De overheid achter de voordeur

Alle ouders verplicht op opvoedcursus. Met die aanbeveling wil de Taskforce Kindermishandeling misbruik en mishandeling van kinderen tegengaan. Het idee is niet nieuw: onder het motto “Als je auto wilt rijden, heb je toch ook een rijbewijs nodig?” stelde de Rotterdamse wethouder Leonard Geluk (CDA) in 2010 voor om opvoedcursussen voor bepaalde ouders verplicht te stellen. Zijn opvolger Hugo de Jonge kreeg in 2016 landelijke bekendheid met een ander voorstel om vergaand in grijpen in de privésfeer: stel anticonceptie verplicht voor vrouwen met psychische problemen of verslavingen. Dit idee was eerder al gelanceerd door onder meer PvdA-Kamerlid Marjo van Dijken (in 2008) en kinderrechter Paul Vlaardingenbroek (in 2013). Voorstellen om de bemoeienis van de staat met het gezinsleven uit te breiden lijken steeds weer terug te keren. Maar is dit ook zinvol?


Door: Laurens Wijmenga en Marianne de Wolff


Achter de voordeur
Een forse uitbreiding van de overheidsinvloed achter de voordeur vond plaats onder het kabinet-Balkenende-IV (2007-2010), met steun van CDA en ChristenUnie. Het onder toezicht plaatsen van kinderen werd makkelijker en een ‘elektronisch kind-dossier’, door velen (mis)verstaan als staatsdossier vol met privacygevoelige informatie, werd ingevoerd. Verplichte opvoedondersteuning en een verplichte taaltoets en voorschool voor peuters bleken echter een brug te ver. Na veel negatieve reacties werden deze voorstellen afgezwakt of ingetrokken.

Pleidooien voor meer staatsingrijpen op dit gebied komen vaak op na drama’s in gezinnen en de golven van media-aandacht die daarop volgen. Zo vormden de moorden op Savannah en het ‘meisje van Nulde’ mede de aanleiding voor de hervormingen in de jeugdzorg, die door Balkenende IV zijn doorgevoerd. De noodzaak hiervan werd overigens breed onderschreven door professionals. Regelmatig zijn dergelijke plannen ook ingegeven door frustratie over hardnekkige maatschappelijke problemen, zoals de integratie van nieuwkomers. Een voorbeeld is de verplichte peutertaaltoets, die wordt gemotiveerd door zorgen over taalbeheersing van, vaak allochtone, kinderen en hun integratie op latere leeftijd.

De val van het ‘betuttelende’ vierde kabinet-Balkenende betekende niet het einde van plannen voor overheidsingrijpen in de gezinssfeer. Denk bijvoorbeeld aan het recente plan van CDA en SGP voor verplichte mediation bij echtscheidingen van koppels met kinderen. Wel lijkt er wat meer terughoudendheid te zijn ontstaan, om serieus werk te maken van dergelijke ideeën. Zo kreeg het plan van Hugo de Jonge, om een bepaalde groep vrouwen verplichte anticonceptie te geven, in de Tweede Kamer alleen steun van de PvdA. En een voorzichtig geformuleerd SER-advies voor een verplichte taaltoets en voorschool werd onlangs niet door het kabinet Rutte-Asscher overgenomen. Dit terwijl in 2006 een veel explicietere motie van Wouter Bos en Mark Rutte nog een brede Kamermeerderheid haalde. Deze terughoudendheid hangt mogelijk samen met andere ontwikkelingen, die in het vervolg van dit artikel aan bod komen.


Het opvoeden verleerd?
Ruwweg vanaf het begin van Balkenende IV is onder wetenschappers een ontwikkeling zichtbaar, die haaks staat op de trend van meer overheidsbemoeienis met het gezin. Pedagogen, onder wie hoogleraar pedagogiek Jo Hermanns, signaleren dat ouders te snel professionele zorg inschakelen bij opvoedvragen. Een op de zeven Nederlandse kinderen krijgt inmiddels gespecialiseerde zorg. “Zijn we het opvoeden soms verleerd?” vroeg Hermanns zich af in zijn oratie in 2009. De vraag naar specialistische zorg blijft jaarlijks groeien met 6 tot 10 procent en die stijging kan niet verklaard worden uit een toename van het aantal problemen. Vaak wordt gewezen op de burger, die mondiger en veeleisender zou zijn geworden. Ook de groeiende roep uit de samenleving om risico’s uit te bannen en incidenten te voorkomen speelt een rol. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) spreekt in dit kader van het ‘Savannah-effect’.: om incidenten te voorkomen heeft de overheid geïnvesteerd in de professionalisering van de jeugdhulpverlening. Hierbij is meer nadruk komen te liggen op vroege signalering van problemen. Een bijkomend effect van vroege signalering is dat een ‘boeggolf’ van extra indicaties ontstaat, doordat gemeenten eerder achter de voordeur komen.

Maar belangrijker is volgens Hermanns de neiging bij ouders en professionals om opvoed- en opgroeiproblemen te problematiseren en te medicaliseren. Ouders citeren steeds vaker psychiatrische handboeken als ze omschrijven wat ze lastig vinden in de omgang met hun kinderen. En professionals schetsen te snel een lonkend perspectief van snelle en effectieve interventies die, mits vroegtijdig toegepast, een groot aantal problemen kunnen voorkomen. Gewone opvoedvragen worden zo al gauw problemen waarvoor ouders bij professionele hulpverleners aankloppen, terwijl een groot deel van die vragen binnen het sociale netwerk van ouders aangepakt kan worden.

Het gezin geherwaardeerd
Voor een gezonde ontwikkeling van kinderen is, zo betoogt Hermanns, niet een sterkere staat nodig – of een overheid die ingrijpt achter de voordeur – maar een stevige pedagogische civil society. Ouders moeten weer gaan opvoeden en daarbij ondersteund worden door een sociaal netwerk van buren, vrienden en familieleden. De waarheid van deze stelling is inmiddels aangetoond in diverse studies: in wijken waar meer sociale samenhang is, blijken risicovolle opvoedingssituaties – zoals kindermishandeling – af te nemen. Volgens het Nederlands Jeugd Instituut is de sociale binding van een kind met relaties binnen gezin, school en de wijk zelfs de belangrijkste beschermende factor tegen opgroei- en opvoedproblemen. Sterke sociale verbanden geven het gezin meer drachtkracht, zijn goed voor de sociale en morele ontwikkeling van het kind, en kunnen voorkomen dat problemen verergeren. Dat laatste effect levert ook geld op: door opvoedproblemen in gezinnen te ‘normaliseren’, kan dure en zware hulp worden voorkomen. Hierdoor blijft dit soort hulp beschikbaar voor gezinnen die dat echt nodig hebben.

Ook de Britse sociologe Jan Macvarish bepleit een herwaardering van de rol van het gezin – en meer specifiek die van de ouders – in de opvoeding. In haar boek Neuroparenting, the expert invasion of family life (2016) waarschuwt ze voor politici en beleidsmakers die, verwijzend naar de wetenschap, ouders met dwang naar gewenste vormen van ouderschap willen duwen. Zij bepleit een herwaardering van de bijzondere band die kinderen met hun ouders hebben. Zelfs in situaties van misbruik is het volgens haar beter dat kinderen bij hun ouders blijven.

In Nederland is dit standpunt eerder naar voren gebracht door pedagoog Bas Levering en hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging. In hun essay ‘In het belang van het kind’ (2007) betogen zij dat de overheid zeer terughoudend moet zijn met het ingrijpen in het gezin door bijvoorbeeld ondertoezichtstelling of verplichte opvoedondersteuning. Niet alleen omdat de relatie tussen kinderen en ouders onvervangbaar is, maar ook omdat er eenvoudigweg geen reden voor ingrijpen is. Nederlandse kinderen behoren namelijk tot de gelukkigste en gezondste kinderen ter wereld, zo blijkt telkens weer uit onderzoek van onder andere Unicef.
 

Achterstandsgebieden
Natuurlijk is dat een gemiddelde en is ook in Nederland naar schatting 15 procent van de kinderen minder gelukkig of gezond. De plekken waar deze kinderen wonen, zijn echter vrij makkelijk aan te wijzen. Stadswijken als Ondiep, Kanaleneiland, de Bijlmer en Charlois en soms hele gemeenten, zoals Veendam en Heerlen, zijn bekende achterstandsgebieden. Hier wordt laag gescoord op kindvriendelijkheid, zijn weinig sportvoorzieningen en speeltoestellen, zijn de scholen slecht en is het verkeer onveilig. Ouders hebben er vaak een laag inkomen en dito opleidingsniveau. Eenoudergezinnen van niet-westerse herkomst en gezinnen met verslaafde, criminele of psychiatrische ouders zijn er oververtegenwoordigd. Kinderen uit deze gezinnen hebben een aantoonbaar grotere kans op ontwikkelings- en gedragsproblemen en om mishandeld te worden.

Deze plekken zijn al lang en breed in beeld bij de overheid en zorgverleners. De onderliggende oorzaken van een ongezond opvoedingsklimaat, zoals criminaliteit, verslaving en armoede, kunnen er worden aangepakt binnen de bestaande kaders en bevoegdheden. verplichte opvoedcursussen of anticonceptie pakken niet die oorzaken, maar slechts de daaruit voortvloeiende symptomen aan. Bestuurlijke aandacht voor de problemen van achterstandsgebieden blijft wel nodig. Hiervoor zijn een lange adem en een flinke zak geld vereist – precies waar het helaas aan ontbrak bij de relatief kortstondige ‘krachtwijken’-aanpak en het budgetloze Nationaal Programma Rotterdam Zuid.

Het soevereine gezin
Afgezien van de twijfelachtige effectiviteit is het ook tegen de achtergrond van de politieke traditie waarin het CDA en de ChristenUnie staan, vreemd dat juist een kabinet met deze partijen voornemens was dwingende overheidsbemoeienis met het gezin uit te breiden. Een kerngedachte in deze traditie is immers het principe van soevereiniteit in eigen kring: het gezin en andere verbanden in de samenleving hebben elk hun eigen aard en roeping. Daarbij laat de overheid zich niet in met interne aangelegenheden van deze verbanden. Soepeler voorwaarden voor ondertoezichtstelling of verplichte opvoedondersteuning lijken op gespannen voet te staan met dit principe.

Dat er een spanningsveld lag tussen dit christelijk-sociale denken en de verplichtende onderdelen van het gezinsbeleid van Balkenende IV, bleek ook uit Rouvoets bijdrage aan het nummer van Denkwijzer over het gezin uit 2008, waarin hij specifiek op dit onderwerp ingaat. Volgens de toenmalige vicepremier kan dwingend overheidsingrijpen in gezinnen onder drie voorwaarden gerechtvaardigd worden: ouders moeten onaanvaardbaar tekortschieten in hun taak als opvoeder, rechten van kinderen worden geschonden en het overheidsingrijpen is zo veel mogelijk tijdelijk van karakter. Door onder die voorwaarden in te grijpen, geeft de overheid volgens hem juist invulling aan zijn eigen roeping: het bevorderen van de publieke gerechtigheid. Bovendien lag, volgens Rouvoet, de prioriteit van het gezinsbeleid van Balkenende IV niet bij dwingend overheidsingrijpen in situaties waar het fout gaat, maar bij het versterken van de kracht van het gezin, zodat ouders zelf de opvoeding ter hand kunnen nemen. Daarmee zijn er dus raakvlakken tussen zijn visie en de herwaardering van gezin en de pedagogische civil society onder wetenschappers.

Dwingend overheidsoptreden geoorloofd?
Desalniettemin is er wel een kritische kanttekening te maken bij het gezinsbeleid van Balkenende IV. Plannen zoals de verplichte opvoedcursus voor ouders van criminele kinderen, de verplichte taaltoets en de eveneens verplichte voorschool voor kinderen met een taalachterstand, voldeden namelijk niet aan de, terechte, voorwaarden die Rouvoet verbindt aan overheidsingrijpen. Het is daarom een goede zaak dat juist deze plannen niet zoals gepland zijn uitgevoerd. In deze gevallen is er immers geen sprake van een onaanvaardbaar tekortschieten van ouders of geschonden kinderrechten. Slechte taalbeheersing of gedragsproblemen kunnen de ontwikkeling van kinderen weliswaar belemmeren, maar vormen nog geen grond voor dwingend overheidsoptreden. Laat staan dat dergelijke maatregelen preventief moeten worden ingezet voor alle ouders, ongeacht de gezinssituatie. Dat geldt ook voor het plan van het CDA en de SGP om mediation verplicht te maken voor echtscheidingen met kinderen, ongeacht de vraag of er sprake is van een relatief harmonieus proces of een vechtscheiding.

Daarmee is niet gezegd dat de overheid maatschappelijke problemen, zoals taalachterstanden en gedragsproblemen bij kinderen of het grote aantal relatiebreuken, maar voor lief moet nemen. De aanpak van deze problemen zou echter primair moeten gebeuren door randvoorwaarden te creëren, waarbinnen mensen zelf hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. Dat kan bijvoorbeeld door laagdrempelige cursussen over de gevolgen van ouderschap voor je relatie. Daarnaast zouden gemeenten de bestaande kennis over effectieve jeugdinterventies beter kunnen benutten. Ook is het prima dat de overheid investeert in voorschoolse peutereducatie waar ouders vrijwillig gebruik van kunnen maken. Ten slotte zouden ouders die vragen om gespecialiseerde hulp – iets dat vaak via de huisarts verloopt –vaker moeten worden begeleid richting ondersteuning die de eigen kracht en het netwerk van ouders benut. 

 

Versterken van het sociale netwerk

 

Politici dienen bij het vormgeven van het hulpaanbod in gedachten te houden dat overheidsbemoeienis, verplicht of niet, het risico in zich heeft dat burgers afhankelijk worden en, zoals we eerder zagen, te snel aankloppen bij professionals. Dat willen we juist niet, want dit heeft onder andere geleid tot overbelasting van de gespecialiseerde zorg. Niet alleen het gezin, maar de hele samenleving kan ervan profiteren wanneer ouders zich voldoende competent voelen om zelf met hun netwerk opvoedproblemen aan te pakken. Dat vergt een cultuuromslag: ouders die vragen en problemen hebben, moeten leren om meer zelf de regie te nemen en niet meteen de oplossing van een professional te verwachten. De overheid dient daarvoor de voorwaarden te scheppen door, zoals gezegd, in de jeugdhulp  de ‘eigen kracht’ en het sociale netwerk van ouders te benutten en te versterken. Voor het versterken van het sociale netwerk zijn helaas nog nauwelijks specifieke programma’s beschikbaar. Het lijkt al effectief te zijn als men ervaringen kan uitwisselen met andere ouders. Ook maatjesprojecten hebben een positief effect. En laagdrempelige ontmoetingsplekken zoals buurthuizen, sportclubs, stadstuinen of muziekscholen versterken de samenhang in een wijk. Deze plekken zouden dus blijvend op steun van de overheid moeten kunnen rekenen. Hiervoor is, ook bij de ChristenUnie, nog onvoldoende aandacht. Zo zijn bijvoorbeeld in Amersfoort, met steun van de ChristenUnie, alle buurthuizen gesloten. Burgerinitiatieven om dergelijke ontmoetingsplekken open te houden verdienen meer ondersteuning. Bijvoorbeeld door het recht om gemeentelijke gebouwen en welzijnswerk-taken over te nemen, zoals Segers en Samson bepleitten in hun initiatiefnota ‘de herovering van de publieke samenleving’ (2016). Daarbij hoort ook een reële financiële bijdrage.
 

De antithese
Daarnaast hebben christenpolitici, in de traditie van de antithese, de verantwoordelijkheid om het belang van het gezin en huwelijk te blijven agenderen en het politiek-maatschappelijk denken daarover te beïnvloeden. Een antithetische opstelling betekent niet dat de politieke strategie gericht moet zijn op polarisatie, maar dat de, vanuit christelijk perspectief bezien, negatieve aspecten van onze niet-christelijke samenleving benoemd worden. Bijvoorbeeld door kritiek te leveren op de seculiere afgoden van zelfontplooiing, vrijheid en autonomie. Daarbij moeten we, zoals de theoloog A.A. van Ruler schrijft, “niet a priori op de synthese gericht” zijn en niet de Bijbelse boodschap aanlengen tot een waterig mengsel.

Dat is niet altijd gemakkelijk. Bekend is het voorbeeld van CDA-leider Enneüs Heerma, die in 1994 hartelijk uitgelachen werd toen hij, in strijd met de tijdgeest, het gezin weer op de politieke agenda wilde plaatsen. Toch werd precies dit onderwerp slechts een jaar later door wetenschappers en politieke partijen van links tot rechts weer stevig omarmd. In de media kantelde het beeld van het gezin als ‘relict van kleinburgerlijkheid’, verbonden aan ‘spruitjeslucht’, naar een positievere typering als ‘hoeksteen van de samenleving’. Zo snel kan het dus gaan. Met antithetisch spreken over gezin en huwelijk is nog een wereld te winnen. De Tweede Kamerfractie van de ChristenUnie kan daaraan bijdragen door een aparte woordvoerder aan te stellen voor gezins- en familiezaken. Zo kan zij een platform bieden voor dit verhaal. Daarnaast was het geen slecht idee geweest als de ChristenUnie zich in 2015 had aangesloten bij de SGP-campagne voor trouw in relaties. Laten we met dat soort acties beginnen en daarnaast kritisch blijven kijken naar plannen voor meer overheidsbemoeienis met huwelijk en gezin. Want die zullen ongetwijfeld blijven opborrelen.


Laurens Wijmenga werkt als onderzoeker bij het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie en bereidt een publicatie voor over het gezin. Marianne de Wolff is research scientist bij TNO, op het expertisegebied Child Health.