Tegen het cynisme, de utopie

Door Laurens Wijmenga


Utopieën roepen bij velen associaties op met fata morgana’s, in bloed gedrenkte revoluties en totalitaire staatssystemen. Zeker onder erfgenamen van een politieke beweging die zichzelf definieerde als antirevolutionair, worden al te idealistische visies op de samenleving al snel met meer dan een klein beetje argwaan bekeken. Een sprekend voorbeeld is de Groen-lezing ‘Tegen de utopie, het Evangelie’ (2006) van Gerard den Hertog. In deze tijd van cynisme en populisme is echter ook een hartstochtelijk pleidooi te houden voor juist meer utopisch denken in christelijke politiek. Dat pleidooi wil ik op deze plek voeren.

In de reformatorische politieke traditie staan radicale, grootste vergezichten onder de verdenking onderdrukking te legitimeren (het doel heiligt de middelen), de mens centraal te stellen in plaats van God en uit te gaan van al te optimistische aannames over de maakbaarheid van de wereld en de goedheid van de mens. En tenslotte is daar, als coup de grâce van de utopie, the proof of the pudding: utopisch denken is al uitgeprobeerd in de praktijk en het heeft gewoon gefaald. De twintigste eeuw vertelt immers het inktzwarte verhaal van mislukte utopische experimenten, waaronder communisme en nazisme, die gepaard gingen met grootschalige onderdrukking, oorlogen en massamoorden.

Een vriendelijke utopie
Zonder al deze argumenten tegen utopisch denken te hoeven (en kunnen) weerleggen, zijn er echter voldoende redenen voor een vriendelijker beschouwing van de utopie. Hierbij is het allereerst van belang te definiëren wat een utopie nu precies is. In het Grieks betekent ou-topos ‘geen plaats’. De Dikke van Dale omschrijft het als ‘een onbereikbaar ideaal’. In de politieke filosofie is dat ideaal een perfecte, maar onbereikbare samenleving. Een gedachtenexperiment dus. Door een ideale maatschappij te schetsen, zetten schrijvers als Thomas More (Utopia), Voltaire (Candide) en recenter Wells (A modern Utopia) en Callenbach (Ecotopia) lezers aan het denken over de staat van de huidige samenleving. More stelde bijvoorbeeld maatschappelijke misstanden, zoals tirannie en corruptie aan de kaak. Callenbach beoogde met zijn Ecotopia, een roman over een ultragroene egalitaire maatschappij, lezers te inspireren tot een andere manier van leven. Callenbach zei hierover het volgende: “It is so hard to imagine anything fundamentally different from what we have now. But without these alternate visions, we get stuck on dead center. And we’d better get ready. We need to know where we’d like to go2.

De utopie heeft parallellen met andere literaire vormen, zoals de middeleeuwse vorstenspiegel, waarin jonge vorsten van advies worden voorzien. Vorstenspiegels waren, net als utopieën, geen staatkundige blauwdrukken, maar beoogden normen en waarden over te dragen en het inzicht van de vorst te vergroten.


De kracht van de utopie
De geschiedenis leert dat vorstenspiegels en utopieën, maar ook maatschappijkritische romans en verhalen, in potentie grote kracht bezitten. Zij kunnen de aanzet geven tot maatschappelijke omwentelingen; zowel ten goede als ten kwade. Zo vormde Les aventures de Télémaque de inspiratie voor Rousseau en Voltaire, op hun beurt architecten van de Franse Revolutie. Maatschappelijk geëngageerde romans zoals De negerhut van oom Tom en Max Havelaar hebben een grote invloed gehad op de toenmalige opvattingen over slavernij en kolonialisme. En neem de door Martin Luther King eloquent verwoorde droom over Amerika, als land waar men “niet meer beoordeeld wordt op huidskleur, maar op de inhoud van het karakter”. Zijn visioenvormde een sterke stimulans voor beweging voor burgerrechten voor zwarte Amerikanen, resulterend in de opheffing van de segregatie.

Nu is dergelijke, maatschappelijke geëngageerde literatuur vaak het product van activistische schrijvers en politici, vaak uit niet- of zelfs antichristelijke hoek. Christelijke politici, zeker in Nederland wagen zich, om reeds genoemde redenen, niet zo snel aan grootste, meeslepende bespiegelingen of radicale maatschappijkritiek. Tot Gods nieuwe Koninkrijk aanbreekt zijn weliswaar hier en daar vonkjes van dit Koninkrijk te zien, die kunnen worden aangeblazen. Maar die constatering dient altijd gepaard te gaan met een flinke dosis realisme over wat de staat in dit kader vermag. De overheid kan volgens Abraham Kuyper slechts “de mensheid voor totale vernietiging bewaren”.3 We leven immers niet in een maakbare, maar in een door de zondeval aangetaste wereld. Slechts met hard werken en veel genade kunnen de vonkjes smeulende worden gehouden en een klein vuurtje gaan vormen.


Een eutopisch Koninkrijk
Toegegeven, met deze houding zullen we niet snel op het pad van heilloze staatkundige fantasieën komen. Toch is het jammer, dat we met dit ‘hoopvol realisme’ een prachtige kans laten liggen. Wij christenen zitten namelijk op een literaire goudmijn. De Bijbel die elke christen-politicus op zijn nachtkastje heeft liggen, staat vol inspirerende verhalen over -en instructies voor het goede leven (Thora), maatschappijkritiek (Jesaja, Micha, Amos) en vorstenspiegels (Deuteronomium 17, Ezechiël 34).

Van veel van deze verhalen zou je, net als bij More’s Utopia, kunnen stellen dat zij niet persé bedoelt zijn als letterlijke instructies maar meer als richtinggevende principes. Zo is het zeer onzeker of de Mozaïsche wetgeving voor kwijtschelding van schulden en jubeljaren in oudtestamentische tijden ooit in de praktijk heeft gefunctioneerd.1 Maar, utopisch of niet, deze wetten dagen ons wel uit tot een radicaal andere economie. Jubeljaar en sabbat zouden in onze tijd wellicht de vorm kunnen aannemen van een fikse uitbreiding van wettelijke verlofdagen of de terugkeer van de levensloopregeling. Of nog een stapje verder; een wettelijk recht op een jaar onbetaald (sabbats)verlof. Uiteraard lopen we hierbij aan tegen allerlei praktische bezwaren, maar waar een wil is, is ook een realistische weg te vinden. Ook voor onze visie op duurzaamheid en dierenwelzijn kunnen we ons laten inspireren door de Bijbel: zo geldt de sabbatsrust niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren (Exodus 20:9) en landbouwgrond (Ex. 23:11). Een gegeven dat zich slecht verhoudt met de praktijken van bio-industrie, zoals het continue ‘opstallen’ van dieren en intensieve landbouw en veeteelt. 

Juist in deze tijd van pessimisme, cynisme, polarisering en angst is aan niets meer behoefte dan aan een hoopgevend en samenbindend verhaal. ChristenUnie politici zouden daarom vaker vergezichten van Bijbelse rechtvaardigheid mogen schetsen. Het liefst versterkt door een inspirerende levensstijl die deze rechtvaardigheid in de praktijk weerspiegelt. Bijvoorbeeld door geen auto te rijden, vrijwilligerswerk te doen bij de voedselbank of een vluchteling in huis te nemen. Graag dus iets minder realisme, ChristenUniepolitici, en iets meer eu-(=goed)topisch denken en handelen. Want christenen zijn geen hoopvol realisten, maar realistische burgers van een eutopisch Koninkrijk.


Auteur

Laurens Wijmenga is onderzoeker bij het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie

 

Noten

1. Zie Gemara, Arachin 32b (waarin wordt gesteld dat jubeljaren in ieder geval na de Assyrische ballingschap niet meer gehouden werden).

2. New York Times, 12 december 2008, ‘The Novel that predicted Portland’.

3. Kuyper (1899) Het calvinisme.