Marktwerking in de landbouw

Namens de Thematische Partijcommissie Duurzaamheid, subgroep Landbouw, Voeding en Natuur
Door Harm de Vries, Mark Zandvoort en Jeroen Mandemakers

Het Europese landbouwbeleid kenmerkte zich in het verleden door marktregulering gericht op voedselzekerheid. Vanuit neoliberale hoek klinkt de roep om een vrije landbouwmarkt, organisaties als de Wereldhandelsorganisatie en handelsverdragen als TTIP zijn concrete voorbeelden van die ontwikkeling. Wij betogen dat in plaats van liberalisering juist marktregulering nodig is. Niet de marktregulering van de afgelopen decennia, maar een marktregulering die hoge eisen stelt aan productie en leidt tot duurzame landbouw.

Een schets van de sector
Het belang van de landbouw voor de Nederlandse economie is groot. De landbouwsector draagt aanzienlijk bij aan de handelsbalans (57 procent in 2015), realiseert een groot deel van de Nederlandse export en Nederland is de tweede exporteur van landbouwgerelateerde producten in de wereld. De landbouw produceert efficiënt voldoende voedsel voor Nederland en daarbuiten. Daarbij hoort de sector bij de wereldwijde top in duurzame productie en diervriendelijkheid. Het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) van de Europese Unie creëert het gelijke speelveld waaraan de productie wat betreft duurzaamheid en diervriendelijkheid moet voldoen.

Dit landbouwbeleid is in 1962 gestart om op Europese schaal (toen nog de EEG) stabiele markten, voedselzekerheid, goede inkomens op het platteland en redelijke prijzen te waarborgen met instrumenten zoals:
• Eenheid van de markt met vrij verkeer van landbouwproducten binnen de EEG;
• Bescherming van Europese producten;
• Financiële solidariteit binnen de EEG.
De doelstelling van voedselzekerheid is behaald. De reservering voor magere jaren heeft zelfs geresulteerd in voedseloverschotten. Diverse hervormingen van het beleid hebben ertoe geleid dat vraag en aanbod beter op elkaar afgestemd zijn dan in de beginperiode van Europese gemeenschapsvorming. Dergelijke marktregulering van de agrarische sector is tegenwoordig niet vanzelfsprekend meer. Handelsverdragen (als TTIP) en organisaties (als de Wereldhandelsorganisatie willen meer internationale marktvorming en minder nationale regulering. Marktregulering zou volgens voorstanders van een geliberaliseerde landbouwsector de kansen van de landbouw beperken. Argumenten als exportkansen, voedselvoorziening in de toekomst, efficiënte productie en een goede concurrentiepositie zouden ons moeten overtuigen van een open agrarische markt.

In dit artikel beschrijven wij onze positie in het debat over marktregulering of liberalisering van de agrarische sector aan de hand van een discussie over drie stellingen, namelijk:
1. een ‘vrije markt’ is onrealistisch;
2. een vrije markt is een gevaar voor de voedselkwaliteit;
3. marktregulering gericht op voedselzekerheid leidt tot overproductie.
Op basis van deze discussie pleiten wij voor een nieuwe vorm van marktregulering door de overheid, die de landbouw in de richting van duurzame voedselproductie duwt. Een duurzame voedselproductie die voldoet aan de maatschappelijke wensen rondom minder gebruik van schadelijk pesticiden, weidegang, dierwelzijn, de reductie van broeikasgassen, landelijke leefomgeving en gezond eten.

De vrije markt is onrealistisch
Een vrije markt wordt binnen het neoliberale denken bepleit met de argumentatie dat de productie daar plaats kan vinden waar die het meest efficiënt is. Dit zou hypothetisch kunnen betekenen dat landen afhankelijk worden van productie in andere delen van de wereld en dat Nederland bijvoorbeeld al zijn voedsel uit Brazilië en de VS moet importeren omdat dit goedkoper is. Een afhankelijkheidsrelatie op bepaalde producten, bijvoorbeeld cacao of bananen, is logisch omdat het Nederlandse klimaat daarvoor niet geschikt is. Voor het overgrote deel van de voedselproductie is die afhankelijkheid onwenselijk omdat bij schaarste de prijs door andere landen of marktpartijen opgedreven kan worden en de voedselvoorziening in gevaar kan komen. Juist om dergelijke redenen is in landen waar vanwege het klimaat en landschappelijke omstandigheden weinig voedsel wordt geproduceerd, zoals in Japan en Noorwegen, de ondersteuning van de sector het grootst. Ook in de EU en in de VS is de ondersteuning van de sector groot om te voorkomen dat men voor voedselzekerheid afhankelijk wordt van andere landen (wat voor bepaalde producten niet anders kan).

De politiek en ook de Nederlandse maatschappij zullen nooit toestaan dat voedselzekerheid niet meer grotendeels in eigen (of Europese) hand is. Het idee van een vrije markt is onrealistisch, omdat voedsel een de van meest basale voorzieningen van een land is. Er zal te allen tijde voedselzekerheid geboden moeten worden aan de burger. Om voedselzekerheid te waarborgen kan de overheid (op nationaal en Europees niveau) niet buiten marktregulering van de agrarische sector. Het debat zou dus moeten gaan over de mate van regulering en ondersteuning zonder onrealistische argumenten over een volledig vrije of open markt.

Voedselkwaliteit en voedselsoevereiniteit
Ook voedselkwaliteit is gekoppeld aan regulering van de markt. De Nederlandse sector kan niet volgens duurzame normen produceren en concurreren zonder duidelijke productie-eisen binnen de EU. Het openbreken van zowel nationale als Europese regulering, met als doel om de landbouw op de wereldmarkt te laten concurreren, zal leiden tot een race to the bottom. Hierbij gaan productie en winst ten koste van het milieu en voedselkwaliteit.

Geïmporteerde producten die niet voldoen aan onze duurzaamheidnormen zijn bijna per definitie goedkoper. Op een vrije markt gaat kostenefficiënte productie voor hoogwaardige productie. We zijn bij een vrije markt dus niet soeverein in hoe we ons voedsel produceren en aan de consument aanbieden, omdat de marktprincipes leidend zijn.

Daarnaast houdt de vrije markt geen rekening met verborgen kosten, externalities,
die aan de huidige manier van produceren zijn verbonden, maar niet in de prijs worden doorgerekend. Voorbeelden hiervan zijn milieukosten, gerelateerd aan residuen van bemesting en bestrijdingsmiddelen in het grond- en oppervlaktewater, en de gevolgen voor de volksgezondheid door antibioticagebruik in veevoer. In een niet-gereguleerde markt is doorberekening van dergelijke kosten onmogelijk. Concurrentie op kwantiteit leidt onvermijdelijk tot ecologische schade en maatschappelijke kosten. Er is dus regulering nodig om dergelijke kosten aan de productiewijze te koppelen.

Voedselzekerheid en de gevolgen voor de boer en het platteland, hier en ver weg
Het Europese landbouwbeleid was de afgelopen decennia sterk gericht op voedselzekerheid en een goedkoop voedselaanbod. Deze vorm van marktregulering gaf aanzet tot overproductie met lage prijzen tot gevolg. Veel agrarische producten zijn bederfelijk en moeten dus tegen elke prijs naar de consument om hun waarde voor boer en tussenpersonen te verzilveren. Lage prijzen kunnen door een individuele boer alleen maar opgevangen worden door in de kosten te snijden (zo goedkoop mogelijk te produceren), door met een laag inkomen genoegen te nemen, of door meer te produceren. Hierdoor komt de landbouw in een negatieve spiraal: er moet steeds meer geproduceerd worden om nog rendabel te kunnen boeren. Deze spiraal leidt tot sterke afname van het aantal boerenbedrijven en werkgelegenheid in deze sector (people), grote milieudruk en intensivering ten koste van dierwelzijn (planet) en lage opbrengsten voor de boer (profit). Kortom, tot onduurzame landbouw.

De afschaffing van het melkquotum in 2015 is een voorbeeld van een dergelijke negatieve spiraal. Zonder regulering is er geen beperking meer op de melkproductie. De melkproductie stijgt, maar overproductie leidt tot lage prijzen, waardoor de melkveehouderij gedwongen wordt om meer te produceren zodat overproductie en prijsdaling alleen maar toenemen. De prijs van melk bewijst dit. Bracht een liter melk in 2014 nog meer dan 40 cent op, nu is die prijs gezakt naar minder dan 30 cent per liter.

Wij pleiten voor een regulering van de landbouwsector die niet leidt tot overproductie en lage prijzen, maar die leidt tot verduurzaming: diervriendelijke en maatschappelijk geaccepteerde productiewijzen, minder druk op het milieu en hogere prijzen. Wij zien een regulering voor ons waarin op Europees niveau hoge productie-eisen worden gesteld op het gebied van duurzaamheid. Deze eisen moeten aanzetten tot minder gebruik van kunstmest, pesticiden en antibiotica, minder uitstoot van broeikasgassen en meer aandacht voor dierenwelzijn.

Bij deze voorgestelde productie-eisen zal de voedselproductie in Nederland en in de hele EU voor minder overschotten zorgen, met hogere prijzen tot gevolg. Krapte op de markt zorgt ook voor een sterkere concurrentiepositie van boeren in de hele keten, en dus ook ten opzichte van verwerkers en supermarkten.
Het ideaalbeeld is dat de prijzen zo ver stijgen dat er geen ondersteuning voor boeren meer nodig is en de prijs voor hun producten en diensten voldoende is om een goed inkomen te verwerven. Dit zorgt tevens voor een stabiele duurzame voedselproductie op de langere termijn, waarbij we verwachten dat in dit geval de prijsverhouding tussen normale en biologische producten kleiner zal worden.

De prijs van Europese landbouwproducten heeft ook invloed op de landbouwsector in ontwikkelingslanden. Bij lage prijzen op de wereldmarkt kunnen boeren in ontwikkelingslanden niet concurreren, en zijn perspectieven voor bedrijfsontwikkeling minimaal, of in het geheel niet aanwezig. Landbouw is in die landen regelmatig niet duurzaam noch economisch houdbaar, vooral op de kleinere bedrijven, wat één van de oorzaken van honger op het platteland is. Het gevolg van lage voedselprijzen door een voedseloverschot in Europa is dus dat ontwikkelingslanden minder zelfvoorzienend worden. Regeringen in landen buiten Europa zijn niet snel geneigd om iets aan die import te doen, omdat zij baat hebben bij een goedkoop voedselpakket voor hun kiezers. Als ze dat wel zouden willen doen, dan zijn ze bijna altijd gebonden aan handelsverdragen waarin een vrije toegankelijkheid tot hun markt is opgenomen. Lokale kleine en middelgrote boeren kunnen niet concurreren met de producten die voor lage prijzen binnen komen. Wanneer de voedselprijzen in Europa stijgen, en daarmee ook de prijzen op de wereldmarkt, ontstaan er gunstige omstandigheden voor bedrijfsontwikkeling in en verduurzaming van de landbouw in ontwikkelingslanden.

Conclusie
We zijn kritisch over marktwerking in landbouwsector. Van een volledig open markt zal nooit sprake zijn, hiervoor is voedsel simpelweg te belangrijk. Als de voedselproductie volledig gestuurd wordt door de markt, verliest een land op dat gebied haar soevereiniteit. Bij een volledig open markt is er geen mogelijkheid om eisen te stellen op het gebied van duurzaamheid. Wij pleiten daarom voor een marktregulering gericht op voedselzekerheid door voedselsoevereiniteit.

Productie-eisen op het gebied van duurzaamheid doorbreken de spiraal van steeds meer produceren tegen steeds lagere prijzen. Dit zal soms krapte in het voedselaanbod in de hand werken, wat tot hogere inkoopprijzen voor supermarkten en mogelijk een hogere voedselprijs leidt. Een hogere inkoopprijs voor tussenhandelaren en supermarkten geeft financiële ruimte aan de boer om gehoor te geven aan de gestelde productie-eisen, en daarmee aan de maatschappelijke wensen voor een verduurzaming van de landbouw. Dat een duurder voedselpakket daarbij een ander minimabeleid vraagt is evident. Daarmee komen voedselschaarste en honger weer uit op wat ze bijna altijd zijn (geweest): een sociaal –economisch probleem gebaseerd op de verdeling van voedsel. Een hogere voedselprijs zal, via dezelfde eisen voor te importeren producten, ook doorwerken in de ontwikkelingslanden, waar meer perspectief geboden kan worden aan een duurzame bedrijfsontwikkeling.

Het is aan politici om deze stip op de horizon te zetten: een landbouwbeleid gestoeld op soevereiniteit in onze voedselproductie en met nadruk op voedselkwaliteit en duurzame productiewijzen gericht op dierwelzijn, natuurwaarden en blijvende bodemvruchtbaarheid. De keus hiervoor, in plaats van alleen maar inzetten op kwantitatieve verbetering en een goedkoop voedselaanbod, bepaalt ook de invulling van budgettering en beleidsinstrumenten zoals quota, subsidies en regulering van de markt. Een voorbeeld is het succesvolle beleid om de legbatterij te verbieden door het sinds 2012 Europees-breed geldende beleid wat betreft minimale dierwelzijnseisen voor legkippen. De positie van Nederland als sterk agrarisch land komt met deze voorstellen niet in gevaar, omdat het grootste deel van de Nederlandse agrarische export binnen Europa plaatsvindt, waar dezelfde duurzame normen gelden.

Samenvatting
- De regulering van de landbouwsector richtte zich op voedselzekerheid
- Een vrije markt voor de agrarische sector is onrealistisch en onduurzaam
- Marktregulering kan ingezet worden om duurzaamheid te stimuleren


Personalia
De Thematische Partij Commissie Duurzaamheid heeft als kerntaak om de ChristenUnie gevraagd en ongevraagd advies te geven op het gebied van duurzaamheid.

Auteurs
Harm de Vries, MSc. heeft een achtergrond in tropische veeteelt, is zzp-er in bodemadvies en verduurzaming van de landbouw en gemeenteraadslid voor de ChristenUnie in Vlagtwedde.
Mark Zandvoort, MSc. is planoloog, doet promotieonderzoek bij de vakgroep landschapsarchitectuur van de Wageningen UR en is lid van de denktank van PerspectieF.
Jeroen Mandemakers, MSc. is milieuwetenschapper en als aquatisch ecoloog werkzaam bij Wittenveen + Bos.
markt.