Refamilization: de terugkeer van gezin en familie in de zorg

De socioloog Anthony Giddens schetste in 1998 in The Third Way de contouren voor een vernieuwde verzorgingsstaat.1 Hij stelde een nieuwe balans voor tussen overheid, markt en burger. Daarbij geeft de overheid verzorgingstaken ‘terug’ aan markt en burger. In de ogen van Giddens was de burger te veel gaan leunen op de overheid, die daardoor overbelast raakte. Daarom bepleitte hij een vergaande decentralisatie van de verzorgingsstaat, een groter appel op zelfredzaamheid en de civil society en benadrukte hij het belang van het gezin als zorginstituut bij uitstek. Hoewel Giddens bekend staat als pleitbezorger van individualisering, kon hij blijkbaar dus niet om het gezin heen.
In Nederland werd Giddens ‘de derde weg’ omhelsd als de verzoening tussen socialisten en liberalen. Met name de PvdA liep er mee weg.2 Maar welke plek hebben zijn ideeën over het gezin gekregen bij de hervorming van de verzorgingsstaat?


Door: Wim Dekker (met dank aan Wieke Ligtenberg)


De verzorgingsstaat in Nederland is fors herzien en de invloeden van Giddens zijn daarin aantoonbaar. Er kwam meer markt, een forse decentralisatie van zorg en welzijn, een groot accent op zelfredzaamheid en civil society en een nadruk op de plicht tot participatie. De Contourennota uit 2003 bevat al deze elementen. De politiek heeft hieraan vervolgens constant en consistent uitvoering gegeven.

Inmiddels ligt het grootste deel van de klus achter ons. Onder de nieuwe verhoudingen zoeken gemeenten, burgers en de markt naar een betere afstemming. In dit artikel verken ik de plek die bij deze herinrichting van de verzorgingsstaat aan het gezin is toebedeeld. Daarbij concentreer ik me op de WMO. Twee vragen staan centraal: wie vormen het informele netwerk en welke taken worden aan dit netwerk toebedeeld?


Zorgideologie: informele zorg3
In de nieuwe zorgideologie zoals gepresenteerd in de WMO is gezocht naar een optimale afstemming tussen zelfredzaamheid, informele zorg en professionele zorg. Professionele zorg is niet langer een recht dat afdwingbaar is op grond van de (lichamelijke, psychische of sociale) klacht  zelf, maar wordt afhankelijk gemaakt van de beschikbaarheid van zelfzorg en informele zorg. De kern van deze nieuwe zorgideologie wordt in de WMO-nota van 2015 scherp onder woorden gebracht:

“Wanneer iemand naar het oordeel van het college niet in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en onvoldoende is geholpen met de inzet van eigen kracht, gebruikelijke hulp (hulp door huisgenoten, WHD), mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, beslist het college tot het verstrekken van een (individuele) maatwerkvoorziening.”4

Dit geeft duidelijk aan hoe de verhouding is tussen zelfredzaamheid, informele zorg en professionele zorg. De verantwoordelijkheid voor zorg wordt toebedeeld aan onderscheiden personen en netwerken die zich als concentrische cirkels rondom de zelfzorg bevinden. De binnenste cirkel is die van gebruikelijke zorg (zorg door huisgenoten), daarna de mantelzorg of anderen uit het eigen netwerk van de hulpvrager, daarna allerlei vrijwilligersorganisaties en dan pas de professionele zorg, gefinancierd door de overheid. Het wordt echter niet of nauwelijks expliciet gemaakt welke personen achter deze vormen van zorg zitten. Ook blijft open wat de ondersteuning inhoudt die vanuit het informele netwerk geboden dient te worden.

Het tweede dat opvalt is dat de zorg niet gebonden wordt aan instituties als het gezin of de familie. Gebruikelijke zorg wordt verbonden met huisgenoten en bij het gebruik van het woord mantelzorg wordt in het midden gelaten of het hier familieleden dan wel andere relaties van de zorgvrager betreft. Het contrast met de Jeugdwet is groot. Daar wordt veel explicieter gesproken over de opdracht van ouders in de zorg voor hun kinderen. De verplichtingen die voortvloeien uit de ouder-kindrelatie zijn, als het om de ouders gaat, blijkbaar minder omstreden dan verplichtingen vanwege andere familieverhoudingen.

Opvallend is dat de overheid kritisch is over het verantwoordelijkheidsbesef van burgers. In de Contourennota staan malicieuze zinnen over de consumptieve burger: “Het kabinet vindt dat de individualisering van de samenleving onvoldoende gelijke tred heeft gehouden met de noodzaak om mensen en hun maatschappelijke verbanden ook verantwoordelijkheid te laten nemen. Dat is in de zorg niet anders. Daar is in de loop der jaren een stelsel van verzekerde aanspraken ontstaan dat bijna alles te bieden heeft, zorg zowel als ondersteunende faciliteiten. (…) Waar het vroeger gewoon was dat mensen zelf de verantwoordelijkheid namen door bijvoorbeeld zelf maatregelen te treffen, is er de laatste jaren een verschuiving naar de AWBZ opgetreden.”

Tegelijk wordt in de WMO-nota over mantelzorgers gezegd dat zij “van groot belang (zijn) voor een leefbare samenleving en sociale samenhang” en dat zij bijdragen aan “het betaalbaar houden van collectieve arrangementen”.5 In de Contourennota is deze bijdrage gekwantificeerd: mantelzorg vormt een maatschappelijk kapitaal van 7 miljard euro.6 Met andere woorden: burgers worden gemaand, gelokt en geprezen in de hoop dat dit aanzet tot een grotere zorgverantwoordelijkheid.7 Dit veronderstelt een zorgmoraal, die gefundeerd wordt in het principe dat een burger niet alleen verantwoordelijk is voor zichzelf, maar ook anderen in staat moet stellen tot participatie. Deze moraal hoort bij deelnemen aan de samenleving, maar wordt niet verbonden aan het deel hebben aan een gezin of familie.

Informele zorg is de morele verantwoordelijkheid van de burger, maar het is ook een zaak van eigen keuze. De overheid moraliseert er wel over, maar wil er niet echt toe verplichten. Geen taakomschrijvingen dus voor partners, kinderen of buren. Helemaal vrijblijvend is het ook niet. De overheid trekt zich eenvoudigweg terug. In de praktijk zie je dat ambtenaren en zorgaanbieders hier op inspelen: dit is wat wij doen, maar voor die taak moet u zelf zorg dragen of een beroep doen op uw netwerk. Noem het passieve dwang of drang.

Kortom, de overheid verwacht steeds meer van informele zorg, roept ook op tot informele zorg, stemt het professionele zorgaanbod daar ook op af, maar blijft vaag over de plichten van de burger. Blijkbaar is een expliciet beroep op verplichtingen die voortvloeien uit familiebanden not done. Consequentie is dat de burger zelf uit moet zoeken hoe hij zijn informele zorg regelt.


Observaties
De relatieve vaagheid in het beleid als het gaat over het wie en het wat van informele zorg valt op. Vooral als je je realiseert dat veelal familie en gezin verantwoordelijk zijn voor de zorg. Dit hangt wellicht samen met de vrees van liberale en sociaaldemocratisch partijen om iets bevestigends over gezin en familie te zeggen. Ze spreken makkelijker over autonomie dan over verbondenheid en zorgplichten.

Tegelijkertijd is dit ook een kwestie van tijd. Schinkel en Van Houdt typeren het beleid van liberalen en sociaaldemocraten inzake de herinrichting van de verzorgingsstaat met de term neoliberaal communitarisme: “In sociaal beleid, van lokaal tot nationaal niveau, staat tegenwoordig een bestuursvorm centraal die zich richt op de vrije burger, die kiest voor het opgaan in constructieve gemeenschappen en zo ‘verantwoordelijk burgerschap’ toont. Daarin staat vrijheid centraal als verantwoordelijkheid, als het kunnen (want: ought implies can) en willen opgaan in gemeenschappen die zich inzetten voor de buurt, voor de medeburger of voor demaatschappij als geheel.”8Eenmaal op dit pad kom je onvermijdelijk het gezin en de familie tegen. Nu eenmaal de grenzen van de individualisering zijn erkend, zal een herwaardering van gezin en familie ook wel een keer komen.

Dat laatste bleek al uit onderzoek in Zweden waar vergelijkbaar beleid is ingevoerd. Een terugtrekkende overheid betekende daar dat gezin en familie meer zorgtaken op zich namen. Dat gold vooral voor de categorie met een relatief laag inkomen. De hogere klasse kocht op de markt van welzijn en geluk zelf zorg in. De opkomst van meer familiezorg werd in dit onderzoek getypeerd met het begrip ‘refamilization’. Neoliberaal beleid stoot dus vroeg of laat op de zorgkracht van familiebanden.

Gezin en familie zijn voor de christelijke politiek een speerpunt. Daarbij is vaak een antithetische weg in geslagen. Nieuwe ontwikkelingen als de emancipatie van vrouwen, anticonceptie en alternatieve samenlevingsvormen leiden tot fel verzet en worden steevast gezien als uitingen van een autonome, liberale mens die daarbij in strijd met scheppingsordeningen handelt. Toen recentelijk het rapport Kind en ouders in de 21e eeuw van de Staatscommissie Herijking Ouderschap verscheen, reageerden christelijke organisaties direct vanuit diezelfde oude reflex: autonoom denken is niet goed voor kinderen, in strijd met elke scheppingsordening enz. Zo’n antithetische opstelling is hier niet nodig. Individu en overheid ontdekken nu als vanzelf de waarde van gezin en familie.

De antithese legde weliswaar een groot accent op autonomie en individualisering bloot bij liberalen, maar het lukte niet zo goed om het eigenlijke van het gezin naar voren te brengen. Wij realiseren ons nu dat vrouwenemancipatie een einde heeft gemaakt aan tal van onderdrukkende situaties en ruimte heeft gemaakt voor maatschappelijke participatie. Anticonceptie is inmiddels alom geaccepteerd. Scheiding is steeds minder een kwaad en steeds meer tragiek geworden. En, als ik de tekenen goed versta, geldt op termijn hetzelfde voor homoseksualiteit. Het enige verzet dat duurzaam lijkt te zijn is het verzet tegen abortus. Enige aarzeling bij het betrekken van een antithetische stelling is daarom raadzaam.

De herinrichting van de verzorgingsstaat en het verborgen appel dat daarin wordt gedaan op het gezin en de familie, biedt de mogelijkheid de waarde van gezin en familie nu goed onder de aandacht te brengen. Want familiebanden zijn er en ook al knellen ze soms, het blijft toch familie.9 Dus het appel tot zorg is hoe dan ook voelbaar. Er is ook niet zoveel reden tot antithese. Kind van een moeder zijn wij allemaal.


Wim H. Dekker is associate lector Informele netwerken en laatmoderniteit aan de Christelijke Hogeschool Ede