Meer en beter. Een afscheidsrede voor de euroscepsis van de ChristenUnie

Wat moeten we met de Europese Unie? Het is misschien wel de belangrijkste politieke vraag van het moment. Immers, steeds meer mensen in Europa willen af van de EU en terug naar het patriottisme, terwijl een goed functionerende EU onmisbaar is bij het aanpakken van de problemen van diezelfde burgers. De Brexit heeft deze paradox met een grote klap op tafel gelegd. Daarom presenteerde EU commissievoorzitter Juncker op 1 maart vijf scenario’s voor de ontwikkeling die de EU tussen nu en 2025 kan maken. Naar aanleiding hiervan schrijft Europarlementariër ChristenUnie-SGP Peter van Dalen in Trouw van 31 maart 2017: “Europa slaat de komende tijd een nieuwe weg in. De discussie hierover moeten we niet alleen in Brussel voeren, maar vooral ook thuis, in eigen land (...).”1 Dat is een goed idee, want de ChristenUnie staat slecht voorgesorteerd in dit debat. Enerzijds belijdt de ChristenUnie de zegeningen en noodzaak van de EU. Anderzijds is het een ronduit eurosceptische partij. En voor die euroscepsis heeft ze mijns inziens geen goed verhaal. Christenen en hun politici zouden zich niet zo druk moeten maken om landsgrenzen.


Allereerst iets meer over de positie van de ChristenUnie ten aanzien van Europa. De Europese paragraaf in het verkiezingsprogramma opent met het volgende statement. “De kernwaarden waar de Europese samenwerking op gebouwd is, zijn waarden die ook wij als uitgangspunten onderschrijven. De grondleggers van de Europese Unie zagen deze waarden als tegengif voor het nationalisme en de haat die Europa in twee wereldoorlogen hebben gestort. De Europese Unie is ook in onze ogen heel belangrijk voor vrede, veiligheid en welvaart op ons continent. Op de grote thema’s van migratie, klimaat en energie, (vrij)handel en veiligheid heeft Nederland belang bij een sterke Europese Unie die met één mond spreekt in een turbulente wereld.”2 Veel enthousiaster kan het niet, zou je zeggen. Maar direct na deze liefdesverklaring aan Europa volgen verschillende pagina’s met standpunten en beleidsvoorstellen die getuigen van aversie tegen verdergaande Europese samenwerking. De ChristenUnie was destijds tegen de invoering van de euro. De ChristenUnie is nog steeds tegen een politieke unie. Tegen een bankenunie. Tegen een begrotingsunie. Tegen Europese belastingen. Tegen Europees schuldpapier. Tegen een Europees economisch bestuur. Tegen een Europese minister van Financiën. Tegen een Europees leger. Tegen initiatiefrecht van de Europese Commissie. Voor een Grexit. Voor een grotere rol van nationale parlementen in EU-besluitvorming. Zelf noemt de ChristenUnie deze dubbelzinnige houding ‘positief-kritisch’, ik denk meer aan de term ‘gespleten’. In verkiezingscampagnes wordt deze visie samengevat in de slogan: Samenwerking JA, superstaat NEE.

Dat laatste klinkt zo op het eerste gezicht wijs en evenwichtig, want wie wil er geen samenwerking en wel een superstaat? Over die superstaat zijn we het snel eens: dat is nooit een goed idee, de overheid dient afstand tot haar burgers te bewaren – dat geldt voor de regering in Brussel evengoed als voor de overheid in Den Haag of in mijn eigen stad. Waarmee die verkiezingsslogan dus nogal populistisch is, maar dit terzijde. De hamvraag is: wat voor samenwerking willen we in Europa? De ChristenUnie pleit hartstochtelijk voor een “Europese Unie die met één mond spreekt in een turbulente wereld” en wil tegelijk een grotere rol voor nationale parlementen. Dat kan niet allebei. De ChristenUnie spaart hier kool en geit: als we echt werk willen maken van “de grote thema’s van migratie, klimaat en energie, (vrij)handel en veiligheid”, dan moet Brussel meer macht krijgen, opdat er in Europa meer eenheid en slagvaardigheid ontstaat. De noodzaak is er, want de wereld is inderdaad “turbulent” en genoemde “grote thema’s” zijn inderdaad best belangrijk...

Filosofie van de euroscepsis
Dus waarom dan altijd weer die grote reserves van de ChristenUnie bij Brussel? Ik weet nog steeds niet of ik dit raadsel doorzie, maar verhelderend vond ik het boek In verscheidenheid verenigd van Sander Luitwieler (2013). Deze studie is geschreven in opdracht van het WI van de ChristenUnie, en biedt een “Een positief-kritische visie op de Europese Unie”. Het boek blijkt in zekere zin een vervolg op een eerder boek van dezelfde auteur samen met Benjamin Anker, Richting Europa (2002), dat een “Christelijk-staatkundige visie op de Europese Unie” biedt. Beide studies bieden een intellectuele basis en verantwoording voor het ‘Samenwerken JA, superstaat NEE’. En ze laten denk ik ook zien waar de schoen wringt.

Een kernbegrip in beide studies is ‘publieke gerechtigheid’. Dat zou volgens de auteurs centraal moeten staan in onze visie op de EU. Het betekent recht doen aan de belangen van mensen, hun onderlinge relaties en de schepping. Recht doen betekent het bestrijden van ongerechtigheid en het bevorderen van gerechtheid. Wanneer Sander Luitwieler deze gedachte motiveert, onder meer met een beroep op het werk van Herman Dooyeweerd en Charles Taylor, en dit vervolgens concreet uitwerkt, komt hij in het kort op het volgende uit: we zouden in de EU gelijktijdig moeten streven naar vrede, welzijn, en duurzaamheid. We moeten recht doen aan de culturele eigenheid van en diversiteit tussen de lidstaten. Een eenzijdig neo-liberale focus op markt en economie is niet voldoende voor het onderhouden van Europa als waardengemeenschap. De democratische legitimiteit van de EU dient versterkt te worden.

Nationale culturele eigenheid?
Ook dat klinkt wijs en evenwichtig. En inderdaad, beide studies bevatten overwegend wijze woorden en ze schetsen een mooi ideaal. Maar het betoog hapert naar mijn mening bij het pleidooi voor behoud van culturele diversiteit tussen de verschillende naties in de EU, met een beroep op Dooyerweerds theorie van culturele differentiatie. Differentiatie is volgens Dooyeweerd onderdeel van een breder proces van ‘ontsluiting’ van een cultuur, waarbij mensen in de loop van de tijd welbewust hun omgeving vormgeven als ware het een roeping (cultuurmandaat). In dit ontsluitingsproces speelt de ontwikkeling van nationale culturen een belangrijke rol, waarbij het nationale karakter van een volk het resultaat zou zijn van culturele karaktervorming. Sander Luitwieler sluit hierbij aan, maar wil anders dan Dooyeweerd meer onderscheid tussen natie en staat, waarbij de natie cultureel en de staat politiek moeten worden opgevat. “Europese integratie zou vanuit neocalvinistisch perspectief moeten gaan over de politieke integratie van staten en niet over de culturele integratie van naties”3, zo vat hij samen. En: “De culturele eigenheid van een natie blijkt onder andere uit haar specifieke taal en geschiedenis, maar kan ook tot uiting komen in bepaalde maatschappelijke structuren, zoals onderwijs, sociale zekerheid en huisvesting.”4 En inderdaad, ChristenUnie politici pleiten dat de EU voortaan afblijft van juist deze zaken, plus (onder meer) cultuur, toerisme, jeugd en pensioenen.

Dit beroep op Dooyeweerd lijkt me geen goede filosofische basis voor het kijken naar cultuur en denken over samenwerken tussen culturen. Volgens Dooyeweerd valt het te verwachten dat een cultuur zich beweegt van een ‘gesloten’ of ‘primitieve’ toestand naar een ‘ontsloten’ of ‘gedifferentieerde’ toestand. Maar culturele ontwikkeling is volgens mij niet per se een kwestie van vooruitgang, waarbij de cultuur van onze voorouders primitiever was dan die van ons. Bovendien, wat is culturele eigenheid, wat is het nationale karakter van een volk? Cultuur is niet iets statisch: mensen maken cultuur, en dus is per definitie de enige constante dat cultuur altijd verandert. Bijvoorbeeld, Nederland is in enkele decennia van een christelijke, een seculiere cultuur geworden. In de meeste Europese landen is er een snel groeiende culturele kloof tussen hoogopgeleide ‘kosmopolitische’ mensen in de grotere steden en lager opgeleide ‘patriottistische’ mensen in de kleinere steden en dorpen. In Rotterdam en Amsterdam heeft inmiddels de helft van de inwoners een migratie-achtergrond. Oftewel, iets als dé nationale cultuur bestaat niet. Ik proef in de politieke vertaling van het Dooyeweerdiaanse denken over cultuur ook de gedachte (of: angst?) dat schaalvergroting en samenwerken leidt tot ondermijning van de culturele eigenheid van het lokale. Maar dat lijkt me aantoonbaar onjuist: processen van globalisering leiden niet zelden tot versterking van lokale culturen: van een sterkere volksidentiteit in Catalonië, tot een herwaardering van streekproducten en het dialect in de uithoeken van Nederland.

            Kortom, die schoen van de culturele eigenheid wringt aan alle kanten. De natiestaat is geen goddelijke orde en heeft bovendien voor veel ellende gezorgd. En doorbreekt de Geest niet grenzen die mensen hebben gemaakt? Culturele eigenheid, culturele differentiatie, culturele natie versus politieke staat, een christelijke Europese cultuur – dat wordt allemaal niks in een christelijke visie. Laten we daarom de principiële argumenten hier aan de dijk zetten. Blijft over het begrip publieke gerechtigheid – en bijvoorbeeld niet het neoliberale marktdenken – als dé leidraad in het denken over en waarderen van de staat en dus ook de Europese Unie. Publieke gerechtigheid is zo’n sterk Bijbels motief dat het hier verder geen betoog behoeft. Als de Europese commissie langs deze lat wordt gelegd, dan heeft zij inderdaad een belangrijke taak ten aanzien van “de grote thema’s van migratie, klimaat en energie, (vrij)handel en veiligheid”, omdat onrecht hét centrale begrip is dat deze thema’s verbindt. Maar dan moet je de staat, in casu de Europese Commissie, ook zonder schroom bevoegdheden geven en niet hameren op het aambeeld van nationale parlementen.

Nederland is een economische provincie van Europa
En als we de lat van publieke gerechtigheid hoog houden, dan zou de ChristenUnie zichzelf opnieuw de vraag moeten stellen, waarom economisch bestuur geen Europese zaak mag zijn. Begroting, financien, belastingen, munt, sociale zekerheid: de EU moet er vanaf blijven volgens de ChristenUnie. Maar waarom zouden we een rechtvaardige economie het beste kunnen regelen op nationaal niveau? Dat ligt niet voor de hand nu de economieën van landen de afgelopen decennia zo met elkaar vervlochten zijn geraakt, onder meer als gevolg van sterk dalende transportkosten en de opkomst van informatietechnologie. Met zijn kleine, open economie is Nederland een economische provincie van Europa en we delen onze munt met andere economische provincies. Hoezo principieel geen gezamenlijke minister van financiën? En waarom zou ik als belastingbetaler in het rijke Amsterdam wel solidair moeten zijn met de werkloze Drent en niet met de werkloze Griek? Is het rechtvaardig om het relatief arme Drenthe een eigen gedevalueerde munt plus wat ontwikkelingshulp mee te geven, en ze dan uit het Koninkrijk der Nederlanden te duwen? Zo niet, waarom is een Grexit dan wel rechtvaardig? Delen de Grieken niet in de door Sander Luitwieler geroemde “gemeenschappelijke waarden van de Europese cultuur”? Kortom, weet de ChristenUnie zeker dat ze met hun economische Europa beleid de meest wijze en christelijke route te pakken heeft, of is er sprake van een blinde vlek? Ik ben eerlijk gezegd bang voor het laatste. Mijn bange vermoeden is verder gevoed door de in 2015 verschenen studie Coöperatief Kapitalisme, waarin het WI een christelijk-sociale visie op de economie ontvouwt. In dit ruim honderd pagina’s tellende boek over de ideale economie, komen de woorden ‘euro’ en ‘Europa’ elk welgeteld één (!) keer voor. Dat geeft te denken.

Meer macht voor Brussel betekent verlies van soevereiniteit aan een hogere macht. Dat is niet per definitie erg en het is ook niet nieuw onder de Europese zon. Ooit hadden de verschillende graafschappen rond de IJssel hun eigen bestuur, en viel het land van Gelre met regelmaat ten prooi aan Gelderse Oorlogen. Later werd een verenigd Gelderland toegevoegd aan de Verenigde Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waarbij de staat Gelderland zichzelf bestuurde en vertegenwoordigers naar de Staten-Generaal in Den Haag stuurden. In de loop der tijd verschoof de macht verder naar Den Haag en zijn de afzonderlijke staten gedegradeerd tot provincies en niemand die meer precies weet wat zo’n Commissaris der Koning in Zwolle nog doet. Was dat erg? Is Nederland sindsdien een superstaat geworden? Is de culturele eigenheid van de Achterhoekers in dit proces op een onchristelijke wijze beschadigd? Moeten we met een beroep op Dooyeweerd terug naar een Gelders leger en een Gelderse minister van financiën?

Onderscheid kritiek op beleid en kritiek op structuur
Ten slotte. In ChristenUnie-kringen wordt aversie tegen Brussel nogal eens gemotiveerd met kritiek op de eenzijdig neoliberale focus van Brussel op markt en economie, individualistisch in plaats van relationeel denken, de vergaderlocatie Straatsburg als toonbeeld van absurde verspilling en op het feit dat de Europese Commissie op cruciale momenten niet thuis geeft, maar ondertussen wel met teveel regels teveel zaken dicht smeert. Daar ben ik het allemaal mee eens, maar ze doen niet ter zake in een discussie over de ideale structuur van de EU. Immers, al deze kritiekpunten zijn een kwestie van beleid, niet van structuur. En ze gelden ook vrijwel allemaal voor Den Haag (behalve die twee vergaderlocaties). Ik heb de ChristenUnie nooit horen beweren dat doorgeschoten neoliberaal beleid in Den Haag een reden is om de rol van Provinciale Staten te versterken ten koste van het kabinet in Den Haag. Slecht beleid moet worden vervangen door goed beleid en niet worden gecompenseerd met een afbraak van de politieke structuur. De ChristenUnie moet daarom in de Europa discussie een beter onderscheid maken tussen kritiek op Europees beleid en kritiek op de Europese structuur. Wat het laatste betreft, de EU functioneert niet goed – laat dat helder zijn – en hét grote probleem is haar gebrekkige democratische legitimiteit. De Staten-Generaal in Den Haag zijn sinds 1814 een stuk slagvaardiger geworden en toch is Nederland nog steeds geen superstaat, vooral dankzij een machtige en goed functionerende Tweede Kamer. Laat het tot voorbeeld strekken voor de toekomst van de EU. Dus initiatiefrecht voor het Europees Parlement, hervorming van de ondoorzichtige Raad van Ministers en een centraal economisch bestuur voor de eurolanden, dat zou de ChristenUnie tot dé speerpunten moeten maken in de discussie over de structuur van de Europese Unie. ‘Samenwerken Ja, Superstaat Nee’ bereik je niet met minder Europa en een grotere rol voor nationale parlementen, maar met meer Europa en een beter Europees parlement. We kunnen ons de luxe van euroscepsis niet langer veroorloven.


Dr. Peter Mulder is econoom aan de Vrije Universiteit in Amsterdam

 

Noten

1. P. van Dalen, (31 maart 2017). CU kiest voor minder EU en daardoor een beter Europa. Trouw.

2. ChristenUnie, (2016). Hoopvol realistisch. Voorstellen voor een samenleving met toekomst. Verkiezingsprogramma 2017-2021, 89.

3. S. Luitwieler, (2013). In verscheidenheid verenigd. Een positief-kritische visie op de Europese Unie. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 125.

4. Idem, 77-78.