Esmé

Esmé

Door Esmé Wiegman-van Meppelen

Prof. dr. Theo Boer heeft met zijn Groenlezing ‘vrij om te sterven’ een prikkelende bijdrage geleverd aan het debat over het levenseinde. De lezing vermeerdert onze kennis en brengt ons bezinning. Naast waardering voor de lezing bleef ik ook met een ongemakkelijk gevoel zitten. Plaatst deze lezing christenen niet op achterstand in het debat? 

De uiteenrafeling van het protestantisme in de invloed op de cultuur is knap weergegeven door Boer. Hij gaat in op de grote mainstream stromingen door te verwijzen naar officiële publicaties van hervormden en gereformeerden. Hij stelt dat andere stromingen ondervertegenwoordigd en buiten beeld waren van commissies die voorbereiden werk deden. De minderheid met bezwaren werd niet serieus genomen. Juist als hoogleraar verbonden aan een Professor Lindeboom leerstoel had Boer die stromingen mogen benoemen. Het seculariserende protestantisme was de aanleiding voor het ontstaan van organisaties van ‘radicale protestanten’ als de Evangelische Omroep, het opinieblad Koers, De Evangelische Hogeschool en de Nederlandse Patiënten Vereniging. Was hun verzet werkelijk in de marge en buiten beeld van de voorbereidende commissies? Ik durf het te betwijfelen. Alleen al de stille tocht in 2001 met duizenden deelnemers en de verdeeldheid binnen het CDA ten aanzien van de euthanasiewet zijn tekenend. Er was destijds scherpe oppositie tegen de euthanasiewet van 2001.


Radicaal of
mainstream?
Remco van Mulligen schrijft in zijn proefschrift over ‘radicale protestanten’. In een lezing zegt hij over de positie van die radicale protestanten ten opzichte van de maatschappij: “De samenleving was tot de jaren 80 zeer gepolariseerd. De sfeer sloeg vanaf de jaren tachtig echter om. Dit is de periode waarin in de hele maatschappij ideologie minder belangrijk werd. Onder orthodoxe protestanten die actief waren in de media, de politiek en elders gebeurde hetzelfde. Niet langer was het ‘wij tegen de rest van de samenleving. Dat schiep ruimte voor een inhoudelijke verschuiving, bijvoorbeeld over vrouwenemancipatie en over homoseksualiteit.”1

Dat proces voltrok zich ook in het denken over euthanasie. Nu de euthanasiegedachte steeds breder en algemener ingang vindt in onze samenleving, zie ik dat ook gebeuren onder de achtervan van de Evangelische Omroep, de Evangelische Hogeschool, de Nieuwe Koers, de NPV en het prof. dr. Lindenboominstiuut. Hebben ‘radicale protestanten’ van destijds in de laatste decennia geleidelijk hun scherpe oppositie van weleer ingeruild voor een streven naar aansluiting bij de mainstream? Daarbij is de vraag: staat de Groenlezing in deze trend? Helpt de Groenlezing het debat verder of draagt deze eraan bij dat het inhoudelijke debat uiteindelijk helemaal niet meer gevoerd wordt? Zijn onze opvattingen nog ‘radicaal christelijk’, of meer mainstream geseculariseerd?

De aansluiting bij het mainstream denken over euthanasie is alleen problematisch als we daarmee iets kwijtraken. Volgens mij blijven orthodox-christelijke uitgangspunten relevant voor het publieke debat. De christelijke hoop kan meer zijn dan een persoonlijke krachtbron om lijden te dragen. Ze kan ook fungeren als gemeenschappelijke krachtbron om elkaar te dragen in een samenleving die zich geen raad weet met lijden.


Van autonomie tot ‘doe het zelf’
Interessant is Boers herziening van het autonomiebegrip in de euthanasiediscussie. Het is inderdaad wel erg jaren tachtig om op basis van het argument van autonomie een arts te vragen euthanasie uit te voeren. Als we dan echt autonoom zijn, moet het zelfbeschikkingsrecht ‘tot op het bot’ doorleefd worden en daarbij hoort dat de laatste handeling door mensen zelf wordt uitgevoerd. Ik ben echter wel gelukkig met het advies van adviescommissie Voltooid Leven, omdat de commissie terecht de vraag opwerpt wat het betekent voor de samenleving als we mensen volkomen zelfbeschikkend maken bij euthanasie.

Bij de beoordeling van de vraag naar een verruiming van de juridische mogelijkheden van hulp bij zelfdoding, heeft de commissie een aantal fundamentele aspecten betrokken: een individualistische versus een relationele benadering van autonomie, het belang van veiligheid (voor hulpvragen, hulpverlener en de samenleving), het gegeven dat zelfdoding onomkeerbaar is, het belang van transparantie en de toetsbaarheid van de betrokkenen, zorgvuldigheid, proportionaliteit (de groep waar het om gaat is waarschijnlijk klein), de maatschappelijke rol van de arts, het functioneren van de Wet Toetsing Levensbeëindiging en de reikwijdte van de wet, de functie en zorgplicht van de overheid, het maatschappelijke draagvlak en de wenselijkheid van het voorkomen van gewelddadige zelfdodingen. De zorgplicht en de beschermende taak van de overheid hebben in die afweging een doorslaggevende stem gekregen.3 Terecht, want juist in het maatschappelijke klimaat waarin veel ouderen lijden aan gebrek aan zingeving en zinervaring is het letterlijk dodelijk om voeding te geven aan het idee dat bij voltooid leven een zelfgekozen levenseinde uitkomst biedt.

Boers idee om de patiënt een grotere verantwoordelijkheid te geven in het uitvoeren van de levensbeëindigende handeling kan ik volgen. In de praktijk (bijvoorbeeld in de Verenigde Staten) blijkt dat het zelf het drankje drinken in plaats van de arts een infuus te laten plaatsen, een drempel opwerpt. Bovendien ontlast het de artsen, die aangeven dat euthanasie emotioneel belastend is. Vanwege die drempel en de positie van de arts is het pleidooi begrijpelijk. Maar als christen die oproep doen, vind ik tegelijk ook problematisch. Betekent het niet dat we onze naaste aan zijn lot over laten en zeggen ‘doe het zelf’? Dat staat voor mij haaks op de christelijke hoop en op de waarde die we als christenen, maar ook met de internationale gemeenschap, toekennen aan het leven. De menselijke waardigheid komt niet voor niets tot uitdrukking in onze mensenrechten. Het mysterie van het leven, door rooms-katholieke broeders en zuster ‘de heiligheid’ van het leven genoemd, vraagt om eerbied, respect en uiterste terughoudendheid het lot in eigen hand te nemen. Waar Theo Boer de vraag opwerpt of hij het zou durven, sluit ik bij hem aan met de vragen ‘zou ik het ook mogen?’ en ‘moeten we dit als samenleving willen?’.


Brengers van hoop
Ik moet er niet aan denken dat er in onze samenleving een sfeer gaat ontstaan dat we mensen vooral de ruimte willen geven om autonoom te sterven. Of dat nu gebeurt uit wanhoop (suïcide) of als wens bij ziekte of een voltooid leven (euthanasie). Ik hoop dat er om mij heen altijd voldoende mensen zullen zijn om mij ervan te weerhouden dat te doen. Dat er mensen zijn die mij aan de kant van het leven proberen te houden, in plaats van mij te bevestigen in mijn doodswens. Dat er liefde, zorg en begeleiding zullen zijn om het lijden te dragen.

In de roman Winter in Gloster Huis (2015) weet Vonne van der Meer fantastisch neer te zetten wat de impact van een Voltooid-leven-wet op de samenleving kan zijn. Twee broers krijgen een grote erfenis, met de opdracht er iets goeds mee te doen. De oudste begint een hotel aan een meer, waar je waardig en omringd door aandacht kunt sterven. Het wordt een enorm succes. De jongere broer bouwt aan de overkant Gloster Huis, waar mensen die toch aan hun doodswens beginnen te twijfelen, welkom zijn. Maar wie laat zich daar naartoe lokken? Wie denkt nog dat er iets beters bestaat dan de maakbare dood? Weinig mensen komen over het water naar het Gloster Huis, terwijl de getallen aan de overkant bij het vaarwel-hotel duizelingwekkend zijn. De wachtlijst groeit en groeit. Dat patroon zien we terug in de samenleving: menselijke ervaringen die versteend zijn door teleurstelling, angst en eenzaamheid. Dit moet losgewrikt worden en aangrijpingspunt daarvoor is de aarzeling die mensen toch opeens kunnen hebben. Wie aarzelt, heeft de hoop op een andere levensmogelijkheid nog niet helemaal verloren.

In het euthanasiedebat en vooral ook in zorg en welzijn zijn brengers van hoop nodig. Het is in die zin onmogelijk om minder religieus te denken over euthanasie. De euthanasiediscussie kan prima zonder de verdovende levensbeschouwelijke argumenten die Boer bekritiseert. Maar helemaal niet-religieus denken over euthanasie is voor een christen niet mogelijk. Ook bij niet-christenen leeft het gevoel dat euthanasie een ethisch zwaarwegende keuze is. Dat gevoel is gebaseerd op religieuze restanten in de samenleving en het natuurlijke inzicht in goed en kwaad (Romeinen 2). De pro-euthanasie lobby maakt van deze gevoeligheid handig gebruik door religieuze termen als ‘barmhartigheid’ en ‘waardigheid’ te gebruiken. In een strikt seculier debat, rationeel, waardenvrij en procedureel van karakter, is het menselijk lichaam niets anders dan een chemisch proces dat eenmaal ophoudt te bestaan. Moeten we de autonome mens aan dat lot overlaten? En zou de drempel bij autonome mensen werkelijk hogere worden als hij het ‘ik’ vernietigt dat geen hiernamaals verwacht? Dat lijkt mij een onhoudbare en ontoetsbare stelling.

Het draait in dit debat om geloof, gebrek aan geloof, hoop en liefde. Rondom euthanasie worden, zoals Boer noemt, tal van geloofsuitspraken gedaan. Stervenden wordt een goed reis gewenst. Mensen verwachten van de dood dat hun lijden volkomen wordt opgeheven. Niemand weet echter op euthanasie op dat punt evidence based is. Er is nog nooit iemand teruggekeerd uit de dood om euthanasie als passende keuze kunnen evalueren.2


De dood is niet barmhartig
Jezus keerde terug uit de dood. Hij zei: Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven! Jezus heeft de dood vrijwillig gekozen; niet als vriend, om verlost te worden van een ellendig leven op aarde. Die dood was als vijand, om ons te verlossen van ons ellendige leven door ziekte, zonde en schuld. Het gaat zelfs nog veel verder: Hij verlost ons van een eeuwigheid gescheiden zijn van God, nu en na dit leven.

De dood is hoe dan ook niet barmhartig. De dood is de laatste vijand. De dood is niet door Jezus overwonnen om vervolgens ingezet te worden als daad van barmhartigheid. Jezus zelf leert ons wat barmhartigheid is, door te huilen bij een graf en door mensen in een geïsoleerd bestaan van ziekte en handicap op te zoeken. Hij gaf mensen nieuw leven, zin en betekenis. Laten we Hem daarin navolgen. Zo is christelijke hoop niet alleen persoonlijk tot troost voor mensen die geloven, maar ook een krachtbron om in onze samenleving het lijden samen te dragen.


Drs. Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink is directeur van de Nederlandse Patiëntenvereniging en oud-Kamerlid voor de ChristenUnie.


Noten
1 R. van Mulligen. (2010). Tegen de secularisatie het evangelie? Lezing. Op 12 maart 2010 uitgesproken tijdens het atelier De jaren zestig in begrippen van het Huizinga-instituut.

2 zie: W.G. van der Dorp. (2010, 26 november). Het onbewezen effect van euthanasie. Medisch Contact.

3 P. Schnabel, W.J. Schudel,. (…) M.J. Verkerk. (2016). Voltooid Leven. Over hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. Den Haag: Rijksoverheid., 16.