Populisme & democratie - het geval Abraham Kuyper

Door Henk te Velde


Als het over de geschiedenis van het populisme gaat, duikt soms de naam van Abraham Kuyper op, een belangrijke voorman van de christelijke politiek. Ook de ChristenUnie weet zich met zijn denken verbonden. Is Abraham Kuypers politiek vergelijkbaar met die van hedendaagse populisten als Geert Wilders? En leverde die houding Kuyper ook iets op?

Populisme is een van de meest besproken politieke begrippen vandaag. Theoretici bedoelen er een politieke stroming of ideologie mee die zich verzet tegen een als eenheid opgevatte ‘elite’. Ze stelt de homogene eenheid van het gewone volk centraal en is daarom voorstander van volkssoevereiniteit en directe democratie. De stroming keert zich bovendien vaak tegen outsiders die samen met de elite het gewone volk ondermijnen en het heartland, de kern van de natie, bedreigen. Zo beschouwd is het verschijnsel vooral met rechts verbonden, maar links populisme komt ook voor. Dit is echter de wetenschap. Buiten de wetenschap wordt het begrip meestal slecht gedefinieerd en blijft vaak onduidelijk wat we nu precies onder populisme moeten verstaan. Toen Wouter Bos een interessant televisiecollege over populisme gaf bij De Wereld Draait Door, nam hij niet de moeite ook maar bij benadering te omschrijven wat hij onder populisme verstond. Dat laat veel ruimte om het als scheldwoord te gebruiken tegen demagogie, schreeuwers, degenen die de kiezer naar de mond praten, en verder iedereen met populaire opvattingen waarmee men het niet eens is. Bijna niemand noemt zichzelf populist.


Kuyper en Wilders: erflater en erfgenaam?
Het komt dan ook als een verrassing dat ook een van de belangrijkste founding fathers van de protestants-christelijke beweging in Nederland, Abraham Kuyper (1837-1920), als populist wordt beschouwd. Zo betoogde de chef van Letter&Geest Lodewijk Dros in Trouw van 17 december jongstledenmet veel voorbeelden dat er veel parallellen zijn tussen Geert Wilders en Abraham Kuyper. De strijd tegen de elite en kosmopolitisme, het opkomen voor ‘het echte hart van Nederland’ buiten de Kamer, de grove retoriek van de volkstribuun in plaats van de bestuurder: lijkt het allemaal niet erg op elkaar? Dros’ provocatie werkte, een ingezonden brievenschrijver betoogde (4 januari van dit jaar) dat de vergelijking nergens op sloeg. Het ging Kuyper om de kerk, hij was een serieuze, paternalistische auteur met een eigen levensbeschouwing. Hij was constructief, niet alleen maar overal tégen.

Wie heeft er nu gelijk? Lijkt Abraham op Geert? Ik heb zelf ook wel eens betoogd dat Kuypers politiek populistische elementen kende .1 Hij streed in een tijd van beperkt kiesrecht tegen de elite van ‘kiezers-aristocratie’ en voor zijn eigen gereformeerde heartland. Een vijfde colonne zag hij ook, vooral de ‘joods-liberalistische’ kapitalisten die het land naar hun hand zetten. Hij volgde uiteindelijk niet het voorbeeld van de Duitse christelijk-sociale antisemitische beweging van Adolf Stöcker, maar dat was minder uit principe dan omdat die aanpak in Nederland niet werkte. Principieel was hij wél tegen volkssoevereiniteit, zijn Antirevolutionaire Partij was immers opgericht om daartegen en tegen andere ideeën van de Franse Revolutie te strijden. Maar dat weerhield hem er niet van te pleiten voor uitbreiding van kiesrecht en ook om de plebiscitaire interne democratie van zijn eigen partij tegenover de herenpolitiek van de liberalen te plaatsen. Voor ware inspraak moest je bij de Antirevolutionairen zijn, niet bij de liberalen!2

Kuypers politiek kende dus duidelijke populistische elementen, maar hij was natuurlijk veel meer dan een populist alleen. Zijn neocalvinistische ideeën werkte hij uit tot een systeem dat de basis werd van de gereformeerde zuil. Aanvankelijk had Kuyper helemaal geen afgescheiden zuil willen oprichten. Hij wilde het Nederlandse volk herkerstenen, zijn ambities reikten verder dan een kleine minderheid. Uiteindelijk bleek hij echter alleen bij een minderheid succes te hebben, zelfs een groot deel van de orthodoxen bleef in de Nederlands Hervormde Kerk. De groep die met hem meeging, werd aangesproken door de combinatie van bijna bevindelijke retoriek en opzwepende politiek. Maar toen het erop aankwam, ging de energie van die groep zitten in organisatie en vereniging, niet in populisme. Achteraf bezien was Kuypers populisme vooral het breekijzer om de oude orde open te breken en ruimte te maken voor een nieuwe beweging. Dros vergist zich dan ook als hij Kuyper een ‘erflater’ van het populisme noemt en Wilders zijn ‘erfgenaam’. Met die woorden suggereert hij dat er een erfenis is doorgegeven, maar dat gebeurde nu juist niet. Het bleef bij de beginfase. De gereformeerden zouden in ideologische stevigheid uitblinken, de ARP werd de best georganiseerde partij van het land, die in verhouding tot haar aantal zetels het hoogste aantal jaren de premier en andere bestuurders aan de gevestigde (verzuilde) orde leverde. Het tegendeel van populisme dus. De omslag is deels al te vinden bij Kuyper zelf die na een heftige crisis van overspannenheid in de jaren 1870 de zekerheid van rust, regelmaat en orthodoxie meer dan ooit had omarmd.


Archaïsch en schreeuwerig modern
Toch is het goed stil te staan bij Kuypers populistische moment. Dat maakt namelijk duidelijk hoezeer populisme bij moderne politiek hoort. Aan het einde van de negentiende eeuw brak de democratie – als woord en als kiesrechtuitbreiding – in Nederland eindelijk door, en Kuyper opereerde in die overgang. Ingetogen bestuur met fatsoenlijke discussie is een aantrekkelijk ideaal, maar om iets fundamenteels te veranderen, heb je meer nodig. Kuyper had geen voet aan de grond gekregen als hij zijn stem niet had verheven en geen beroep had gedaan op het gewone volk. Hij kwam van buiten, dat was zijn kracht. Geen patriciër, en geen jurist zoals alle liberalen (en trouwens ook antirevolutionairen Groen van Prinsterer en Savornin Lohman), maar een theoloog, iemand die zich allereerst tot het volk richtte en wist hoe hij zijn boodschap moest brengen. Iemand die ook in een traditie stond: niet die van populisme, er bestond geen Nederlandse populistische traditie, maar die van diep geloof en de Tale Kanaäns die hij virtuoos beoefende in zijn gebundelde zondagse meditaties.

Populisme toont de ambivalentie van moderne politiek en vooral ook van de moderne democratie die we geneigd zijn te vergeten. ‘Modern’ was voor orthodoxen een scheldwoord, een synoniem van vrijzinnig. Maar Kuyper was geen vreemde in het moderne leven. Hij gebruikte als journalist en dagbladuitgever alle moderne middelen die hij had en was uitstekend thuis in een reeks van wetenschappen. Bovenal was hij in zijn tijd de ‘modernste’ politicus van het land, niet zozeer als bestuurder, maar als volksleider. De socialisten waren wellicht radicaler, maar hij was succesvoller, doordat hij er zo goed in slaagde de liberale elite op het verkeerde been te zetten. Liberalen konden socialisten nog wel begrijpen: dat waren lieden van een andere stand die niets hadden maar alles wilden. Dat was niet fijn, maar was een soort onvermijdelijk maatschappelijk verschijnsel. Maar wat moest je met die Kuyper beginnen? In liberale ogen was hij archaïsch en schreeuwerig modern tegelijk en erop gericht liberalen op de kast te jagen. Je ziet de hulpeloosheid en machteloze woede in veel keurige liberale commentaren.3 Wat een woordenkraam, wat een overdreven zo niet huichelachtige vroomheid, wat een wollige vaagheid, en wat een sofistische en autoritaire leider! Hier is een parallel te ontwaren met de moeizame reacties op het hedendaagse populisme, maar interessant genoeg bestond dat woord in Nederland toen nog niet. Men had er nog geen behoefte aan, ‘democratie’ volstond. Men dacht  bij democratie niet per definitie aan iets moois. Het was een systeem dat in de vorm van algemeen mannenkiesrecht bekend was uit Frankrijk en de Verenigde Staten.. Was dat geen wedstrijd in populariteit waar de schreeuwers het wonnen van de degelijke bestuurders?. Eind negentiende eeuw was Nederland nog niet overtuigd dat democratie moest komen, sterker nog, er werd zelfs heel lang niet eens veel over gepraat. Vrijheid, rechtsstaat, vrije pers, ja zeker, maar had je daar democratie voor nodig? Moest inspraak niet beperkt blijven tot diegenen die bewezen hadden dat ze deze mooie beginselen begrepen?


Politicus ‘naar Americaansch model’
En toen kwam daar opeens die rumoerige predikant die zich niet beperkte tot zieltjes winnen onder de stillen in den lande, maar die lawaaiig de orthodoxie politiek wilde mobiliseren. In een prachtig citaat vol ingehouden emotie legde de conservatief-liberale patriciër en minister van Buitenlandse Zaken Willem Hendrik de Beaufort al zijn gram:

“Dr. Kuyper is het type van den politicus der democratische maatschappij, naar Americaansch model. Voor hem zijn de verkiezingen alles, zijn buitengewone talenten en begaafdheden worden bij uitsluiting gebruikt om de kiezers te bewerken. Daarvoor is noodig een hooge mate van onbeschroomdheid die hem dan ook niet ontbreekt. Hij durft alles te zeggen en te schrijven vooral. Met de waarheid neemt hij het zoo nauw niet, wat indruk kan maken wordt verkondigd, hetzij juist, hetzij onjuist. In grove, dikwijls platte beeldspraak worden door hem de zaken voorgesteld, altijd in het licht dat hij wenscht. Gemaakte verontwaardiging, verdachtmaking en spot zijn zijne geliefkoosde wapenen. Zijne eigenlijke aanhangers, de zuivere calvinisten uit het volk en de burgerij, volgen hem blindelings. Over zijn geloof wil ik niet spreken. Na als student modern te zijn geweest is hij ineens als proponent vurig orthodox geworden en in een zeer rechtzinnige gemeente beroepen, tot groote verwondering zijner tijdgenooten. Sedert is hij kampioen van het calvinisme gebleven. Niet altijd wordt dat calvinisme op den voorgrond geschoven: als hij de katholieken aan het lijntje moet hebben komt het algemeene positieve christendom op de proppen.”4

Democratisch, Amerikaans, onoprecht en opportunistisch, dat is ongeveer zoals De Beaufort Kuyper zag. Als je democratisch door populistisch vervangt, past het citaat zo in onze tijd. Dat is meer dan een kwestie van woorden. Net toen De Beaufort schreef, zo rond 1900, begon ‘democratisch’ in Nederland eindelijk een woord te worden met een positieve connotatie. Er waren sociaaldemocraten en in de jaren 1890 kwamen er ook links-liberale vrijzinnig-democraten, maar De Beaufort vond het nog steeds een onaangename en onfatsoenlijke zaak. En toen Kuyper zelf al in 1874 na veel mitsen en maren zich wel ‘met de radicalen der linkerzij vergelijken’ wilde, want Paulus was immers ‘apostel óók der democratie’ , was dat nog bijzonder provocerend. Jezus, zei Kuyper in dezelfde jaren, was zelf ‘door banden van maagschap aan den democratischen stand verbonden’ geweest.5

Eigenlijk pas toen het algemeen kiesrecht in Nederland in 1917-1919 werd aanvaard, werd het land ook volgens de bestuurlijke elite een ‘democratie’. Maar toen was het begrip democratie wel van betekenis veranderd. Terwijl het in de negentiende eeuw stond voor pure volksregering en radicaal zelfbestuur, werd het nu verbonden met vertegenwoordiging en parlement. Minderheden die democratie radicaler wilden interpreteren, kregen weinig voet aan de grond. Al die waarden zoals rechtsstaat en vrijheid die in de negentiende eeuw tégen de democratie werden verdedigd, werden er nu in opgenomen, tenminste dat was de bedoeling. In de jaren tussen de wereldoorlogen was daar nog veel onenigheid over, maar in 1945 was het wel zover. Het is dus goed om ons te realiseren dat de gelijkstelling van democratie met parlementaire, vertegenwoordigende, liberale democratie pas in de eerste helft van de twintigste eeuw haar beslag kreeg. Tot het einde van de negentiende eeuw kon je wel betogen dat democratie aantrekkelijke kanten had, maar moest daar altijd een ‘maar’ bij. Democratie had de bijbetekenis van regering door de grote hoop, dus chaos, dus een risico om te vervallen tot alleenheerschappij omdat de massa achter een demagoog aanliep. Die gedachte ging al terug op de Oudheid, maar werd nog weer eens bevestigd door de ervaring van de Franse Revolutie. Bewezen de excessen waartoe die had geleid niet dat democratie een onding was? De democratie moest altijd getemd worden door een monarchaal element en door een aristocratische elite.


Kleine luyden versus de aristocratie
Het idee van het temmen van de democratie is nooit helemaal weg geweest, ook niet in de twintigste eeuw. De conservatieve historicus Johan Huizinga schreef aan het einde van zijn leven in de oorlog: “Het is in zekeren zin de bijmenging van een element aristocratie, wat de democratie bestaanbaar maakt, aangezien zij zonder dit gehalte steeds gevaar loopt te stranden op de onbeschaafdheid der massa's.”6 Het is niet toevallig dat een conservatief zoiets zei: die zag scherp de nadelen van een democratie maar veel minder die van een aristocratie (namelijk de neiging tot kliekjesvorming, groepsbelang en achterkamertjes). Je had flinke democraten nodig om juist deze laatste nadelen aan de kaak te stellen. Zo’n democraat was Kuyper: manipulatief – zeker ook in eigen kring – , onbehouwen, op het demagogische af, maar wel met de energie en de toonhoogte om een zelfgenoegzame liberale elite te laten voelen dat er een ‘vergeten’ groep was die de aandacht verdiende. Kuyper noemde die vergeten groep de ‘kleine luyden’, maar ook dat was deels een retorische constructie, vergelijkbaar met het gewone volk van de populist.  Op die manier stelde de democratie tegenover de aristocratie, de dominante tegenstelling in die tijd.  De huidige tegenstelling tussen democratie en dictatuur werd dominant door nazisme en Tweede Wereldoorlog. In de negentiende eeuw verbond men aristocratie met vrijheid en democratie met dictatuur. Maar na 1945 stond democratie voor lange tijd tegenover dictatuur. Impliciet werd daarmee de tegenstelling aristocratie-democratie naar de achtergrond geschoven. In veel naoorlogse politicologische analyses wordt democratie dan ook wel beschouwd als het recht van de bevolking om een nieuwe elite – dus aristocratie – te kiezen. In de jaren zestig begon het verzet daartegen, in Nederland onder het motto van de strijd tegen regentenmentaliteit, eerst door links, en sinds Pim Fortuyn door rechts. Dit heeft duidelijk gemaakt dat er negatieve kanten zitten aan de aristocratische zijde van de democratie. De ‘elite’ had in de jaren zestig al net zoveel moeite als tegenwoordig om zich daartegen te weren. De omgekeerde conclusie, dat een pure democratie ook niet alleen maar een feest is, is veel moeilijker te trekken. Wie durft er tegenwoordig te zeggen dat hij bedenkingen heeft tegen democratie? In de jaren tachtig stelden sommigen binnen het GPV zich nog op het standpunt dat de rechtsstaat prachtig was maar dat de democratie wel ingetoomd diende te worden.7 Dat zal de ChristenUnie nu niet meer zeggen. Een alternatief voor algemeen kiesrecht is ook moeilijk voorstelbaar. Wie zou moeten bepalen wie in aanmerking komt voor een beperkt kiesrecht, wie voorkomt dat een elite alleen maar haar eigen zaken in de gaten houdt? Algemeen kiesrecht is een noodzakelijke voorwaarde voor democratie. Maar is het ook een voldoende voorwaarde? Vrijwel iedereen zal zeggen dat democratie meer is dan meerderheidsbeslissingen. Ook populisten die dat wel luidkeels verkondigen, zouden snel van hun liefde voor dat standpunt bekeerd zijn, als blijkt dat de massa er bij nader inzien anders over denkt dan zijzelf.


Populisme als onderdeel van de democratie
Vaak wordt zelfs gezegd dat populisten ondemocratisch zijn omdat ze geen pluralisme maar alleen meerderheidsstandpunten en hun eigen standpunt erkennen, terwijl pluralisme de basis is voor onze moderne democratie. Het lijkt me niet vruchtbaar om op die manier populisme uit te bannen, daarvoor is het te nauw verbonden met democratie. De Beaufort noemde Kuyper ‘Americaansch’. Kuyper was niet blind voor de manipulatieve zijde van de Amerikaanse politiek, maar was toch  vooral onder de indruk van de energie van het land, gecharmeerd door de standenloze, open Amerikaanse maatschappij waar iedereen zijn eigen kerk organiseerde, los van de staat.8 Het Amerikaanse voorbeeld inspireerde maar schrok ook af. Het maakte duidelijk dat populisme een bijverschijnsel is van democratisering. Dat bleek in Nederland met Kuyper. Abraham Kuyper was een bijzondere theoloog, maar zonder zijn populistische kanten als journalist en politicus, zou hij bij lange na niet zo’n rol hebben gespeeld in de emancipatie van de kleine luyden.

 

Auteur
Prof. dr. Henk te Velde is hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden


Noten

1. Zie het hoofdstuk over populisme in H. te Velde, (2010). Van regentenmentaliteit tot populisme. Politieke tradities in Nederland. Amsterdam: Bert Bakker; en H. te Velde, (2012). De domesticatie van democratie in Nederland. Democratie als strijdbegrip van de negentiende eeuw tot 1945’, BMGN - Low Countries Historical Review,127 (2),3–27; aan beide stukken heb ik het wat ontleend.

2. Over Kuyper is zeer veel geschreven, recentelijk nog de biografieën: J. Koch, (2006). Abraham Kuyper. Een biografie. Amsterdam: Boom; J. D. Bratt, (2013). Abraham Kuyper. Modern Calvinist, Christian Democrat. Grand Rapids/Cambridge: Eerdmans. Productieve auteurs zijn verder onder anderen J. Vree, (2006). Kuyper in de kiem. De precalvinistische periode van Abraham Kuyper 1848-1874. Hilversum: Verloren; en J. de Bruijn, (2005). Het boetekleed ontsiert de man niet. Abraham Kuyper en de Lintjesaffaire (1909-1910). Amsterdam: Bert Bakker. Zelf schreef ik een hoofdstuk over Kuyper in H. te Velde, (2002). Stijlen van leiderschap. Persoon en politiek van Thorbecke tot Den Uyl. Amsterdam: Wereldbibliotheek.

3. Bijvoorbeeld J.T. Buys, ‘Bedenkelijke leuzen’, De Gids (1881) I, 118-160.

4. J. P. de Valk en M. van Faassen ed., (1993). Dagboeken en aantekeningen van W.H. de Beaufort 1874-1918. Den Haag: Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, II, 1018.

5. A. Kuyper, (1874). Het Calvinisme oorsprong en waarborg onzer Constitutioneele Vrijheden. Een Nederlandsche gedachte. Amsterdam: B. van der Land, 66.; A. Kuyper, (1873). Confidentie. Schrijven aan den weled. heer J.H. van der Linden. Amsterdam: Hoveker en Zoon, 78-79.

6. J. Huizinga, (1945). Geschonden wereld. Een beschouwing over de kansen op herstel van onze beschaving. Haarlem: Tjeenk Willink, 110.

7. E. Klei, (2011). ‘Klein Maar Krachtig, Dat Maakt Ons Uniek'. Een geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond, 1948-2003. Amsterdam: Bert Bakker.

8. Zie George Harinck ed., (2009). Mijn reis was geboden. Abraham Kuypers Amerikaanse tournee. Hilversum: Verloren.