Waarden & normen en de politieke agenda

Door Kars Veling

Politieke aandacht voor normen en waarden komt in golven. Het lijkt erop dat de politiek in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen weer extra werk gaat maken van moraal. Wat is de agenda van politici die roepen om hernieuwde aandacht voor waarden en normen?

In de aandacht voor normen en waarden is wel een constante: de ethische onderwerpen, waarover ongelukkigerwijs vooral christenen zich druk maken. Maar van tijd tot tijd wordt het thema ‘waarden en normen’ breder in de Nederlandse politiek aan de orde gesteld. Een aantal voorbeelden: PvdA-onderwijsminister Jo Ritzen agendeerde begin jaren 1990 de pedagogische opdracht van het onderwijs, met het oog op versterking van moreel besef en sociale verantwoordelijkheid. Rond de eeuwwisseling was het CDA-partijleider Jan Peter Balkenende die aandacht trok met de oproep tot meer aandacht voor normen en waarden. De ChristenUnie voerde toen een soortgelijk pleidooi. Ik herinner me dat in de verkiezingscampagne in 2002 is gespeeld met de gedachte om ‘doe normaal!’ als leus te voeren. De recente herleving van de aandacht voor het thema heeft een andere achtergrond: de zorg over bedreiging van ‘onze’ morele waarden van buitenaf, door groepen die onvoldoende integreren in de Nederlandse samenleving.

Het moet concreet
Er zal ook de komende tijd weer veel gesproken worden over moraal. Dat politici duidelijk maken vanuit welke morele uitgangspunten zij willen werken aan het beste voor Nederland, is uitstekend. En dat zij aandacht hebben voor het belang van sociaal besef en onderling respect voor een sterke samenleving is ook toe te juichen. Laat het daar maar over gaan.

Maar daarmee is niet genoeg gezegd. Een debat over moraal in de politiek heeft alleen zin als het concreet wordt. Wat bedoelt een politicus als hij of zij aandacht vraagt voor normen en waarden? Wat is de aanleiding? Welke waarden en normen worden bedoeld? En daarbij vooral ook: welke opvatting over de taak van de overheid is daarbij leidend?

Of meer te kunnen zeggen over ‘waarden en normen’ in de politiek moeten we dus preciezer kijken. Ik noem twee politieke kwesties die in de komende maanden ongetwijfeld veel aan de orde zullen komen. Uit veel mogelijkheden kies ik de opvang van vluchtelingen en de waarden die de Nederlandse identiteit stempelen.

De opvang van vluchtelingen
De opvang van vluchtelingen is een complex vraagstuk, maar in de kern ervan ligt een centrale vóórvraag. Dat is de vraag wie onze naaste is. De talloze andere vragen die volgen zijn ook essentieel. Kosten van opvang, moeite van integratie, concurrentie bij woningen en banen, spanning in de samenleving, beheersbaarheid van instroom, het zijn zonder enige twijfel belangrijke elementen voor goed overheidsbeleid. Wie verstandig is berekent de kosten. Naïveteit is geen christelijke deugd.

Maar begin wel met onder ogen te zien dat we te maken hebben met mensen die op onze weg zijn gekomen. Wie je naaste is heb je niet voor het kiezen. De barmhartige Samaritaan dacht toen hij die bebloede man zag liggen misschien ook wel: was ik toch maar gisteren vertrokken.

Eigenbelang of naaste
Een interessante historische parallel kan ons helpen onze gedachten te vormen.1 De zorg voor slachtoffers van tegenspoed is de eeuwen door gevoeld als een gemeenschappelijke opdracht. Opvang en ondersteuning kwamen, hoewel niet altijd direct en royaal, het eerst tot stand in de kring van een dorp of een stad. Waar mensen elkaar kennen en beseffen dat het onheil dan de een treft ook henzelf kan treffen, heeft solidariteit ook een gezamenlijk belang.

Er waren natuurlijk ook altijd mensen, niet uit de directe omgeving, op zoek naar onderdak. Ontheemde armen zijn dat, ter onderscheiding van de ‘eigen’ hulpbehoevenden. Voor die ontheemde armen waren ook andere namen. Het waren zwervers, gelukzoekers, landlopers. Daarvoor voelden dorpsgemeenschappen en steden zich natuurlijk niet verantwoordelijk. Ze werden overal weggejaagd, ook omdat iedereen wist dat ze niet deugden.

Het zou mooi zijn als we konden zeggen dat het besef dat deze landlopers ook naasten zijn heeft geleid tot solidariteit. De lasten van opvang delen was natuurlijk ook een zaak van eigenbelang. Als het afschuiven niet meer gaat, zit er niets anders op dan allemaal iets doen. Maar basaal was er toch ook het besef dat de ontmoeting met de armen niet te ontkennen was. Ze waren nu eenmaal naasten.   

Het is niet gemakkelijk te zeggen dat de vluchteling je naaste is. Je kunt christenen ook horen zeggen dat ze niets tegen naastenliefde hebben, maar toch sympathie voor de PVV hebben. Ik begrijp wel dat de omvang van het vluchtelingenprobleem angst kan oproepen. Soms zijn we niet bij machte onze naasten te helpen, althans niet in de omvang waarmee het probleem zich aandient.

Maar we kunnen niet anders dan accepteren dat vluchtelingen onze naasten zijn. Politieke partijen hebben vanuit electorale overwegingen de neiging om afweer tegen vreemdelingen in de samenleving als gegeven te beschouwen. Gebrek aan draagvlak moet soms als politieke en bestuurlijke uitdaging worden beschouwd. Dat vraagt lef.

Nederlandse waarden: de Nederlandse identiteit verdedigen?
Het is natuurlijk met opzet dat ik in mijn steunbetuiging aan het debat over waarden en normen begin over vreemdelingen. De pleitbezorgers voor waarden in de Nederlandse politiek die dezer dagen de meeste aandacht krijgen, hebben het over wat anders: we moeten de Nederlandse morele waarden verdedigen tegenover de islam. Dat betoogt bij voorbeeld VVD-minister Edith Schippers krachtig in haar recente HJ Schoo-lezing.2 Ze bedoelt dan waarden die in onze Grondwet zijn vast gelegd, met name het gelijkheidsbeginsel in artikel 1 en de vrijheid van meningsuiting in artikel 7.

Ik vind dat een belangrijk thema. In opdracht van de ministers Plasterk en Asscher heb ik met ProDemos gewerkt aan een programma speciaal voor nieuwkomers, waarin wordt uitgelegd hoe de Nederlandse rechtsstaat in elkaar zit. Discriminatie is verboden, ook als het gaat om mensen wier gedrag je afkeurt en vanuit je geloof misschien zelfs verafschuwt. Achterstelling van vrouwen is niet toegestaan. Bedenk dat als je hier wilt leven en deze gelijkheid ver af staat van de bejegening van vrouwen en meisjes in je land van herkomst. Uit mijn ervaring op het Haagse Johan de Witt College herinner ik me wat een Somalische jongen, Khalid, vertelde.3 Zijn moeder was heel bang voor wat ze zag als de losbandigheid in Nederland. Maar Khalid had inmiddels oog gekregen voor de totalitaire druk van de monocultuur die ze achter zich hadden gelaten.

Spreek voor jezelf
Edith Schippers heeft gelijk. Het is van groot belang dat nieuwkomers integreren in de Nederlandse rechtsstaat. Inderdaad heeft vrijheid iets van een paradox. Het is noodzakelijk om duidelijk te maken dat er in Nederland geen ruimte is voor schending van mensenrechten.

Maar Schippers gaat in haar lezing verder. Zij concentreert zich niet op de grenzen die de wet stelt, maar hekelt de cultuur van islamitische groepen in ons land. Ze wil geen verbod op wat ze noemt de islam die de Nederlandse cultuur afwijst. Maar ‘clubs’ met deze signatuur zijn wel onze tegenstander, vindt Schipper. Die geef je geen subsidie en die laat je niet met rust.

Ik kan deze gedachtegang wel volgen. Maar ik krijg twijfel als duidelijk wordt dat minister Schipper haar persoonlijke en maatschappelijke missie verbindt met het overheidsperspectief. Zij pleit voor een politieke ‘vrijheidscoalitie’ die de ‘minderwaardige’ cultuur van strenge moslims moet bestrijden waar dat kan. Ze heeft het steeds over ‘wij’ als ze toch vooral haar liberale geestverwanten bedoelt. De achterhaalde opvattingen bijvoorbeeld over homoseksualiteit en de verhouding tussen man en vrouw moeten volgens haar veel feller worden bestreden dan we nu doen. Wij hebben ons niet voor niets ‘losgemaakt van de kerk’, zegt Schippers. ‘Wij, die alle heilige huisjes omver hebben geschopt, vinden dat anderen zich maar in hun cultuur moeten schikken.’ Spreek voor jezelf, denk ik dan. Moet ik als burger van de Nederlandse rechtsstaat bij die ‘wij’ horen? Khalid zou dit terecht, ondanks zijn sympathie voor het vrije Nederland, wellicht toch wel een beetje monocultureel kunnen vinden.

Meerderheden, ook liberalen, kunnen hun politieke principes zo vanzelfsprekend vinden dat ze met een beroep op de ‘paradox van de vrijheid’ maar moeilijk ruimte laten voor mensen en groepen die heel anders in het leven staan. Denk aan de dominante elite in het Nederland van de eerste helft van de 19e eeuw.4 Koning Willem I en zijn regering vonden dat ze gerechtigd waren een christendom boven geloofsverdeeldheid te bevorderen, met het oog op ‘vrede en harmonie’. Daarvoor moest de overheid bijvoorbeeld afscheidingen van de Hervormde Kerk en oprichting van eigen, christelijke scholen maar tegengaan. Een meerderheid die zich ruimdenkend vindt, kan vrijheden van onwelgevallige minderheden schenden.

Het perspectief van de rechtsstaat
De twee voorbeelden onderstrepen het belang van moraal in de politiek. Aandacht voor waarden en normen is nodig. Maar steeds is duidelijk geworden dat we niet in abstracties moeten blijven hangen. Over waarden en normen wordt verschillend gedacht. Het is essentieel in de Nederlandse democratische rechtsstaat dat voor deze verschillen ruimte is, uiteraard behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.

Als er iets waar we trots op mogen zijn dan is dat het stelsel van checks and balances dat het onmogelijk maakt om met overheidsgezag een bepaalde cultuur voor te schrijven. Dat maakt dat het bedenkelijk is de eigenheid van Nederland te zoeken in de liberale waarden, die Edith Schippers als ‘onze’ vaderlandse verworvenheden beschouwt.

Er is wel degelijk een verbinding tussen mensen in Nederland die verder gaat dan het oranjegevoel bij sportwedstrijden en die inhoudelijker is dat de waardering van het koningschap van Willem Alexander.

Die verbinding zou gevonden kunnen worden in de democratische rechtsstaat met haar geschiedenis. Op een vaak moeizame manier heeft zich in Nederland een constellatie ontwikkeld waarin vrijheid en gezag, recht en volksinvloed, collectieve arrangementen en een maatschappelijk middenveld een zekere balans hebben gevonden.

Die balans is niet gegarandeerd stabiel. De democratische rechtsstaat is geen rustig bezit. Maar de maatschappelijke steun voor de democratie en de rechtsstaat is groot en de instituties zijn sterk. Mijn ervaring met jongeren bij ProDemos, het Huis voor democratie en rechtsstaat, geeft me ook vertrouwen in de toekomst.

Lastig is dat bij ‘democratische rechtsstaat’ maar weinig mensen warme gevoelens hebben. Het recht biedt weliswaar bescherming, maar niet alleen aan mij, ook aan anderen met wie je het helemaal niet eens bent. In onze cultuur, waarin de eigen individuele vrijheid haast absoluut geldt, wordt de begrenzing daarvan ten gunste van anderen gauw opgevat als een inbreuk op ‘mijn identiteit’. Voor zelfbeheersing en respect voor andersdenkenden krijg je geen massa’s op de been.

Geen culturele eenheid
Nederlanders hebben veel met elkaar gemeen. Dat ontdek je als je in het buitenland bent. De leerlingen van het Johan de Witt College vertelden zonder uitzondering dat ze op vakantie bij familie voor Hollanders werden uitgemaakt. En de bespreking van hun opstellen met elkaar getuigde van een openheid, die in veel culturen niet goed denkbaar is. Maar eenstemmigheid is natuurlijk iets anders.

Misschien is het daarom niet zo vruchtbaar om te zoeken naar de Nederlandse identiteit als een culturele eenheid. Nederland is een land van minderheden. In de tijd van de verzuiling kreeg deze verscheidenheid vorm in een structuur die ook bescherming bood. Een meer geïndividualiseerde samenleving vraagt om een meer persoonlijk commitment, niet alleen met de eigen gemeenschap, maar ook met ruimte voor groepen die heel anders in het leven staan.

In een samenleving die waarde hecht aan de democratische rechtsstaat kunnen opvattingen natuurlijk serieus met elkaar botsen. Er is reden en ook alle ruimte om elkaar aan te spreken. Schippers toont in haar lezing afschuw over een fundamentalistische moslimgroepering, Hizb ut-Tahrir. Dat is alleszins begrijpelijk. Maar in die bestrijding moet doorklinken dat onze rechtsstaat gewetensvrijheid beschermt, juist ook tegenover mensen die daarvoor geen oog hebben.

Wat Nederland kan ontwikkelen zou je kunnen typeren als een gezamenlijk perspectief. We lijken niet allemaal op elkaar, we zijn het soms hartgrondig met elkaar oneens, maar we delen in Nederland wel een gezamenlijke opdracht, het bouwen aan een land dat ruimte biedt voor allen, begrensd en beschermd door de democratische rechtsstaat.


Dr. Kars Veling was lid van de Eerste Kamer (1991-2002, GPV en later GPV/RPF), lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie (2002), rector van het Haagse Johan de Witte College (2003-2011) en directeur van ProDemos, Huis voor democratie en rechtsstaat (2011-2016).

Meer lezen over de democratische rechtsstaat? Ga naar wi.christenunie.nl/rechtsstaat