Tussen privacy en het recht op leven. De staat, levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding

Tussen privacy en het recht op leven. De staat, levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding

Door Martin Buijsen

Nederland heeft in vergelijking met andere landen een uitzonderlijke euthanasiewet. Wat staat er in die wet en hoe zijn de cijfers van euthanasie in Nederland? Het Nederlandse euthanasiebeleid  moet aan het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens voldoen en dat beperkt de ruimte voor politici. 

Levensbeëindiging op verzoek (euthanasie) en hulp bij zelfdoding zijn strafbare feiten naar Nederlands recht. Vervolging blijft echter achterwege als voldaan is voorwaarden die onder meer zijn neergelegd in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl, ook wel ‘Euthanasiewet’).

In deze bijdrage zal ik eerst het systeem en de werking van de Euthanasiewet uit de doeken doen. Vervolgens wil ik aan de hand van internationale rechtspraak de verhouding van de staat tot euthanasie en hulp bij zelfdoding bezien. Beide fenomenen lenen zich voor zeer uiteenlopende morele kwalificaties die ook politiek hun vertaling vinden. De houding van een partij als de ChristenUnie tegenover euthanasie en hulp bij zelfdoding is uiteraard een andere dan die van – zeg – D66.

Ik besluit met de vaststelling dat aan euthanasie en hulp bij zelfdoding juridische aspecten kleven die politieke smaak overstijgen: mensenrechten bepalen de ruimte voor verschil.

De wet…
Euthanasie en hulp bij zelfdoding zijn strafbaar (art 293 lid 1 en art 294 lid 1 Sr). Van een strafbaar feit is geen sprake als het feit begaan is door een arts, die heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen én zijn handelen heeft gemeld aan de gemeentelijke lijkschouwer. Deze uitzondering is in het Wetboek van Strafrecht opgenomen als bijzondere strafuitsluitingsgrond (Art. 293 lid 2 jo. Art 294 lid 2 Sr). De zorgvuldigheidseisen zijn vastgelegd in de Euthanasiewet, terwijl de meldingsplicht is opgenomen in de Wet op de lijkbezorging.

Bij melding van euthanasie of hulp bij zelfdoding voegt de arts een verslag waarin hij motiveert waarom hij aan de zorgvuldigheidseisen meent te hebben voldaan. De lijkschouwer gaat vervolgens na hoe het leven van de patiënt is beëindigd. Tevens controleert hij het verslag van de arts op volledigheid. De lijkschouwer meldt de euthanasie of hulp bij zelfdoding aan een van de vijf regionale toetsingscommissies euthanasie (RTE’s) en geeft de relevante stukken (art. 7 Wtl).

De RTE beoordeelt of de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen. Deze houden in dat hij: a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt, b. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt, c. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten, d. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor zijn situatie geen redelijke andere oplossing was, e. ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen a tot en met d, en f. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd (art 2 lid 1 Wtl).

De beoordeling door de RTE (een arts, een ethicus en een jurist-voorzitter) vindt plaats aan de hand van de overgelegde stukken. Wanneer de commissie vragen heeft of nadere informatie behoeft, wordt de meldende arts en/of de geconsulteerde arts daarover telefonisch of schriftelijk benaderd. Is de RTE op grond van de stukken van plan te oordelen dat de arts niet overeenkomstig één of meer van de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld, dan wordt hij voor een gesprek uitgenodigd.

De RTE’s geven uiteindelijk een schriftelijk oordeel over de meldingen die zij ontvangen. Komt de commissie tot het oordeel dat aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan, dan ontvangt de arts het oordeel en is de zaak daarmee afgedaan. Luidt het oordeel anders, dan gaat het oordeel tevens naar het College van procureurs-generaal en de Inspectie voor de Gezondheidszorg, vergezeld van het dossier. Het College beslist of tot strafvervolging wordt overgegaan, de Inspectie of andere maatregelen getroffen worden.

Ten slotte bevat de Euthanasiewet bepalingen met betrekking tot euthanasie en hulp bij zelfdoding bij wilsonbekwame en minderjarige patiënten, die toezien op de betekenis van schriftelijke wilsverklaringen en de betrokkenheid van ouders of voogden in het besluitvormingsproces (Art 2 lid 2 t/m 4 Wtl).


… en de feiten
De RTE’s leggen jaarlijks verantwoording af. Volgens het jaarverslag van 2015 ontvingen de commissies in dat jaar 5516 meldingen van euthanasie en hulp bij zelfdoding.1 In 2002, het jaar waarin de Euthanasiewet van kracht werd, bedroeg het aantal meldingen 1882.2 Sindsdien is het aantal meldingen dus bijna verdrievoudigd.

In 2015 was in 5277 gevallen sprake van euthanasie, in 208 gevallen van hulp bij zelfdoding en in 31 gevallen betrof het een combinatie van beide. In 4730 gevallen was de meldende arts een huisarts. In 4000 gevallen was kanker de onderliggende aandoening. In 56 meldingen vormde een psychiatrische aandoening de grondslag van het lijden van de patiënt. In 109 meldingen was dementie de grondslag.3 De levensbeëindiging vond in 4409 gevallen thuis plaats. In slechts vier gevallen oordeelden de RTE’s dat niet aan alle zorgvuldigheidseisen was voldaan.4

De Euthanasiewet is geëvalueerd in 2007 en 2012. De resultaten van de derde evaluatie worden in de loop van 2017 verwacht. In 2010 werd geschat dat 2,9 procent van alle sterfgevallen in Nederland voor rekening kwam van euthanasie of hulp bij zelfdoding. In dat jaar werd het aantal meldingen geschat op 77 procent van het totale aantal gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding.5 Sinds de inwerkingtreding van de Euthanasiewet is in 73 gevallen geoordeeld dat de meldende arts niet zorgvuldig handelde. In geen van deze gevallen is het tot strafvervolging gekomen.


Privacy…
Nederland is partij bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de burgerlijke vrijheden (EVRM). Op de naleving ziet het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM) toe. Het EVRM kwam in 1950 tot stand als reactie op de talloze mensenrechtenschendingen die in de Tweede Wereldoorlog hadden plaatsgevonden. De verdragstekst zegt niets over euthanasie of hulp bij zelfdoding. Maar omdat het EHRM (de allerhoogste Europese mensenrechtenrechter) dit verdrag opvat als een ‘living instrument’ van mensenrechtenbescherming, dat gehanteerd moet worden in ‘present-day conditions’, heeft deze rechter zich ook gebogen over deze zaken.

Allereerst is het Pretty-arrest (2002) belangrijk.6 Een vrijwel volledig verlamde ALS-patiënte zocht een uitspraak van de EHRM omdat het Engelse openbaar ministerie weigerde haar echtgenoot op voorhand te vrijwaren van strafvervolging als deze haar zou helpen bij het beëindigen van haar leven. Diane Pretty vreesde een levenseinde dat in haar ogen onwaardig zou zijn en voerde onder meer aan dat het besluit van het openbaar ministerie een schending betekende van haar recht op leven en haar recht op privacy. Met betrekking tot het eerste recht stelde zij dat dit recht geen plicht tot leven kon inhouden. Het hof ging hierin niet mee: het recht op leven impliceert géén recht op sterven.7 Het belang van het arrest ligt in de overwegingen met betrekking tot het tweede recht. Aan haar keuze om wat Pretty beschouwde als een onwaardig en schrijnend levenseinde te vermijden, stond naar het oordeel van het EHRM het algehele verbod op hulp bij zelfdoding van de Engelse strafwet inderdaad in de weg, waarop het verklaarde “niet bereid te zijn uit te sluiten dat dit neerkwam op een inmenging van haar recht op eerbiediging van het privéleven (…)”.8

In het Haas-arrest (2011) is men specifieker. Ernst Haas leed al 20 jaar aan een ernstige bipolaire stoornis. Omdat zijn moeilijk te behandelen aandoening een waardig leven voor hem onmogelijk maakte, benaderde hij vergeefs meerdere psychiaters met het verzoek om hem euthanatica voor te schrijven. Haas wendde zich uiteindelijk tot het EHRM met de klacht dat er inmenging had plaatsgevonden in het gebruik van zijn privacyrecht, omdat hij aan de voorwaarden voor het krijgen van de middelen, te weten een door een arts uitgeschreven recept na een grondige psychiatrische evaluatie, nooit zou kunnen voldoen.

Hoewel het hof een positieve staatsverplichting tot het nemen van de nodige maatregelen die een (in de ogen van Haas) waardige zelfdoding mogelijk maken niet aanneemt,9 stelt het wel dat “het recht van een individu om te beslissen op welke wijze en op welk tijdstip het eigen leven zal eindigen beschouwd worden als een van de aspecten van het recht op privéleven (…), vooropgesteld dat het individu in staat is vrijelijk een dergelijke keuze te maken en daarnaar te handelen”.10 Dit recht mag niet ‘louter theoretisch of illusoir’zijn.11


… en het recht op leven
In beide zaken stelde het EHRM uiteindelijk vast dat de privacy niet geschonden was. In de Pretty-zaak oordeelde het hof dat de inmenging kon worden gerechtvaardigd omdat zij tot doel had de rechten van anderen te beschermen, in het bijzonder hun recht op leven. Het Engelse algehele verbod op hulp bij zelfdoding was in de ogen van het EHRM bovendien niet disproportioneel omdat bij de handhaving flexibiliteit wordt betracht. ‘Mercy killings’ blijven meer dan eens door de Engelse rechter onbestraft.12 Ware dat anders, dan had het hof het ‘behoudende’ Verenigd Koninkrijk berispt.

Hoewel het EHRM blijk gaf van sympathie voor de wens van Haas, was het toch van oordeel dat de Zwitserse regelingen een legitiem doel dienen: de bescherming tegen overhaaste besluiten en het voorkomen van misbruik: toegang tot de middelen door mensen die niet tot belangenafweging in staat zijn. Volgens het hof verplicht het recht op leven staten tot inrichting van procedures die kunnen garanderen dat een besluit om het eigen leven te beëindigen overeenkomt met de vrije wil van het betrokken individu.13 Had het ‘liberale’ Zwitserland niet die procedure, dan zou het hof dat land op de vingers hebben getikt.

In het recht op privacy ligt volgens het hof géén positieve staatsverplichting besloten om een ‘waardige’ zelfdoding te faciliteren. Dat mag, maar het moet niet. Het recht op leven kent wél een positieve staatsverplichting: staten hebben de plicht zelfdoding te voorkomen waar het individu het besluit daartoe niet vrijelijk en met volledig begrip van de implicaties kan nemen. Kwetsbaren moeten beschermd worden, óók tegen handelingen die het eigen leven in gevaar brengen.


Slotsom
Beleidsmakers doen vaak voorkomen dat Nederland in een normatief vacuüm verkeert. De ruimte voor nationaal beleid is echter voorgestructureerd in een niet te onderschatten mate. Zo is de Nederlandse staat onder meer aan internationale mensenrechtenverdragen gebonden en de uitleg die daaraan door de rechter gegeven wordt. Nationaal beleid, in de vorm van wetgeving, regeringsbeleid of jurisprudentie, mag hiermee niet in strijd zijn. Het EVRM is verreweg het belangrijkste verdrag.

Over het recht van het individu om te beslissen over de wijze en het tijdstip van het eigen levenseinde wordt uiteenlopend gedacht onder de staten die partij zijn bij dit verdrag. Bij afwezigheid van morele consensus is het volgens het EHRM primair aan hen om de relevante belangen (bescherming van het leven en keuzevrijheid met betrekking tot het eigen levenseinde) af te wegen.14

Maar niet alle uitkomsten kunnen. ‘Pro life’-politici moeten beseffen dat mensen het recht hebben te beslissen over de wijze en het tijdstip van het eigen levenseinde: een recht dat als alle mensenrechten praktisch en effectief moet zijn. Evenzeer moeten ‘pro choice’-politici ervan doordrongen zijn dat dit komt met verantwoordelijkheden voor de levens van kwetsbaren. In een staat die zich door hoger recht gebonden weet – in een rechtsstaat – zijn politieke keuzes voor uitersten hier niet langer een optie.


Prof. dr. Martin Buijsen is hoogleraar recht en gezondheidszorg aan de Erasmus School of Law en het instituut Beleid en Management Gezondheidszorg van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij adviseerde de adviescommissie Voltooid Leven over de interpretatie van het EVRM.
 

Noten
1 Regionale Toetsingscommissie Euthanasie. (2016). Jaarverslag 2015. Den Haag., 7.

2 Regionale Toetsingscommissie Euthanasie. (2003). Jaarverslag 2002. Den Haag., 3.

3 Jaarverslag 2015.,7-11, 19.

4 Jaarverslag 2015.,17.

5 ZonMw. (2012). Sterfgevallenonderzoek 2010. Euthanasie en andere medische beslissingen voor het levenseinde. Den Haag., 41-45.

6 EHRM. (2002, 29 april). appl. no. 2346/02 (Pretty/Verenigd Koninkrijk), NJ 2005, 543 (m. nt. Alkema)

7 Ibid., par. 40.

8 Ibid., par. 78.

9 EHRM. (2011, 20 januari). appl. no. 31322/07 (Haas/Zwitserland), EHRC 2011, 53 (m. nt. Den Hartogh) par. 53.

10 Ibid., par. 51.

11 Ibid., par. 60.

12 EHRM (2002, 29 april). appl. no. 2346/02 (Pretty/Verenigd Koninkrijk), par. 76.

13 EHRM (2011, 20 januari). appl. no. 31322/07 (Haas/Zwitserland), par. 58.

14 Ibid., par. 55