Veilig samenleven

Door Antonie Drenth en Ruben van de Belt
 

“De onveiligheid is in Nederland de afgelopen jaren toegenomen” stelde Sybrand van Haersma Buma tijdens het NOS-slotdebat. Dat kwam volgens de CDA-leider door de toename van criminaliteit en de steeds groter wordende dreiging van terrorisme. Dalende criminaliteitscijfers ten spijt zijn er volgens hem harde maatregelen benodigd. Een korte rondgang door de verkiezingsprogramma’s maakt duidelijk dat het om breed gedragen zorgen gaat. Ook de ChristenUnie vindt dat “(…) onrecht en criminaliteit niet ongestraft kunnen blijven (…) en dat de diensten die zich inzetten voor onze veiligheid voor grote uitdagingen staan en moeten worden versterkt”.1 Nederland lijkt geteisterd te worden door onveiligheid, maar niet getreurd de oplossing ligt binnen handbereik: een beter functionerend politieel apparaat en ruimere bevoegdheden voor opsporingsdiensten om criminaliteit en terrorisme uit te bannen. Wie is daar nu op tegen?


De vraag is echter of veiligheid wel zo maakbaar is als ons door politici wordt voorgehouden. Daarnaast bestaat het risico dat het veiligheidsproject zomaar andere projecten waaraan wij waarde hechten – zoals vrijheid en gelijkheid – opslokt. Er is behoefte aan een nieuw veiligheidsframe dat meer ruimte biedt voor vertrouwen, zorg en herstel in plaats van louter straffen en corrigeren. De bouwstenen daarvoor kunnen worden gevonden in het christelijk-sociale denken. Juist de ChristenUnie zou er goed aan doen om het huidige veiligheidsframe van zich af te schudden en zich meer te verhouden tot haar christelijk-sociale wortels.

De verantwoordelijkheid voor veiligheid
De verantwoordelijkheid voor veiligheid heeft in de afgelopen decennia een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Van oudsher werd de zorg voor veiligheid vooral gezien als een klassieke overheidstaak. Al in de Bijbel wordt gesproken over een overheid die in opdracht van God het zwaard hanteert om het goede te bevorderen en het kwade in te perken.2 Maar tegenwoordig heeft de overheid niet meer het monopolie op de veiligheidszorg, steeds meer actoren schuiven aan om te werken aan het veiligheidsproject. Wat verklaart die verschuiving?

Hoewel historisch gezien de veiligheidszorg niet altijd in overheidshanden lag, is er sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een opvallende trend zichtbaar. Niet slechts de klassieke veiligheidsactoren zoals politie, justitie en de krijgsmacht, maar ook tal van private organisaties, het maatschappelijk middenveld en burgers verschenen ten tonele om mee te werken aan de veiligheidszorg. Deze responsabiliseringsstrategie – zoals deze trend is komen te heten – werd niet alleen zichtbaar in Nederland of primair binnen de veiligheidszorg, maar is te herkennen in de meeste westerse landen op tal van beleidsthema’s.3 Een belangrijke drijfveer voor deze ontwikkeling lag in het efficiency-denken dat kwam overwaaien uit de private sector. Overheidsorganisaties moesten meer ‘sturen’ in plaats van ‘roeien’.4 Derden zouden slimmer, efficiënter en doelmatiger te werk gaan dan de logge bureaucratische publieke sector. Binnen het veiligheidsdomein was er trouwens een behoorlijke inhaalslag te maken: zo steeg het aantal geregistreerde misdrijven tussen 1960 en 1999 van 132.000 naar 1,3 miljoen – bijna een vertienvoudiging!5 Criminaliteit werd een ‘fact of life’, waarmee de druk op het strafrechtelijk apparaat toenam.6 De overheid kon de veiligheidszorg simpelweg niet meer alleen dragen.

Is voorkomen beter dan genezen?
Maar de groei van het aantal misdrijven is niet de enige verklaring van de responsabiliseringsstrategie. De geregistreerde criminaliteit daalt immers sinds 2000 weer gestaag – alhoewel we met 960.000 geregistreerde delicten in 2015 nog lang niet onder het niveau van 1960 zitten.7 Een andere verklaring is de ‘securitisering’ van de maatschappij.8 Hiermee wordt bedoeld dat steeds meer beleidsthema’s worden bekeken door de bril van veiligheid en dat in toenemende mate veiligheidsmaatregelen worden toegepast op steeds ruimere schaal.9 Burgers willen niet alleen dat strafbare feiten worden opgespoord, maar eisen ook dat overlast, asociaal gedrag en symptomen van radicalisering in de kiem worden gesmoord. Consultatiebureaus monitoren of baby’s veilig opgroeien, treinstations weren zwartrijders door OV-poortjes en criminaliteit kan worden ‘voorspeld’ door middel van complexe algoritmes. Een flagrante verschuiving van repressie naar preventie vindt plaats. Het begrip ‘veiligheid' is hiermee meer gaan inhouden dan slechts feitelijke criminaliteit; ook risicovolle gedragingen en abstractere gevoelens van onbehagen zijn onder de paraplu van veiligheid komen te vallen.    
           
De toename van criminaliteit enerzijds en de securitisering van de maatschappij anderzijds, maakten van de veiligheidszorg een megaproject. Het is niet verwonderlijk dat de overheid een stapje terug doet en andere partijen medeverantwoordelijk maakt om dat megaproject het hoofd te bieden. Toch betekent dit geenszins dat de overheid een kleinere speler is geworden. De overheid mag dan in kwantitatieve zin gekrompen zijn, in kwalitatieve zin is dat zeker niet het geval! Juist doordat de veiligheidszorg qua omvang is verbreed en de overheid buiten de eigen kanalen om invloed kan uitoefenen, is ze invloedrijker en misschien wel gulziger dan ooit tevoren.10 Immers, in de traditionele strafrechtelijke handhaving intervenieerde de staat achteraf door (de dreiging met) straf. Vandaag de dag zoekt de overheid naar toegewijde partners die niet slechts bij een strafbaar feit, maar ook ‘aan de voorkant’ nog voordat ‘ongewenst’ gedrag heeft plaatsgevonden, kunnen interveniëren.

Kunnen we veiligheid maken?
Nu zou kunnen worden tegengeworpen dat, zolang veiligheid het hogere doel is, het toch juist wenselijk is om alle mogelijkheden ter verbetering aan te grijpen. De hamvraag is echter in hoeverre veiligheid ‘gemaakt’ kan worden. Is het werkelijk mogelijk om, door maar aan de juiste knoppen te draaien, een steeds veiligere samenleving te verkrijgen? Hoewel zo’n utopische wereld zonder onveiligheid buitengewoon onrealistisch is, lijkt de maatschappelijke roep om veiligheid die wens wel te weerspiegelen. Politici en beleidsmakers verzekeren burgers dat het veiliger moet en kan. Ook het recentste ChristenUnieverkiezingsprogramma somt tal van preventieve en repressieve maatregelen op, die eraan moeten bijdragen Nederland veiliger te maken. Denk aan het verbod op gezichtsbedekkende kleding in de openbare ruimte, het ontnemen van de Nederlandse nationaliteit bij jihadgangers of de nadruk op ‘streng’ straffen. Er kan zomaar een maakbaarheidsideaal achter schuilgaan waarin onveiligheid slechts een horde is die nog niet is genomen. Maar veiligheid is beperkt maakbaar en er doemen telkens nieuwe risico’s op; laat staan dat we in een gebroken en zondige wereld in staat zijn om die permanent uit te bannen. Sterker nog, met het almaar veiliger maken van de samenleving, dreigen we uit te komen op een paradoxaal spoor waarin meer veiligheid niet per definitie winst oplevert.11 Want veiligheid voor wie en ten koste van wat?

Zo is het maar de vraag of veiligheid evenredig over burgers verdeeld kan worden. Denk aan profileren; bewust dan wel onbewust screenen politieagenten het straatbeeld af op zoek naar de ‘boef’. Maar de boef is niet een soort objectief gegeven, het is vooral ook een sociale constructie, waarin allerlei (voor)oordelen en ervaringen uit het verleden een grote rol spelen. Specifieke groepen en personen worden als veiligheidsrisico gezien, waarmee ‘gewenste’ anderen per definitie vaker buiten schot blijven. Burgers met hogere inkomens kunnen zich trouwens meer veiligheid permitteren door private beveiligers in te huren of door allerlei preventieve beveiligingsmaatregelen aan te schaffen. Veiligheid kan dus per definitie niet evenredig worden verdeeld.

Teveel veiligheid
Ook kan het streven naar meer veiligheid juist bijdragen aan meer gevoelens van onveiligheid en kwetsbaarheid. Meer blauw op straat is mooi, maar tegelijkertijd kan de plotse aanwezigheid van blauw bijdragen aan de gedachte dat er wel iets aan de hand moet zijn. Goedbedoelde communicatie over de risico’s van woninginbraak en zakkenrollerij kan onbewust zorgen voor de gedachte dat criminaliteit alomtegenwoordig is. Dit kan in concrete situaties mensen functioneel alerter maken, maar het kan ook het gevoel van kwetsbaarheid vergroten.
Het vergroten van de veiligheid heeft, ten slotte, de belofte in zich om een vrije en zorgenvrije samenleving te creëren, maar kan gelijktijdig burgerlijke vrijheden uithollen. Uit vrees dat terroristische aanslagen onze vrije samenleving ondermijnen, grijpen we juist naar vrijheidsbeperkende maatregelen. Om winkelcentra schoon, heel en veilig te houden, weren we ‘ongewenste anderen’ door middel van een collectieve winkelontzegging. Het mag duidelijk zijn dat er zoiets kan bestaan als ‘teveel’ veiligheid, waardoor we andere belangrijke democratische waarden zoals vrijheid en gelijkheid slachtofferen ten gunste van het veiligheidsproject. Veiligheid is dus beperkt maakbaar en niet voor iedereen per se gunstig. Het is goed ons hiervan bewust te zijn.

Naar een christelijk-sociale visie op veiligheid
Het huidige discours binnen de veiligheidszorg raakt in zichzelf verstrikt. Het is tijd voor een frisse wind, die de verstikkende geur van maakbaarheid verdrijft. Nu, een verfrissende visie op de zorg voor veiligheid ligt diepgeworteld in de traditie van het christelijk-sociale denken. Of beter gezegd, een meer ‘positieve’ visie op veiligheid. Marc Schuilenberg en Ronald van Steden merken op dat naast de harde kanten, veiligheid “zich net zo goed organiseert rondom zachtere principes van ‘verbonden’, ‘geborgenheid’, ‘zorg’ en ‘herstel’.” 12 Hiermee wordt de aandacht verlegd naar de rol van maatschappelijke verbanden en vormen van samenleven, om daarmee tegenwicht te bieden aan een te eenzijdig negatieve fundering van veiligheid. Juist hierin is het een reactie op de paradox van securitisering, zoals we hierboven beschreven hebben. Immers, het is niet langer de ‘terugtrekkende’ overheid die steeds meer domeinen van de maatschappij als veiligheidsissue aanmerkt, maar de samenleving die actief vormgeeft aan veiligheid in de principes die tot de kern van haar wezen behoren: onderlinge relaties en verbanden, gebaseerd op verantwoordelijkheid, betrouwbaarheid, aandacht en naastenliefde.13 Tegelijkertijd is dit ‘zachte’ en positieve perspectief op veiligheid ook een correctie op het maakbaarheidsdenken, juist omdat het niet de pretentie in zich draagt risico’s volledig uit te bannen. Beide punten, het relationele aspect en de reactie op maakbaarheid, willen wij in een christelijk-sociaal kader plaatsen. Om te laten zien dat deze benadering zeer goede papieren heeft, juist voor de ChristenUnie, die nadrukkelijk in de christelijk-sociale traditie wil staan.

Bedoeld om samen te leven
Als we christelijk willen spreken over de menselijke samenleving, ligt het voor de hand te vragen naar hoe we de mens moeten begrijpen. Zonder een theologische antropologie te schetsen, zien we iets van een antwoord in Genesis 1:26-27. Deze beroemde passage over de mens als ‘evenbeeld’ van God wijst ons dus meteen op God zelf, waarbij het belangrijk is te stellen dat er grote verschillen tussen de mens en de Schepper zijn. Maar in de kern, waar het er echt om gaat, moet dus iets zichtbaar worden dat God en mens delen. Volgens theologen als Jürgen Moltmann, Stanley Grenz en Miroslav Volf komen we dan bij de triniteit terecht, en dan in het bijzonder een ‘sociale triniteit’: “At the heart of the Christian understanding is the declaration that God is triune – Father, Son and Spirit. This means that in his eternal essence the one God is a social reality, the social Trinity. Because God is the social Trinity, a plurality in unity”.14 In de relaties tussen Vader, Zoon en Geest, die voortdurend zorg voor elkaar dragen en die in verscheidenheid altijd verbonden zijn, ligt het hart van God. En, zo betogen zij, dit is precies waar de mens het evenbeeld wordt. Niet omdat de mens in zichzelf een drie-eenheid is, maar omdat juist de relationele dispositie van de mens tot de kern van zijn identiteit behoort: de mens is bedoeld om samen te leven, zich op de ander te richten, die geborgen te laten voelen, en zelfs in de zwartste dagen verbonden te blijven ondanks alle verschillen. Zonder onrealistisch te worden, zijn de implicaties van de sociale triniteit voor woorden als ‘gastvrijheid’, ‘aandacht’, ‘dialoog’ en ‘verbondenheid’ cruciaal.15 Als deze aspecten, die afgeleid zijn van God zelf, de kern vormen van wat het betekent om ‘mens’ te zijn, dan moet deze ‘zachte’ kant van samenleven een ijzersterk en christelijk-sociaal argument zijn om een ‘positieve’ benadering van veiligheid voor te staan. Het is een benadering die de samenleving (en de overheid) ondersteunt en faciliteert, door de relationaliteit van het menselijk samenleven de ruimte te geven en de taak van de overheid terug te brengen tot het garanderen van een meer basale veiligheid.

Positieve veiligheid versus maakbaarheidsdenken
Dat brengt ons op het laatste punt, namelijk de neiging tot securitiseren als uiting van maakbaarheidsdenken. De geschetste positieve benadering van veiligheid, gestoeld op een sociale triniteitsleer als basis ons verstaan van menselijk samenleven, kadert de rol van de overheid duidelijk in. Hierboven beschreven wij de trend van responsabilisering, waarin de overheid zich zegt terug te trekken en de samenleving verantwoordelijk maakt voor veiligheid, terwijl zij eigenlijk meer beleidsterreinen onder haar invloed plaatst. Juist deze laatste beweging, waarbij de overheid beleid gaat voeren op een maatschappelijk domein dat ze zelf ‘gesecuritiseerd’ heeft, is de ultieme uiting van maakbaarheidsdenken. Dat wil niet zeggen dat er binnen een christelijk-sociaal kader geen beleid gevoerd moet worden. Maar wel dat de focus daarvan verandert: in plaats van de verschuiving naar preventief beleid, richt de overheid zich nog nadrukkelijker op het versterken van sociale verbanden. Het doel moet zijn de kaders zo in te richten dat de samenleving, op allerlei niveaus, zichzelf organiseert rondom ‘verbondenheid’, ‘geborgenheid’, ‘zorg’ en ‘herstel’, in plaats van ‘risico’, ‘preventie’ en ‘screening’.

Daarmee draagt ‘positieve veiligheid’ in zichzelf het mechanisme om maakbaarheidsdenken buiten de deur te houden: als relaties zich laten kenmerken door een wederzijds afhankelijkheid, dan is iedere duurzame vorm van samenleven een geschenk van de ander aan jou en vice versa, waar ‘maakbaarheid’ zich slecht toe verhoudt. Juist een christelijk-sociale politiek zal zich hier actief voor in moeten zetten.

In het recentste verkiezingsprogramma zien wij daar goede aanzetten toe, bijvoorbeeld in de rol die het jeugdwerkers, wijkagenten en ouders geeft bij terrorismebestrijding. Tegelijkertijd staan die voorstellen wel in een beleidsmatig vacuüm waarin niet over de bredere sociale verbanden gesproken wordt. Datzelfde geldt voor de voorstellen onder het kopje ‘publieke gerechtigheid’: de logica is die van preventie en straffen, terwijl aan positieve veiligheid gerelateerde termen maar sporadisch voorkomen. Waar het christelijk-sociaal denken in andere beleidsterreinen, zoals de zorg en duurzaamheid, goed ontwikkeld is, is er nog een wereld te winnen op het gebied van veiligheid.


Conclusie
De responsabilisering van de veiligheidszorg en de securitisering die daarmee gepaard ging veroorzaken een gespannen relatie tussen burgers en overheid. De aanhoudende roep om meer veiligheid en de stellige retoriek waarmee politici burgers verzekeren ‘iets’ aan het veiligheidsprobleem te doen, kunnen bijdragen aan een neerwaartse spiraal van onbehagen en teleurstelling: we accepteren het noodlot niet meer en kijken naar de overheid als onze ‘verlosser’. Maar hoe veiliger we onze samenleving willen maken, hoe gevoeliger we voor onveiligheid worden. We kunnen uit deze verstikkende paradox treden door veiligheid niet te beschouwen als de afwezigheid van criminaliteit, overlast en terreur, maar juist als de aanwezigheid van geborgenheid, verbondenheid, zorg en herstel. Met de christelijk-sociale traditie geloven we dat de mens als evenbeeld van de drie-enige God uiteindelijk altijd op zoek is naar gezonde relaties. Daar ligt wat ons betreft de sleutel om te komen tot een discours dat daadwerkelijk recht doen aan het menselijk verlangen naar veiligheid.


Anthonie Drenth (MSc) is onderzoeker aan het Lectoraat Kennisanalyse Sociale Veiligheid van de Hogeschool Utrecht en is als onderzoeker verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarnaast is hij lid van het Thematisch Netwerk Veiligheid voor de ChristenUnie en lid van de Denktank van PerspectieF. 

Ruben van de Belt (BA) volgt een onderzoeksmaster Theology and Religious Studies en een master Law and Politics of International Security aan de Vrije Universiteit. Studeert hij Managementwetenschappen aan de Open Universiteit en is hij vice-voorzitter van CU Overijssel en lid van de Denktank van PerspectieF.

 

Noten

1. ChristenUnie (2016). Hoopvol realistisch. Voorstellen voor een samenleving met toekomst. Verkiezingsprogramma 2017-2021, 21.

2. Romeinen 13: 1-6 (HSV).

3. D. Garland, (1996). The limits of the sovereign state: strategies of crime control in contemporary society. British Journal of Criminology, 36(4), 445-71.

4. D. Osborne & T. Gaebler, (1992). Reinventing government: How the entrepreneurial spirit is transforming government. Reading Mass. Adison Wesley Public Comp

5. B.J.M. Engelhard, F.W.M. Huls, R.F. Meijer & P. van Panhuis, (2000). Criminaliteit en opsporing. In: Criminaliteit en rechtshandhaving 2000. WODC, 45 e.v.

6. D. Garland & R. Sparks, (2000). Criminology, Social Theory and the Challenge of our Times. British Journal of Criminology, 40(2), 445-471.

7. R.J. Kessels & W.T. Vissers. Misdrijven en opsporing. In: WODC (2016). Criminaliteit en rechtshandhaving 2015. Ontwikkelingen en samenhangen. Den Haag: Boom Criminologie.

8. M. Schuilenburg, (2011). ‘The securitization of society: on the rise of quasi-criminal law and selective exclusion’. Social Justice, 38 (1/2), 71-86.

9. B. Buzan, O. Wæver & J. de Wilde (1998). Security: A New Framework For Analysis. London: Boulder

10. W.A. Trommel, (2009). Gulzig bestuur. Den Haag: Uitgeverij LEMMA.

11. Deze ‘veiligheidsparadoxen’ zijn ontleend aan Lucia Zedner. L. Zedner, (2003). Too much security? International Journal of the Sociology of Law, 31, 155-184.

12. M. Schuilenberg & R. van Steden, (2016). Positieve veiligheid. Een inleiding. Tijdschrift over Cultuur en Criminaliteit, 6,3, pp:2-18, op p3.

13. L. Stampnitzky & G. Mattson, (2015) Sociology: Security and insecurities. In P. Bourbeau, (red.). Security: Dialogue Across Disciplines. Cambridge. Cambridge University Press, 90-110.

14. S. Grenz, (2000). Theology for the Community of God. Grand Rapids: Eerdmans, 76.

15. V.M. Kärkkäinen, (2014). Trinity and Revelation: A Constructive Christian Theology for the Pluralistic World. Grand Rapids: Eerdmans, 310-339.