Alle scholen zijn bijzonder

Door Eppo Bruins

In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen klinken pleidooien voor een acceptatieplicht, afschaffen van financiële gelijkstelling openbaar- en bijzonder onderwijs en het helemaal verbieden van bijzonder onderwijs. Hoeveel ruimte is er voor verschil?

Toen de Franse Revolutie in het begin van de negentiende eeuw ons land overspoelde, kwam al gauw de gedachte van staatsonderwijs als middel om het volk te verheffen. De overheid werd gezien als neutrale macht die weet wat goed is voor de kinderen. Deze liberale verlichtingsgedachte heeft in Nederland nooit echt voet aan de grond gekregen. Vanaf het moment dat in 1848 onderwijsvrijheid ontstond onder de nieuwe grondwet van de liberaal Thorbecke, verenigden ouders van allerlei gezindten zich om overal in het land bijzondere scholen te stichten. Met de leerplicht die op 1 januari 1901 inging, bleek de behoefte aan 'een school die bij je past' nog groter te worden.

Het werd door velen dan ook als een overwinning gevoeld dat vanaf 1917 het bijzonder onderwijs niet langer financieel werd achtergesteld ten opzichte van het openbaar onderwijs. Deze gelijkstelling is vervat in het huidige Artikel 23 van de grondwet. Anno 2016 zien we dat nog steeds tweederde van de ouders hun kind naar een bijzondere school stuurt. Bovendien is ruim 80% tevreden tot zeer tevreden met de keuze aan schooltypes in hun omgeving, zo blijkt uit recent onderzoek van TNS-NIPO in opdracht van Verus en VGS.

Dooddoeners
Het is dan ook onbegrijpelijk dat er een roep is om het bijzonder onderwijs niet meer te financieren of zelfs te verbieden. Een waaier aan mythes en dooddoeners wordt daarbij gebruikt als zogenaamd argument. Het bijzonder onderwijs zou segregatie in de hand werken. In werkelijkheid zien we dat op bijzondere scholen relatief net zoveel kinderen van allochtone afkomst zitten als op openbare scholen; het is veeleer de samenstelling van de wijk die de samenstelling van de school bepaalt. Bijzonder onderwijs zou ook niet meer 'van deze tijd' zijn. Maar wie bepaalt wat 'van deze tijd' is? En het onderwijs zou een afspiegeling van de samenleving moeten zijn, terwijl juist Artikel 23 dat mogelijk maakt omdat iedereen het recht heeft zich te verenigen en een school te starten. Dat dat in de praktijk moeilijk is vanwege de hoge stichtingsnormen en de krimpende bevolking, heeft niets te maken met de inhoud van Artikel 23.

De roep om de afschaffing van Artikel 23 komt politiek van links én rechts, van liberaal en socialistisch. Beide stromingen zijn kinderen van de Franse Revolutie. Links en rechts zetten daarmee 4000 basisscholen en meer dan 100.000 leraren in de beklaagdenbank.

De keerzijde van Artikel 23
Het opmerkelijke is dat Artikel 23, toen ons land nog overwegend christelijk was, juist het voortbestaan van openbare scholen in iedere gemeente heeft beschermd. Ook in regio's waar maar weinig behoefte was aan openbaar onderwijs, zorgde de gemeente ervoor dat het beschikbaar bleef voor ouders die hun kind daar graag naar toe wilden sturen. Nooit was er een roep vanuit christelijke partijen (of vanuit andere stromingen) om het openbaar onderwijs op te heffen. En ook nu zijn er regio's waar openbare scholen ternauwernood het hoofd boven water houden. Artikel 23 beschermt de diversiteit aan scholen en de keuzevrijheid van ouders, zowel openbaar als bijzonder. En regelt de gelijke bekostiging.

Des te opmerkelijker is de luide oproep van SP, VNL en sommige VVD'ers om het bijzonder onderwijs, en met name de scholen op religieuze grondslag, de nek om te draaien door de geldkraan dicht te draaien of zelfs een verbod uit te vaardigen. Uitvoering van dat standpunt zou de keuzevrijheid van ouders enorm inperken. Het is dan ook onduidelijk welk feitelijk probleem men wil oplossen. Is het angst voor islamitische scholen? Is het een afkeer van 'witte' scholen?

Verlichtingsgeloof
Nee, het is een idée fixe. Het is gelijkheidsdenken, de egalité. Het is de liberale én socialistische droom dat je kinderen tot hun achttiende niet moet confronteren met religieuze gedachten zodat ze zonder waanideeën kunnen opgroeien tot gezonde burgers. Het is een aanval van orthodox-religieuze aanhangers van het Verlichtingsgeloof.

Het is dan ook de hoogste tijd om weer voluit antirevolutionair te zijn. Een neutrale overheid bestaat niet en neutraal onderwijs evenmin. Iedere leraar heeft een wereldbeeld, een mensvisie, een levensbeschouwing van waaruit hij denkt en handelt. Alle volwassenen in de nabijheid van kinderen zijn rolmodellen en het is verstandig en eerlijk om er open over te zijn vanuit welk perspectief de leraar zijn lessen geeft. Geloof trek je niet bij de voordeur uit als een jas die je aan de kapstok hangt. Bij 1+1=2 kun je je nog neutraal opstellen. Maar onderwijs gaat over vorming, toerusting en wijsheid, niet over kennis en nog minder over informatie. De achtergrond van de leraar, van het team en van de school kleurt het onderwijs. Ook bij openbare scholen! Het is de hoogste tijd dat we deze werkelijkheid opnieuw gaan erkennen. In praktische zin kunnen we dit erkennen door openbaar onderwijs ook te erkennen als een richting in de wet. Openbare scholen hebben óók het recht bijzonder te zijn. Ieder kind is bijzonder. En dat geldt ook voor alle scholen.

Dat geeft veelkleurigheid in het onderwijslandschap. Ieder kind heeft recht op een school die bij hem of haar past. En iedere ouder heeft recht op keuzevrijheid.

Dr. Eppo Bruins is Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie en is woordvoerder op het gebied van onderwijs.