schaduwkanten. Nog lang zijn kinderen die buiten het huwelijk geboren werden ‘onwettig’ of ‘bastaarden’ genoemd. Zij waren het kind van de rekening.
De wetenschappelijke bureaus van RPF en GPV publiceerden in deze jaren studies over gezin en huwelijk, waarin zij uitgingen van deze rechtsopvatting. Voorbeelden zijn de RPF-studie Individualisering en gezinsbeleid uit 1998 (twee jaar later heruitgegeven als Werken aan een rotsvast gezinsbeleid) en de GPV-nota Het gezin welgezind uit 1995.

In diezelfde jaren negentig kwam het GPV echter ook met de spraakmakende korte studies Zo zijn we niet getrouwd en Samenwonen verplicht. Hierin nam deze partij, omfloerst maar onmiskenbaar, afscheid van de traditionele rechtsopvatting. Dit leidde tot veel ophef en afkeurende reacties van RPF’ers, onder wie André Rouvoet.
Inmiddels zijn we ongeveer twintig jaar verder. Hoe is de samenleving sindsdien veranderd? En welke ontwikkeling heeft het denken van de ChristenUnie in die periode doorgemaakt?


Maatschappelijke ontwikkelingen
We zijn sinds de jaren negentig ingehaald door maatschappelijke ontwikkelingen zoals (verdere) deconfessionalisering, individualisering en ontwikkelingen in de genetica. Dit heeft tot gevolg gehad dat steeds meer leefsituaties van partners juridisch bevestigd zijn. Denk aan de partnerregistraties voor koppels van gelijk en divers geslacht (1998) en het openstellen van het huwelijk voor mensen van gelijk geslacht (2001). Een ander voorbeeld is dat sinds 2014 ook een vrouw een kind kan erkennen. Dat was eerst alleen voorbehouden aan de man, die daarmee aangaf dat het betreffende kind biologisch van hem was. Erkenning is echter sinds drie jaar losgekoppeld van de genetische werkelijkheid. Daarom spreken juristen hier nu over als rechtshandeling en niet meer als waarheidshandeling. Met andere woorden: als een man of vrouw een kind juridisch wil erkennen als het zijne of hare, is voor de wet niet meer doorslaggevend of dat biologisch ook echt zo is. Wat telt is of die erkenning volgens de regels is verlopen. Een fundamentele verandering van denken.

Naast de twee- en éénoudergezinnen zijn er inmiddels ook samengestelde gezinnen, gezinnen van ouders van gelijk geslacht (‘regenbooggezinnen’) waarbij soms meerdere vaders en moeders met elkaar één of meerdere kinderen verzorgen en opvoeden (meerouderschap). Overigens gaat het bij die laatste groep slechts om enkele duizenden gezinnen (0,2 procent van het totaal), zoals zichtbaar is in de infographic op pagina 22 van dit nummer van Groen. Duidelijk is wel dat het kind lang niet altijd meer opgroeit met twee ouders, waarvan de een de genetische moeder en de ander de genetische vader is.


Kind en ouders in de 21ste eeuw
In december 2016 verscheen het rapport Kind en ouders in de 21ste eeuw van de Staatscommissie Herijking Ouderschap. Hierin is onderzocht of de wetgeving voor juridisch ouderschap en ouderlijk gezag voldoende rekening houdt met maatschappelijke en medische veranderingen. De commissie stelt de belangen van het kind centraal, in de huidige tijd met diverse samenleefvormen. Ze vindt het enerzijds belangrijk te zien dat het kind in een afhankelijkheidspositie verkeert en belang heeft bij goed ouderschap, maar anderzijds dat het ongeacht de samenleefvorm van de ouders dezelfde rechtspositie moet hebben als ieder ander kind.

Het begrip ‘goed ouderschap’ wordt door de Staatscommissie nader ingevuld. Zij onderscheidt zeven kernen, die voor ieder kind beschikbaar moeten zijn: (1) een onvoorwaardelijk persoonlijk commitment, (2) continuïteit in de opvoedingsrelatie, (3) verzorging en zorg voor lichamelijk welzijn, (4) opvoeding tot zelfstanding en sociale en maatschappelijke participatie, (5) het organiseren en monitoren van de opvoeding in het gezin, de school en het publieke domein, (6) de vorming van de afstammingsidentiteit en (7) de zorg voor contact- en omgangsmogelijkheden met voor het kind belangrijke personen, onder wie de ouders. Een regeling voor ouderschap en ouderlijk gezag zal volgens de commissie moeten verzekeren dat deze kernen in de opvoeding voldoende tot hun recht komen en zal bescherming moeten bieden aan kinderen.


Ouderschap zonder genetische band
De Staatscommissie kwam met maar liefst 68 aanbevelingen, waaronder uitbreiding van juridisch ouderschap naar maximaal vier ouders, een regeling voor draagmoederschap en een recht op informatie over de ‘ontstaansgeschiedenis’ van kinderen. Met name de eerstgenoemde aanbeveling trok de aandacht in de media en heeft juridisch zeer ingrijpende consequenties. Hoe moet de ChristenUnie hierover het debat aangaan? Een beroep op de geldende rechtsopvatting, zoals bij het debat over het homohuwelijk in de jaren negentig, lijkt nu onmogelijk. Het recht is immers ingrijpend veranderd. Als de partij in het debat terugvalt op de rechtsopvatting van eind vorige eeuw, zal dat schouderophalend als een getuigenis worden ontvangen. De ChristenUnie zal in haar opstelling moeten bezien hoe zij in de gegeven omstandigheden de beste waarborgen kan vinden voor de Bijbelse noties van trouw en de bescherming van de belangen van gezin en kind.

Het rapport van de Staatscommissie geeft daar handvatten voor. De kernen van goed ouderschap zijn een goede kapstok. Begrippen als onvoorwaardelijkheid, continuïteit, lichamelijk welzijn, opvoeden tot zelfstandigheid en participatie zijn belangrijke onderdelen van goed ouderschap. Vanuit Bijbelse noties zijn deze kernen te onderschrijven. In aanvulling hierop zal de ChristenUnie echter ook moeten pleiten voor de zorg voor het psychisch en geestelijk welzijn van het kind.

Ingewikkelder lijkt de laag die dieper ligt. De Staatscommissie komt bovenal tot de conclusie dat niet alleen de genetische band de basis is voor ouderschap, maar ook de intentie om een kind geboren te laten worden en/ of te willen opvoeden. Hier ligt ten diepste de kern van het rapport. De Staatscommissie wil deze posities aan elkaar gelijk stellen. Daarom wordt gepleit om niet meer te spreken over afstammingsrecht, maar over verwantschapsrecht. Niet meer over bloedverwantschap, maar verwantschap. Deze stap naar ouderschap zonder genetische band is eigenlijk al genomen bij invoering van het homohuwelijk, inclusief de mogelijkheid tot adoptie. De stap naar meerouderschap en meerpersoonsgezag moet vanuit deze achtergrond begrepen worden.

 

Suzanne en David en hun ouders
De kernen van goed ouderschap kunnen in de discussie over het rapport als toetsingskader gebruikt worden. Twee cases kunnen dit verduidelijken.

Casus A. Annelie en haar lesbische partner hebben al lang de wens om ouders te worden. De biologische klok tikt. Ze vragen een homostel of zij als donor voor het kind willen optreden. Hun wens om een kind te willen verzorgen en opvoeden is groot. Uiteindelijk krijgt Annelie een dochter: Suzanne. De twee stellen leven gescheiden, maar treden samen op als de feitelijke verzorgers en opvoeders van Suzanne.
De Staatscommissie wil dat beide stellen al voorafgaand aan de conceptie het meerouderschap regelen in een overeenkomst. Zo gaan alle betrokkenen beter nadenken over hoe zij het ouderschap vorm willen geven en hoe ze om zullen gaan met eventuele conflicten. Voor Suzanne wordt duidelijk van wie zij erft, de achternaam krijgt, welke nationaliteit zij krijgt et cetera. Vanuit het perspectief van goed ouderschap gezien lijkt er nog niet zoveel aan de hand.

Casus B. David is geboren in het huwelijk van Else en Ruud. Na zes jaar vindt de echtscheiding plaats en na twee jaar trouwt Else met Patrick en Ruud met Ilse. David is inmiddels acht jaar oud. De nieuwe partners willen formeel ook ouders worden en ouderlijk gezag gaan uitoefenen, want David is de ene week bij Else en Patrick en de andere week bij Ruud en Ilse.
Omdat meerouderschap volgens de regeling al voor de geboorte geregeld moet zijn, is de wens van Else, Patrick, Ruud en Ilse niet haalbaar. Wel kan de rechter gevraagd worden om door het uitspreken van eenvoudige adoptie tot een meerouderschapsconstructie te komen. Volgens de Staatscommissie dient de achtjarige hier schriftelijk toestemming voor te geven. Maar wat als David dat niet wil? Wat betekent dat dan voor de verhoudingen met de verschillende betrokkenen? Hoe zit het met de loyaliteit van David naar zijn schare van opvoeders? De situatie lijkt op gespannen voet te staan met het psychisch en geestelijk welzijn van David.


Meerouderschap en relatiebreuk
Meerouderschap is niet alleen veel gevraagd van Suzanne en David en hun opvoeders, maar ook van de rechterlijke macht. Annelie, haar partner en de twee mannen moeten voor de geboorte hun meerouderschapsplan voorleggen aan de rechter. De rechter stelt een bijzonder curator aan die opkomt voor de belangen van Suzanne. Vervolgens kunnen er verschillen van mening ontstaan tussen al die gezagsdragers onderling en met de curator. Wat zeker niet ondenkbaar is gezien het hoge percentage ‘gewone’ relaties, met twee ouders, dat eindigt in een moeizame of conflictueuze (v)echtscheiding. Kinderrechters en advocaten hebben nu al hun handen vol aan de afhandeling van deze scheidingen. Daarbij blijkt (het belang van) het kind vaak te lijden onder ruzies van ouders. De complexe juridische constructie van meervoudig ouderschap kan betekenen dat de huidige echtscheidingsproblematiek verder zal toenemen, met alle negatieve gevolgen van dien. De Staatscommissie benoemt de mogelijke toename van conflictsituaties maar verbindt daar geen consequenties aan.  

Als onderbouwing voor meervoudig ouderschap wordt het recht van kinderen op gelijke posities genoemd. Een kind geboren in een huwelijk van mensen van het gelijke geslacht heeft in de huidige situatie twee juridische ouders. Volgens het rapport moet het, bij feitelijk ouderschap van drie of vier volwassenen, ook drie of vier juridische ouders kunnen krijgen. De vraag is echter wie hier om vraagt: het kind of de volwassenen? Onderzoek hiernaar is gerechtvaardigd. Bovendien blijven ook na invoering van deze regeling bepaalde gezinssituaties niet geregeld. Een ouder zoals Annelie wil misschien al die juridische rompslomp niet.

Concluderend zal de ChristenUnie in dit debat de nadruk moeten leggen op goed ouderschap, op het belang van het kind, op de druk die de Staatscommissie met haar voorstellen legt op de rechterlijke macht en de mogelijke toename van allerlei gezagsconflicten in een situatie van meerouderschap.


Mr. Marianne Verhage – Van Kooten is juriste en namens ChristenUnie/ SGP wethouder Jeugd in de gemeente Huizen.