Pleidooi voor pluralisme

Door Eimert van Middelkoop

Onderzoeksgegevens van onze tijd tonen al decennia de neergang van de christelijke godsdienst en het kerkelijk leven. De alledaagse ervaring bewijst de privatisering van de (christelijke) godsdienst. De kennis van de Bijbel en de christelijke traditie is bij de doorsnee Nederlander tot een bedenkelijk laag peil gezonken. Datzelfde, hoewel moeilijker aan te tonen, geldt vermoedelijk ook voor de reikwijdte en het gezag van het christelijk ethos. In elk geval is een expliciet beroep daarop in het publiek discours een zeldzaamheid geworden. Deze ontkerstening en het daarmee gepaard gaande waardenverlies heeft zich in een snel tempo voltrokken. Merkwaardig is nu dat deze ontwikkeling intellectueel nauwelijks wordt gethematiseerd. Men zou toch verwachten dat deze transformatie repercussies zou kunnen hebben – ik druk mij zo voorzichtig mogelijk uit – voor bijvoorbeeld de waardenverankering van onze rechtsorde en democratie, het ethos van de arbeid en de onderlinge omgang, de legitimiteit van het gezag et cetera. Waar blijft op intellectueel niveau de reflectie op de betekenis van deze historische breuklijn? Kortom, waar zijn de profeten van deze tijd?


Fukuyama en Groen
Een bedenking tegen deze gevraagde thematisering zou kunnen zijn dat christenen een belang hebben bij het stellen van dit type vragen. Dat zou een weinig intellectuele reactie zijn, maar misschien is het meer overtuigend om de relevantie van deze vragen te laten versterken met een waarneming van één van de meest prominente politieke denkers van onze tijd, de Amerikaan Francis Fukuyama. In zijn tweedelig hoofdwerk De oorsprong van onze politiek (2011) stelt hij onomwonden dat de rechtsorde, die de politieke macht fundamenteel begrenst, zijn oorsprong vindt in de godsdienst. Dat is historisch eerst en vooral het geval geweest in het christelijke Europa, daar ging het recht aan de opkomst van de moderne staat vooraf. Hij voegt er nog de interessante observatie aan toe dat China nooit een transcendentale godsdienst heeft gekend en wellicht daarom nooit een echte rechtsorde heeft ontwikkeld als een fundamentele begrenzing van de politieke macht.

Ruim anderhalve eeuw geleden raakte Groen van Prinsterer aan ditzelfde thema. Waar het onderwerp voor Fukuyama politicologische relevantie heeft, daar staat voor Groen het onderwerp midden in de geschiedenis. Zoals wij vaak nog reflecteren op de Tweede Wereldoorlog, zo deed Groen dat met de Franse Revolutie. Anders echter dan met het fascisme en nationaal-socialisme die met het eindigen van de oorlog geen rol van betekenis meer speelden, onderkende Groen in zijn tijd dat de onderliggende ideeën van de Franse Revolutie, namelijk die van de Verlichting, nog altijd werkzame krachten zijn. Die ideeën parasiteren op het christendom en keren de waarheid van het christelijk geloof tegelijkertijd om. Een zwakke vorm van een vergelijkbaar parasiteren maakte een jaar of vijfentwintig opgeld toen in de Nederlandse politiek over cultuurchristenen werd gesproken. Dat waren burgers, die geloof en kerk vaarwel hadden gezegd, maar hun individueel en maatschappelijk ethos nog grotendeels ontleenden aan de christelijke traditie. En die op het CDA stemden. We horen er weinig meer over.


Profetisch
De gestalte van Groen is allereerst een profetische. Wie hem zou vragen om al zijn beweringen te bewijzen begrijpt niets van hem. Er valt op cultuurfilosofisch terrein niet zoveel te bewijzen, wel om aannemelijk te maken en gealarmeerd te worden. Elke geschoolde lezer zal moeten erkennen dat Groen een grondige kennis had van cultuur en geschiedenis, van godsdienst en filosofie. De Revolutieleer – wij zouden zeggen: de ideologie van de Franse Revolutie – kwalificeerde hij als de religie van het ongeloof. De diepte van deze op het eerste gezicht eenvoudige stelling is dat de Revolutie en haar ideologische vooronderstellingen niet slechts een afbraak betekenden van het christelijk geloof en de christelijke traditie, maar op haar beurt ook een geloof was dat mensen in de greep kan krijgen en aanzetten tot actie.. Dat is in de twintigste eeuw zichtbaar geworden in het communisme en het fascisme. Dat waren totalitaire, religieuze ideologieën met een atheïstisch mensbeeld. Het doet er niet zoveel toe de vraag te beantwoorden of de profeet Groen dit heeft voorvoeld, hij begreep dat er godsdienstig, filosofisch en politiek iets verschrikkelijks was gebeurd, dat Nietzsche een kwarteeuw later zou verwoorden als de “Umwertung aller Werte”.

Er is iets voor te zeggen dat we de erfenis van Groen inmiddels grotendeels hebben verwerkt. Vele generaties na hem en voor ons zijn aan de slag gegaan met zijn profetische analyse in bijvoorbeeld een nieuwe, christelijke filosofische school en een anti-revolutionaire politieke partij. Daar kunnen wij nog altijd veel van leren. Groen confronteerde zich met de in zijn ogen desastreuze politieke theorieën van Rousseau, wij weten inmiddels dat vrijwel overal die theorieën zijn stukgelopen op een praktijk van representatieve parlementaire stelsels. Al steken ze soms in een primitieve vorm weer de kop op waar het populisme schermt met ‘de stem van het volk’ of wanneer politici een buiging maken voor het instrument van het referendum. En met de afstand van de tijd die ons is gegund, zien we beter dat er nog veel meer werkzame krachten in Groens’ tijd een maatschappij en politiek vormend effect hebben gehad, zoals de industrialisatie en de daaruit voortvloeiende ‘sociale kwestie’, het opkomend nationalisme en een technische revolutie.


Tocqueville
Een jaar nadat Groen zijn Ongeloof en Revolutie (1847) schreef, publiceerden Marx en Engels hun Het communistisch manifest (1848). Enerzijds is dat manifest te beschouwen als een bewijsstuk bij de waarschuwing van Groen dat het ongeloof en de Revolutie nieuwe kwade krachten zouden baren, maar het maakt ook zichtbaar dat er in het denken van Groen elementen van reactie aanwijsbaar zijn. Marx en Engels keken vooruit. Groen is eigenlijk vooral bezig met de ontaarding van de achttiende eeuw resulterend in ongeloofstheorieën en de Franse Revolutie en een duiding van zijn tijd in termen van het verleden. Een andere politiek verwante denker en tijdgenoot, de Franse aristocraat Alexis de Tocqueville, publiceerde ruim tien jaar eerder zijn magnifieke studie Over de democratie in Amerika (1835/1840). In dat nieuwe land ontdekte hij de sociale en politieke kracht van het gelijkheidsbeginsel dat, zo verwachtte hij, ook in Europa zijn doorwerking zou krijgen. Aan dit type analyse kwam Groen nauwelijks toe, want hij bewoog zich eerst en vooral op het hoge niveau van de polariteit tussen ongeloof en revolutie. Dat mag men de profeet Groen niet verwijten, het mag ons de ogen niet doen sluiten voor de geldigheid van tal van andere analytische invalshoeken. En dat is relevant voor ons politieke gebruik van zijn werk.

Een politicus moet zich realiseren dat er meer is dan filosofie of waarden en normen. Het ongeloof en de revolutiegeest door Groen op hoog niveau bestreden zijn in hun doorwerking ook gestuit door andere, reëel politieke factoren. Zo is het gif van de klassenstrijd bestreden door de organisatie van niet-revolutionaire arbeiders in coöperatieve vakbonden. Datzelfde kan gezegd worden van het programma van sociale wetgeving, gestart aan het einde van de negentiende eeuw, uitlopend in de verzorgingsstaat van de twintigste eeuw. Het gif van het nationalisme is eerst vergeefs bestreden met de oprichting van de Volkenbond in het interbellum, maar was na de Tweede Wereldoorlog grotendeels uitgewerkt. Daarnaast kan er kortsluiting optreden wanneer bijvoorbeeld een filosofisch of theologisch begrip als de ’antithese’ in de politiek een programmatische betekenis krijgt. Abraham Kuyper heeft dit gedaan, de Amerikaans president George Bush evenzo met zijn retoriek van de “axis of evil” en, zij het in afgezwakte vorm, iets vergelijkbaars kenmerkte destijds het kerkistische ledenbeleid van het GPV. Echter, de antithese, de strijd tussen geloof en ongeloof of tussen goed en kwaad, loopt dwars het mensenhart heen en is politiek dan ook geen geschikt organisatiebeginsel.


Dictatuur van de meerderheid
Belangrijker voor de gezondheid van een politiek stelsel dan waarden en normen zijn soms ook de herinneringen aan verschrikkelijke periodes van vernietiging en terreur. Het Handvest van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de ontwikkeling van het internationale recht waren antwoorden op de Tweede Wereldoorlog en vormden decennialang de solide grondslagen van vrijheid en democratie in het vrije Westen. Daar kan nog de contrastervaring van dat vrije Westen met de onvrijheden van het communistische Oosten aan worden toegevoegd. Kortom, met Groen mag tegen de revolutie het evangelie hoog worden gehouden, er is meer te zeggen. Politici zijn geen evangelisten.

Groen heeft gereflecteerd op de fundamentele ideologische ontwikkelingen van zijn tijd. Die tijd ligt inmiddels ver achter ons en nieuwe historische ervaringen hebben zich in ons geheugen vastgezet. Het is daarom gekunsteld om het oordeel van Groen te vragen over bijv. de Europese integratie of het moslimterrorisme. Ons kritisch denken moet met zijn tijd meegaan en zich continu reformeren. Intussen blijft het leerzaam te luisteren naar de grote politieke profeten van de negentiende eeuw, die houvast zochten bij het evangelie en de geschiedenis. Groen was zo iemand. Daarnaast was er Tocqueville, congeniaal met het politieke denken van Groen, maar minder evangelisch en meer visionair. Beide aristocratische denkers hebben gewaarschuwd tegen de gevaren van een ‘dictatuur van de meerderheid’ in de moderne democratie. Dat blijft relevant. In Nederland hebben we de periode van de Verzuiling achter de rug. Men hoeft daar niet naar terug te verlangen om toch te constateren en te betreuren dat met dat verdwijnen van het georganiseerde pluralisme op godsdienstige en levensbeschouwelijke grondslag, de fundamentele notie van pluralisme zelf een knauw heeft gekregen. Als het goed is vloeit uit een doorleefd besef van de waarde van grondwettelijke vrijheidsrechten als die van godsdienst en meningsuiting een even doorleefd accepteren van een reëel pluralisme voort waarin men verschillen van mening accepteert en respecteert. Dat besef is aan het verdwijnen.


Pluralisme als waarde en praktijk
De constitutionele ruimte waarbinnen men vrij is zijn godsdienst te belijden, zijn mening te uiten, zijn school te kiezen of zich te verenigen met anderen, zal resulteren in een pluralistische samenleving met een verscheidenheid aan overtuigingen, meningen en organisaties. Die verscheidenheid, dat pluralisme kan echter bedreigd worden wanneer in dat constitutionele vrije veld een meerderheidsmacht dominant dreigt te worden. Dat was in de negentiende eeuw met de opkomst van moderne democratische vormen de beduchtheid van Groen en Tocqueville. Het pluralisme als waarde en als praktijk wordt in onze tijd bedreigd door de radicalisering van de liberale vrijheidsidee. In die radicalisering wordt bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting op agressieve wijze uitgerekt tot het recht van beledigen, worden het zogenaamde homohuwelijk en de homoseksualiteit verheven tot iconen van permissiviteit waarover geen verschil van mening meer wordt geduld en wordt de voor liberalen altijd storende stem van de kerk teruggeslagen naar het ongevaarlijke privéterrein. Voeg daarbij de steeds meer publiek geuite weerzin binnen het populistisch vertoog tegen de islam en moslims en de afzwakking van het pluralisme in het onderwijs door pleidooien voor de opheffing van het bijzonder onderwijs en het wordt wat benauwd in Nederland. Niet alleen voor moslims. Een politieke partij als de ChristenUnie zou zich daarom uit overtuiging en om redenen van eigenbelang kunnen profileren als de partij van het pluralisme. De kunst is om dat niet op defensieve wijze te doen want dan bevestigd men impliciet het gelijk van de meerderheid, maar offensief als hoeder van de constitutionele ruimte die verscheidenheid aan meningen principieel mogelijk maakt. Politiek is dan weer strijd binnen gegeven kaders, niet om bepaalde (liberale) waarden op te leggen, maar om elkaar op te scherpen, het vertrouwen van de burger te winnen en verdedigbare compromissen te sluiten om het land regeerbaar te doen blijven. Het is goed wanneer politici in een campagne of een debat zichtbaar maken vanuit welke waarden normen zij tot een programmatische keuze komen. Het oogmerk is het afleggen van verantwoording, niet om elkaar geheel te overtuigen. De overheid gaat niet over de waarheid, daarvoor moet men elders zijn. De kunst van het politieke bedrijf is om de eigen waarden en normen zodanig operationeel te maken dat er, gegeven het democratisch pluralisme, toch bruggen geslagen kunnen worden naar de tegenstander in campagne en debat met wie men om redenen van de regeerplicht daarna moet samenwerken. En dreigen we daarbij te pragmatisch te worden dan nemen we Ongeloof en Revolutie van Groen van Prinsterer ter hand om weer onder spanning te komen staan.


Eimert van Middelkoop was lid van de Tweede Kamer (1989, GPV – 2002, ChristenUnie), lid van de Eerste Kamer (2003-2007), Minister van Defensie (2007-2010, Kabinet Balkenende IV) en Minister van Wonen, Wijken en Integratie (2010, Kabinet Balkenende IV).