Vrij om te sterven? Verdoving, rationaliteit en verantwoordelijkheid

Vrij om te sterven? Verdoving, rationaliteit en verantwoordelijkheid

Door Maarten Verkerk 

De Groenlezing van prof. dr. Theo Boer brengt het debat over euthanasie verder maar roept ook vragen op. Hoe ziet minder religieus denken over euthanasie eruit? Is ‘relationele autonomie’ niet beter op zijn plaats dan ‘autonomie 2.0’?

Op 2 maart 2016 sprak prof. dr. Theo A. Boer de zestiende Mr. G. Groen van Prinstererlezing onder de titel Vrij om te sterven. Nederland, religie en het zelfgekozen levenseinde. Een ongemakkelijke titel over een ongemakkelijk onderwerp. De titel is ongemakkelijk omdat deze zo veel open laat: is het een pleidooi voor de vrijheid om op een zelfgekozen moment te sterven of is het juist een pleidooi tegen die vrijheid? Ook de verbinding met religie is ongemakkelijk omdat in het maatschappelijke en politieke debat juist die verbinding ter discussie staat. Ten slotte, het onderwerp ‘de dood’ is zelf al ongemakkelijk. Aan de ene kant proberen we dit onderwerp bespreekbaar te maken en aan de andere kant proberen we het uit ons leven weg te bannen.

Ik heb de uitgeschreven lezing met plezier gelezen. Boer stelt een lastig onderwerp op een gedurfde manier aan de orde. Met krachtige voorbeelden maakt hij duidelijk waar het om gaat. Zijn pleidooi om minder religieus over euthanasie te denken is op zijn minst opvallend. Ook zijn suggestie dat de patiënt zelf de mogelijkheden zou moeten verkennen om zijn leven eventueel te verkorten ligt niet voor de hand. Ten slotte vraagt zijn kritiek op adviescommissie Voltooid leven onder leiding van Prof. dr. Schnabel om nadere doordenking.

We moeten beseffen dat deze discussie niet vrijblijvend is: het gaat om de vraag hoe de christelijke politiek met dit ongemakkelijke onderwerp moet omgaan. Het debat over de euthanasiewet zal in de Nederlandse politiek voorlopig niet verstommen. En het debat over ‘voltooid leven’ komt er nog aan.

In mijn bijdrage zou ik vier vragen aan de orde willen stellen:

  1. Hoe komt het dat juist in het protestantse Nederland de euthanasiegedachte op zo’n liberale wijze voet aan de grond kreeg?
  2. Moeten we inderdaad minder religieus over euthanasie gaan denken?
  3. Wat betekent het woord ‘autonomie’ en welke verschuivingen vonden/vinden in die betekenis plaats?
  4. Bevordert de Adviescommissie Voltooid leven euthanasie en houdt ze vast aan het monopolie van de arts?


Protestant Nederland
Boer geeft zeven argumenten waarom de euthanasiegedachte in Nederland zo’n vruchtbare bodem vond. Hij concentreert zich op de bijdrage van het protestantisme. Onder andere noemt hij de nadruk op het ‘vrij-zijn van de wet’ en de ‘voorliefde voor de genade’, de christelijke nadruk op het individu, de aandacht voor het hiernamaals en het beoefenen van de barmhartigheid. Naar mijn indruk geven deze factoren een goed inzicht in de bijdrage van het protestantisme. Maar ze geven geen verklaring waarom de euthanasiegedachte pas in de zeventiger jaren van de vorige eeuw kwam bovendrijven en waarom er enkele decennia later zo’n sterke liberale wetgeving geboren kon worden. Naar mijn gevoel spelen veranderingen in de tijdgeest een hoofdrol. Ik wil hierbij wijzen op drie ontwikkelingen: de Verlichting, de secularisatie en het individualisme.

De Verlichting nam op rigoureuze wijze afscheid van de Bijbel als moreel kompas: de bron voor de ethiek zou niet meer liggen in een geopenbaarde bron buiten de mens maar in het denkvermogen binnen de mens. Daarnaast droeg de Verlichting bij aan een groot geloof in de menselijke beheersing; ook rondom leven en dood.1 In de jaren zestig van de vorige eeuw brak de secularisatie in Nederland door. De gevolgen werden zichtbaar in zowel het denken over ‘God en zijn gebod’ als in de afnemende kerkelijkheid. Zo steeg in de periode 1958 – 1980 het percentage buitenkerkelijken van 24 tot 50 procent.2 Ten slotte werd de individualisering, die al diep in de geest van de tijd verborgen lag, in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw manifest: de gunstige economische ontwikkelingen maakte verdergaande individualisering mogelijk. Mensen zagen zichzelf steeds meer als individu en minder als lid van een gemeenschap..3 Deze drie factoren hebben het protestantisme elk op een eigen wijze beïnvloed. De protestanten zijn ook door de Verlichting heengegaan, zijn beïnvloed door de secularisatie en het individualisme heeft doorgewerkt in de kerken. Mijns inziens zijn het juist deze onderstromen in de cultuur die begrijpelijk maken waarom de ‘tijd rijp was’ voor de euthanasiegedachte. Deze onderstromen maakten het mogelijk dat de door Boer genoemde factoren uit het protestantisme hun ‘werk’ konden doen. Het feit dat er een liberale versie van de euthanasiewet kwam, heeft mijns inziens te maken met de erfenis van de woelige zestiger jaren van de vorige eeuw waar D66 een duidelijke exponent van was.  


Het boek van de natuur
Boer stelt dat we minder religieus over euthanasie moeten gaan denken. Zijn belangrijkste argument is dat we ons moeten ontdoen van de ‘verdovende’ levensbeschouwelijke argumenten die de discussie frustreren. Hij doelt hierbij op de verdovende werking die uit kan gaan van de troost van het hiernamaals – ‘straks wordt alles beter’ – waardoor niet meer serieus over de problematiek wordt nagedacht. Voor alle duidelijkheid: die ‘verdovende’ argumenten vinden we niet alleen bij christenen maar ook bij seculiere burgers. Zoals de wens van een ‘goede reis’ voor mensen die geëuthanaseerd worden. Deze wens is een levensbeschouwelijke uitdrukking die mensen ‘verdooft’ en hen ervan weerhoudt om kritische vragen te stellen bij euthanasie.

In de voorbeelden die Boer geeft, gaat het niet om het gebruik van religieuze argumenten an sich maar om de ongewenste neveneffecten van die argumenten. Namelijk: ze verdoven de partijen die aan het debat meedoen en daarmee wordt de problematiek niet in zijn scherpte op tafel gelegd. Wat mij betreft mag deze lijn van denken in de toekomst verder uitgewerkt worden omdat debatten over de gezondheidszorg vol zitten van verdovende religieuze argumenten. 

Ik zou nog een stap verder willen gaan. Het gaat niet alleen om religieuze argumenten die een verdovende werking op het debat hebben, maar ook om alle religieuze argumenten in dit debat. Zowel christelijke als seculiere burgers moeten geen religieuze argumenten in het debat inbrengen die door de andere deelnemers aan het debat niet op waarde geschat kunnen worden.

Graag wil ik dit nader toelichten. Ik blijf daarbij dicht bij mijzelf. Mijn periode als lid van de Adviescommissie Voltooid leven kan gekarakteriseerd worden als ‘argumenteren zonder religie’. Dat wil zeggen, ik heb in het interne debat in de commissie nooit religieuze argumenten op tafel gelegd maar altijd argumenten die de leden zonder religieuze achtergrond als potentieel argument zagen waarmee ze het eens of oneens zouden kunnen zijn. Het gevolg was dat elk argument dat ik op tafel legde serieus besproken werd. Als ik het argument ‘leven is een gave van God’ op tafel had gelegd dan was de discussie snel beëindigd. Graag willen we als christenen door middel van religieuze argumenten God eer geven en zijn wetten – die goed voor iedereen zijn – naar voren halen. Toch geldt juist voor dit soort debatten: niet doen! Eigenlijk is de zin ‘leven is een gave van God’ geen argument maar een belijdenis. Je moet als christen weten wanneer je je geloof belijdt en wanneer niet.

Mijn reden om te ‘argumenteren zonder religie’ is niet alleen een politiek-praktische: over religieuze argumenten valt nauwelijks een debat te voeren. Een andere reden ligt in de belijdenis van de werkelijkheid als ‘boek van de natuur’ waar God de ‘auteur’ van is. In artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) belijden we dat we God ten eerste kunnen leren kennen uit de schepping en ten tweede uit zijn Woord. Er is veel discussie over de verhouding tussen beide openbaringsbronnen. Het is opvallend hoe zorgvuldig de NGB belijdt: “Ten eerste door (…) Ten tweede … nog duidelijker en volkomener…” Het lijkt er op dat Guido de Brès elke discussie wil afsnijden over welke bron het belangrijkst is. In zijn visie zijn beide bronnen nodig. In het gereformeerde denken heeft de tweede bron altijd de prioriteit gehad. Mijns inziens ten onrechte.

Het was voor mij een uitdaging om in de Adviescommissie Voltooid leven geen religieuze argumenten te gebruiken. In de praktijk heb ik dat best lastig gevonden. Tegelijk ervoer ik ook een ‘reinigende werking’ op mijn eigen denken. Mijn diepe overtuiging is dat het leven een gave van God is: hoe zie ik dat terug in de werkelijkheid en welke betekenis heeft dat? Mijn diepe overtuiging is dat God de mens relationeel geschapen heeft: wat betekent dat voor menselijke relaties rondom euthanasie? Debatteren zonder religie dwingt je om vanuit het ‘boek van de natuur’ te laten zien dat de weg van euthanasie niet vanzelfsprekend is en dat die weg vol klemmen en voetangels is. Deze manier van debatteren schept ook ruimte: je kunt de religieuze argumenten – al dan niet verdovend – van de andere (seculiere) deelnemers in het debat scherp aan de orde stellen.

Het bovenstaande wil niet zeggen dat religieuze argumenten nooit in een debat gebruikt mogen worden. Er zijn momenten dat debatten op zo’n fundamenteel niveau gevoerd worden dat je alleen nog maar je geloof kunt belijden. Dat kan een geweldig mooi moment in een debat zijn: dan kijk je door het verstand heen in elkaars hart. 


Verschuivingen in het begrip autonomie
Boer onderscheidt twee soorten autonomie. In zijn visie werd de autonomie van de jaren tachtig bepaald door de gedachte dat het individu autonoom kan kiezen en dat de overheid, de dokter en anderen die autonome keuze moet realiseren. Deze visie op autonomie bestempelt hij, zonder dat woord expliciet te gebruiken, autonomie 1.0. In zijn visie heeft deze visie op autonomie haar beste tijd gehad. Hij pleit voor een visie op autonomie niet alleen betekent dat het individu zelf kiest maar die ook betekent dat het individu zelf zijn of haar keuze realiseert zonder anderen daarmee te belasten. De tweede vorm van autonomie noemt Boer autonomie 2.0. Voor een goed begrip van de discussie wil deze begrippen verder uitwerken en laten zien waar de kritische vragen liggen.

In het christelijke denken staat het begrip autonomie altijd in relatie tot God. Daarvoor wordt weleens het woord ‘theonome autonomie’ gebruikt. De kern is dat de autonomie van de mens, om het nieuwtestamentisch te formuleren, ingebed is in het Koninkrijk van God. Met de opkomst van de Verlichting zien we een heel andere vorm van autonomie zijn intrede doen. Het gaat om een autonomie die ingebed is in de ratio van de mensheid: een verlichte autonomie. Deze vorm van autonomie komt het mooiste tot uitdrukking in de ethiek van Kant. Kant zegt dat je je zo moet gedragen dat je zou willen dat jouw gedrag tot algemene wet wordt. In de redenering van Kant zien we twee kernmomenten: de ethiek moet rationeel gefundeerd worden (en niet religieus!), en die rationele fundering leidt tot een wet die voor iedereen geldt. Met de opkomst van het postmoderne denken zien we een verdere verschuiving in het denken over autonomie. Ten eerste wordt de dominante positie van de ratio bekritiseerd. Ook wordt, misschien nog belangrijker, autonomie geïndividualiseerd: elk individu neemt autonoom zijn eigen beslissingen. In het denken van Kant zouden rationele overwegingen leiden tot wetten die voor iedereen gelden. Maar in het postmoderne denken is het ‘voor iedereen’ verdwenen: elk individu maakt zijn of haar eigen, autonome keuzen. Voor het gemak spreek ik hier van ‘postmoderne autonomie’. 

In zowel de theonome als de verlichte vorm van autonomie is er sprake van morele wetten die voor de gehele gemeenschap gelden. Vanuit dat perspectief gezien is het niet verwonderlijk dat in een samenleving met christelijke en verlichte wortels, zich de praktijk ontwikkelde dat als euthanasie wettelijk is toegestaan het ook logisch is dat die euthanasie gefaciliteerd wordt.

In de huidige discussie over euthanasie en in de discussie over ‘voltooid leven’, speelt de postmoderne invulling van autonomie de hoofdrol: ik als individu bepaal wat het doel van mijn leven is en wanneer mijn leven klaar is. Boer voegt daar voorzichtig aan toe: als je vindt dat je leven klaar is, maak er dan ook maar zelf een einde aan en doe geen beroep op anderen. Ik ben het met Boer eens dat mensen een grotere verantwoordelijkheid moeten dragen voor hun levenseinde. Ik begrijp ook dat Boer in dat kader pleit voor autonomie 2.0. Mijn bezwaar is dat in de ‘autonomie 2.0 benadering’ te veel postmoderne tonen doorklinken.

Allereerst, het begrip ‘autonomie’ is in het huidige debat al een ‘religieus’ begrip dat verdovend werkt. Op het moment dat in het debat het woord ‘autonomie’ valt, ontstaat er een sfeer waarin we alleen maar ‘ja’ mogen zeggen en kritische vragen over dat begrip het zwijgen wordt opgelegd. Verdovende religie.

Vervolgens de ‘postmoderne tonen’. Boer zal zeker geen pleidooi voeren voor een postmoderne autonomie. Maar zijn woordkeuze en zijn voorbeelden gaan in die richting. Ik zou liever kiezen voor een term waarin dat soort gedachten al vanaf het begin de pas wordt afgesneden. Postmoderne autonomie is een ‘verdovende’ illusie: elk mens is immers afhankelijk van andere mensen. Dat geldt niet alleen voor baby’s en kwetsbare ouderen maar ook voor mensen in de kracht van hun leven. Iedereen is afhankelijk van anderen. Iedereen heeft relaties met anderen. Iedereen wordt mede gevormd door anderen. Vanuit dat perspectief bestaan er geen autonome keuzen: alle keuzen worden beïnvloed door anderen en alle keuzen hebben effect op anderen. Persoonlijk zou ik in het politieke debat liever kiezen voor de term ‘relationele autonomie’ waarmee uitgedrukt wordt dat autonomie ingebed is in en mede vorm krijgt door relaties. Het is een geweldige uitdaging om de huidige euthanasiepraktijk te doordenken vanuit het begrip relationele autonomie. Hoe verhoudt mijn autonomie zich tot die van de ander? Als ik autonoom ben en de dokter ook autonoom is mag ik hem of haar dan vragen mijn leven te beëindigen? Denkend vanuit Hippocrates mag ik de dokter vragen alle zorg te geven die nodig: tot aan palliatieve sedatie toe. Maar mag ik hem of haar vragen een handeling uit te voeren die mijn autonomie beëindigt en die ook de relatie met anderen (waaronder de dokter) beëindigt?

 
Adviescommissie Voltooid leven
Het kan niet anders dan dat Boer in zijn lezing ook ingaat op het advies van de Adviescommissie. Hij vraagt zich af of we wel “helemaal gelukkig moeten zijn” met dat advies en formuleert twee kritiekpunten. Hij stelt dat de commissie “mede naar aanleiding van de hevige protesten” echter niet moe wordt er op te wijzen “dat mensen die hun leven voltooid achten, in het algemeen wel bij de arts terecht kunnen”. Ook stelt hij dat het rapport het monopolie van artsen bevestigt en daardoor bijdraagt “aan verdere druk op deze beroepsgroep”.

Ik weet niet of je ooit met dit soort rapporten ‘helemaal gelukkig’ kunt zijn. In elk geval: ik ben er gelukkig mee en sta achter het hele rapport. De commissie heeft zich intensief beziggehouden met de euthanasiewet. We kwamen tot het inzicht dat de euthanasiewet zogenaamde ‘open normen’ kent. Het gaat hierbij om de begrippen ‘ondraaglijk lijden’ en ‘uitzichtloos lijden’. De wet geeft niet aan in welke situaties aan deze normen wordt voldaan en wanneer niet. Het zijn open normen: de praktijk moet steeds door de rechter aan de wet getoetst worden. De commissie constateerde – let hier op het woordgebruik: constateerde – dat er burgers zijn met een opeenstapeling van ouderdomsklachten die euthanasie krijgen omdat zowel de arts als de SCEN-arts ervan overtuigd is dat er sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. De commissie constateert dat een aantal van deze burgers ook aangeeft dat hun leven voltooid is. Het probleem ligt niet in deze constatering. Als er al een probleem is – wat op dit moment niet duidelijk is – dan zou dat kunnen liggen in het feit dat het Openbaar Ministerie de toepassing van de open normen met betrekking tot een stapeling van ouderdomsklachten niet door de rechter aan de wet heeft laten toetsen. Ik kan de kritiek van Boer, dat de commissie benadrukt dat je met voltooid leven bij de arts terecht kunt, wel plaatsen. Maar die kritiek gaat mijns inziens aan het echte probleem voorbij: de interpretatie van open normen moet steeds weer door de rechter aan de wet getoetst worden.

Ik ben het oneens met de kritiek van Boer dat het rapport het monopolie van artsen bevestigt en de druk op de beroepsgroep doet toenemen. Wie het hele rapport doorleest ziet dat er meerdere voorstellen gedaan worden om de druk op artsen te verminderen. Als eerste om bij complexe situaties naast de SCEN-arts een tweede deskundige in te schakelen. Als tweede, en dat past helemaal in het denken van Boer, om de praktijk te verleggen van ‘levensbeëindiging op verzoek’ (waarbij de arts de dodende handeling uitvoert) naar ‘hulp bij zelfdoding’ (waarbij de patiënt zelf de dodende handeling uitvoert). Daarnaast constateerde de commissie dat de wet zelfdoding niet verbiedt. Ook worden verschillende manieren van zelfdoding besproken. Toch voerde de commissie terecht geen pleidooi voor eigen regie op dit punt. De reden daarvoor ligt in het mogelijke misbruik. Vandaar dat de commissie pleitte voor handhaving van de huidige euthanasiewet en niet voor verruiming van de mogelijkheden tot zelfdoding.


Conclusie
De lezing van Boer over de vrijheid van sterven is van grote betekenis voor het debat over euthanasie en over het komende debat over ‘voltooid leven’. In mijn bijdrage heb ik enkele elementen van zijn lezing gearticuleerd, genuanceerd en van een aanvullende onderbouwing voorzien. Ik kom tot de volgende conclusies: De euthanasiegedachte kreeg in het protestantse Nederland op liberale wijze voet aan de grond door een combinatie van de tijdsgeest en typische protestantse factoren. 
Debatten over euthanasie en voltooid leven zouden een minder religieus karakter moeten krijgen. Dit geldt zowel voor de bijdrage van christenen als voor de bijdrage van niet-christenen.
Het woord ‘autonomie 2.0’ is minder geschikt om het huidige debat over euthanasie te voeren omdat te veel postmoderne tonen meeklinken. Het woord ‘relationele autonomie’ is geschikter.
De kritiek van Boer op Adviescommissie Voltooid leven is onterecht. De commissie bevordert euthanasie bij voltooid leven niet en houdt terecht vast aan het monopolie van de arts bij euthanasie.

 
Prof. Dr. Maarten Verkerk maakte deel uit van de Adviescommissie die in opdracht van ministers van Volksgezondheid, Welzijn & Sport en van Veiligheid & Justitie in februari 2016 het rapport Voltooid leven publiceerde. Hij is bijzonder hoogleraar Christelijke Wijsbegeerte aan de Technische Universiteit Eindhoven en Universiteit Maastricht en lid van het bestuur van VitaValley, een innovatienetwerk in de zorg. 

 

Noten

1 Zie o.a. L. Ferry. (2007). Met andere ogen kijken naar je leven. Amsterdam: Arbeiderspers.

2 SCP. (2006). Godsdienstige veranderingen in Nederland. De Haag.

3 Zie o.a. N. Elias. (1995, derde druk). Het civilisatieproces. Utrecht: Het Spectrum.