Naar een bijstand die mensen bijstaat

Door Jochem Westert

Het debat over de bijstand is er een van de uitersten. Sommigen pleiten voor een onvoorwaardelijke bijstand, of basisinkomen zelfs. Maar de afgelopen jaren ontwikkelde het beleid zich stapje voor stapje in de tegengestelde richting: die van streng, strenger, strengst. In beide gevallen worden mensen teveel aan hun lot overgelaten. Het is tijd voor een bijstand die mensen echt bijstaat. Ook lokaal kunnen daarvoor betekenisvolle stappen worden gezet.

Mensen beschermen en insluiten
Wat beogen we eigenlijk met de bijstand? Allereerst biedt de bijstand mensen bescherming door hen te voorzien in een minimum dat nodig is voor een menswaardig bestaan. Tegelijk is armoede een relationeel probleem. De bijstand is er dan ook op gericht om mensen in te sluiten in de samenleving.
Dat gaat nu lang niet altijd goed. Het beleid, gericht op plichten en straffen, leidt geregeld tot schrijnende situaties. Neem de oma die een forse sanctie krijgt opgelegd wegens fraude omdat ze geen administratie heeft doorgegeven van haar oppasuurtjes met de kleinkinderen: ‘op geld waardeerbare arbeid’. Of de man die een klacht indiende nadat hij met een bakfiets grofvuil moest ophalen. Zijn kinderen werden op school gepest omdat hun klasgenootjes dachten dat hij een taakstraf had. Dit soort verhalen zijn helaas met enige regelmaat aan de orde en illustreren de dunne lijn die bestaat tussen insluiting en uitsluiting.
In de strijd tegen armoede en uitsluiting moeten we kiezen voor een andere benadering. De bijstand is gebaat bij een evenwicht tussen rechten en plichten, tussen beschermen en stimuleren.

1. Versterk de rechten van bijstandsontvangers
Sinds 2015 zijn gemeenten verplicht om een ‘tegenprestatie’ op te leggen. Over de rechtswaarborgen wordt in de wet echter met geen woord gerept. En dat is riskant: het loont voor gemeenten om dergelijke werktrajecten zo in te zetten dat mensen besluiten om af te zien van een uitkering. Sommigen redden het daarna op eigen kracht, maar anderen komen keihard naast het vangnet terecht. Laten we daarom borgen dat werktrajecten aantoonbaar moeten bijdragen aan het voorkomen van uitsluiting en de bevordering van de deelname in de samenleving.
Een lichtend voorbeeld is de gemeente Zwolle, waar wordt gewerkt met een ‘persoonlijk actieplan’. De uitkeringsgerechtigde maakt samen met de gemeente een eigen trajectplan, gericht op het opheffen van diens kwetsbare positie. In de lokale verordening – die subtiel spreekt van een ‘maatschappelijke inspanning’ in plaats van een ‘tegenprestatie’ – is vastgesteld dat de geleverde inspanning stimulerend en activerend moeten zijn voor de bijstandsgerechtigde. Bij het opleggen van de werkzaamheden hecht de gemeente veel gewicht aan de wensen en ideeën van de persoon zelf.

2. Benader bijstandsontvangers positief
Laten we in de tweede plaats eens inzetten op positieve prikkels. Wonderlijk genoeg wordt er in het bijstandsbeleid haast uitsluitend ingezet op ingrijpen als het misgaat. Bovendien hebben sociale diensten als gevolg van bezuinigingen hun blik de afgelopen jaren versmald tot de meest kansrijke cliënten. Sociale diensten zien mensen die langer dan zes maanden in de bijstand zitten soms jarenlang niet.
Uit recent onderzoek door bestuurskundigen aan de Erasmus Universiteit blijkt dat frequent, intensief en persoonlijk contact bijstandsontvangers stapsgewijs in beweging krijgt en dat daardoor een aantal uitkeringen zelfs kan worden beëindigd. En niet minder belangrijk: bijstandsontvangers ervaren dat ‘de menselijke maat’ terug is. Laten we ophouden met de (fictieve) papieren controle over mensen en zoeken naar controle met mensen.

3. Zet in op een inclusieve arbeidsmarkt
Ten slotte is het zaak dat gemeenten nadrukkelijker inzetten op een inclusieve arbeidsmarkt. De overheid zocht de afgelopen jaren de sleutel voor succes vooral in gedragsverandering van de individuele werkzoekende. Wanneer we daarbij niet kijken naar de opnamecapaciteit van de arbeidsmarkt, begeven we ons op een dood spoor. Temeer nu de Participatiewet (2015) de poorten naar de bijstand ook openzet voor doelgroepen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap. Deze mensen zijn niet zomaar inpasbaar in het arbeidsproces.
Gemeenten moeten daarom zoveel mogelijk experimenteren met vormen van social return, sociale coöperaties en sociaal ondernemerschap.
Sociale ondernemingen dragen bij aan de oplossing van een bepaald maatschappelijk vraagstuk, zoals de werkgelegenheid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Neem bijvoorbeeld bierbrouwerij De Prael in Amsterdam. Naast het brouwen van bier beschouwt dit bedrijf het als haar bijzondere missie om mensen met een psychiatrische achtergrond op te nemen in het werkproces.
Het stimuleren van sociale ondernemingen kan door hobbels uit wet- en regelgeving uit de weg te ruimen. Bovendien kunnen gemeenten meer aandacht besteden aan sociaal ondernemerschap bij aanbestedingen en inkopen, door niet alleen te kijken naar het korte termijn financiële plaatje, maar ook naar de lange termijn gevolgen van keuzes voor de samenleving.

Met deze aanbevelingen zijn de vele vragen rondom armoede en sociale uitsluiting niet afdoende beantwoord. Wel kan hiermee een bijdrage worden geleverd aan een bijstand die mensen daadwerkelijk bijstaat. Om met de fameuze woorden van Marga Klompé, de minister die de eerste bijstandswet invoerde, te spreken: de bijstand moet mensen helpen om ‘met opgeheven hoofd’ door de samenleving te gaan.


Auteur
Jochem Westert LL.M schreef als projectonderzoeker voor het Wetenschappelijk Instituut de publicatie Met opgeheven hoofd. Naar een bijstand die bijstaat. Hij studeerde Nederlands Recht aan de Rijksuniversiteit Groningen en werkt momenteel voor Bureau Straatjurist, een initiatief van de Protestantse Diaconie Amsterdam.

samenleving