'Vechtscheidingen zijn voor mij een belangrijk thema'

Tien jaar geleden ging de ChristenUnie voor het eerst in haar bestaan meeregeren. André Rouvoet was een van de belangrijkste architecten van dat succes. In 2010 eindigde zijn ministerschap en een jaar later verliet hij de politiek. Vanaf 2012 is hij voorzitter van de koepelorganisatie van Nederlandse zorgverzekeraars. Uiteraard volgt hij zijn partij nog steeds – zeker nu die in de formatie weer een rol van betekenis speelt. “Ik vind dat er in de aanloop naar de onderhandelingen met de ChristenUnie veel te veel aandacht is geweest voor voltooid leven”, stelt Rouvoet. Alsof alles daarvan afhangt.
In dit interview kijkt hij terug op de formaties van 2003 en 2007, toen hij mocht aanschuiven namens de ChristenUnie. Bovenal evalueert hij zijn beleid als minister van Jeugd en Gezin. We zijn bijna drie kabinetten verder. Hoeveel tastbaar resultaat staat er nog overeind van zijn unieke ministerschap?
 

Door: Laurens Wijmenga en Remco van Mulligen


Hoe kijkt u terug op de formatie van 2007?
|“We hebben destijds veel gehad aan onze ervaringen in 2003. Dat was voor ons buffelen: de eerste keer dat de ChristenUnie aan tafel zat bij een formatie. Parallel daaraan onderhandelden het CDA en de VVD ook met D66. Mijn eerste advies aan Gert Jan Segers was: doe dat nooit meer, want hierdoor konden ze partijen makkelijk tegen elkaar uitspelen.Het is voor de ChristenUnie goed geweest dat het in 2003 niet doorging. We hadden nog nooit bij onderhandelingen gezeten en het was überhaupt de eerste keer dat de kleine christelijke partijen in beeld waren. We hebben laten zien dat je met ons wel degelijk een serieus regeringsprogramma kunt schrijven.”


Regeren betekent concessies doen. Balkenende IV schafte bijvoorbeeld de overdraagbare heffingskorting af.
| “Voor ons was dat een concessie. We hebben veel binnengehaald, maar dit dus niet. Wel hebben we voor bijstandsmoeders met jonge kinderen een vrijstelling van de sollicitatieplicht geregeld. Het stoort mij ontzettend dat die korting geframed wordt als ‘aanrechtsubsidie’. Een zinnig, volwassen debat is niet mogelijk. Tegenwoordig leven we niet meer in de jaren vijftig. Vrouwen maken hun eigen keuze. Er is geen sociale druk meer. Come on! Gun mensen die keuze.”


Was het ministerie voor Jeugd en Gezin een succes?
| “Je moet enkele maatregelen kunnen aanwijzen die zonder jou niet zouden zijn gebeurd. Voor ons waren het kind-gebonden budget en aandacht en ruimte voor gezinnen belangrijk. Voor een kind-gebonden budget hadden we als RPF in de jaren negentig al gestreden. Alleen de SGP steunde ons toen. Niemand wilde het. Tegenwoordig is het normaal geworden.”


Critici zeggen: het modale gezin heeft weinig gemerkt van uw programmaministerie.
| “En dat is niet gek: overheidsbeleid ten opzichte van het gezin moet immers vooral faciliteren. Daarom heette de nota ook ‘De kracht van het gezin’. Jeugd en Gezin bracht gezinsbeleid uit vier ministeries bij elkaar. Dat was al een hele verandering. En dit beleid kwam eindelijk op de politieke agenda. Clémence Ross had voordat ik minister werd wel een kleine notitie over het gezin geschreven, maar die is door de Kamer niet eens besproken. In diverse mensenrechtenverdragen is het recht op een veilig gezin erkend. Toch waren wij het eerste kabinet dat beleid maakte om gezinnen te helpen in hun eigen kracht.”


Was uw ministerschap een trendbreuk?
| “Ja – zeker ook vanwege de koppeling van het thema gezin aan de jeugdzorg. Mijn beleid moest gezinnen helpen om zelf beter voor kinderen te zorgen, bijvoorbeeld met hulp van het Centrum voor Jeugd en Gezin. Ook de decentralisatie van de jeugdzorg, die na mijn ministerschap tot stand is gekomen, draagt hieraan bij.
In 2005 is de jeugdzorg naar de provincies gegaan. Deze verandering moest na vijf jaar geëvalueerd worden, was de afspraak. Ik mocht dus bij mijn aantreden niet direct de jeugdzorg naar de gemeenten overhevelen, maar ik had daar al wel plannen voor gemaakt. In 2010 heb ik die alsnog naar de Kamer gestuurd.”


Toch is er best veel kritiek op die decentralisatie.
| “Er kwamen complicaties en ik weet niet of ik die had kunnen voorkomen als ik mijn werk als minister had mogen afmaken. Bovenop vijf of zes gelijktijdige transities kwam een bezuiniging: de huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en de jeugdhulp kregen een forse korting. In mijn eigen plannen streefde ik ernaar om niet te hoeven bezuinigen in de overgangsfase. Ik weet niet of dat was gelukt. Al die veranderingen, samen met een korting van het budget, maakten het heel gecompliceerd.”


Gaat gezinsbeleid ook samen met homo-emancipatie?
| “Ja, en dat hebben we ook laten zien. We hebben eerlijk uitgesproken: over bepaalde dingen gaan we het niet eens worden. Maar dat hoeft ons er niet van te weerhouden om beleid uit te voeren dat we allemaal goed vinden: het bestrijden van discriminatie, zorgen dat je jezelf kunt zijn. Maar vraag van ons niet dat we in deze vier jaar even voor het homohuwelijk zijn.”


De Staatscommissie Herijking Ouderschap adviseert om meerouderschap mogelijk te maken. Hoe kijkt u daar tegenaan?
| “Er is in dit soort discussies een risico dat de focus verschuift van het belang van het kind naar de belangen van de betrokken volwassenen. Mijn indruk is dat wanneer kinderen vier ouders kunnen hebben, je dat moeilijk kunt rechtvaardigen vanuit het belang van het kind.”


Wanneer mag de overheid ingrijpen in het gezin?
|“De betrokkenheid van de overheid bij het gezin is zeer beperkt. Soevereiniteit in eigen kring is echter niet onbegrensd. Soms kan er in de jeugdzorg een moment komen waarop je ingrijpt door ondertoezichtstelling of verplichte opvoedondersteuning. Als je op die manier ingrijpt, moet dat wel altijd via de rechter gaan.”


Critici zagen het Elektronisch Kind-Dossier (EKD) ook als een te grote bemoeizucht van de overheid.
| “Dat is framing! Al sinds de jaren vijftig houden consultatiebureaus dossiers bij. Als je dan overschakelt naar een elektronisch systeem, schrikt iedereen ineens. Maar er is geen principiële verandering geweest en het EKD is niet iets van de overheid, maar van de jeugdgezondheidszorg zelf. Je bent niet verplicht om naar het consultatiebureau te gaan en dat is een goede zaak. Zo lang geborgd is dat niet iedereen bij die gegevens kan, is er niets aan de hand. Het EKD kan bovendien helpen om problemen op te lossen.”


De Rotterdamse wethouder Hugo de Jonge wil vrouwen verplicht anticonceptie opleggen.
| “Ben ik ook heel erg op tegen. Ik snap de overwegingen. Als het bij een gezin iedere keer fout gaat met mishandeling en veel kinderen, kun je het kind tijdens de zwangerschap al onder toezicht stellen. Dan zit je al op de grens. Dat is al een beperking van de ouderlijke macht. Maar zeggen: jij kunt een kind niet opvoeden, jij moet verplicht anticonceptie. Ik ben er buitengewoon huiverig voor. Je tast de integriteit van het lichaam aan.”


Is het mogelijk om kindermishandeling fors terug te dringen?
| “Toen ik net minister was, kreeg ik een rapport onder ogen waaruit bleek dat er jaarlijks minimaal 110.000 gevallen zijn van kindermishandeling in de brede zin van het woord. Dit kan niet waar zijn, dacht ik. Ik heb er slapeloze nachten van gehad. Al meteen in juni 2007 presenteerde ik een actieplan. Nu, tien jaar later, zijn er tienduizenden professionals mee bezig. Ik heb de Kamer destijds gewaarschuwd: als je dit aanpakt, kan in eerste instantie het cijfer juist stijgen. Omdat meer mensen mishandeling gaan melden. Ik hoopte dus, paradoxaal genoeg, dat het cijfer zou stijgen. Maar daarna zou het moeten dalen en dat is tot mijn frustratie niet of nauwelijks gebeurd.”


Komend half jaar gaat u bezig met echtscheidingen. Wat wilt u bereiken?
| “Vechtscheidingen zijn een heel belangrijk thema voor mij. Ik word het komend half jaar op verzoek van de minister van Veiligheid en Justitie onafhankelijk voorzitter van het platform ‘Scheiden zonder schade’. Dat benadert het probleem vanuit het belang van de kinderen.  Mijn opdracht is om in overleg met alle betrokken stakeholders, van de rechtspraak en de advocatuur tot en met hypotheekverstrekkers en schuldhulpverlening, tot gezamenlijk gedragen oplossingslijnen te komen.”


Zijn de Centra voor Jeugd en Gezin geworden wat u voor ogen had?
| “Grosso modo wel. In veel gemeenten zijn ze een succes. Daar hebben ze allerlei hulpverleners bij elkaar gebracht. Voor de CJG’s bestond er geen blauwdruk. Het geld dat gemeenten kregen was in de eerste jaren nog geoormerkt, maar daarna kwam het in het gemeentefonds en mochten ze volledig zelf de bestemming bepalen. Dat hoort bij decentraliseren. Gemeenten kunnen ook de opzet van een CJG veranderen als blijkt dat het centrum niet goed werkt.Niet overal werkt het even goed, maar ik ben daar nuchter over: in tien jaar tijd hebben alle gemeenten een CJG gekregen. De verbinding van consultatiebureau, bureau jeugdzorg en onderwijs is essentieel. De rest is facultatief. Het hoeft niet allemaal precies zo te gebeuren als ik het destijds voor ogen zag.”

 
André Rouvoet was Tweede Kamerlid voor de RPF (1994-2002) en de ChristenUnie (2002-2007 en 2010-2011). In het kabinet-Balkenende IV was hij vicepremier en minister van Jeugd en Gezin en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Sinds 2012 is hij voorzitter van de koepelorganisatie Zorgverzekeraars Nederland.