Cultuur van aankomst?

Door Harmjan Vedder


Afgelopen jaar ving Nederland zestigduizend vluchtelingen op. Maar hun land van aankomst worstelt met zichzelf. Kunnen nieuwkomers wel integreren in een land dat cultureel juist desintegreert?

“Fijn, jullie zijn gewoon Nederlands.” Met die verzuchting verwelkomde onze nieuwe buurvrouw ons in Den Haag. De stad geeft regelmatig blijk van grote tegenstellingen tussen autochtonen en allochtonen. Hoe verdeeld onze samenleving is, werd ons pas goed duidelijk in de Schilderswijk: nauwelijks autochtonen, weinig hoger opgeleiden, Nederlands kampioen bijstandsuitkeringen, het afval moet er drie keer vaker worden opgehaald en de subsidie voor maatschappelijke initiatieven vloeit er rijkelijk. In de zomer van 2014 werd de wijk door pro-IS-betogingen en rellen bovendien het nationale decor van de worsteling van Nederland met specifieke, gesegregeerde groepen moslims, die vatbaar lijken voor antidemocratische en jihadistische sentimenten en zich grotendeels aan onze samenleving onttrekken.

Culturele segregatie
De Schilderswijk is geen uitzondering. En de segregatie langs culturele lijnen is breder dan de radicale islam. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de studie Werelden van Verschil (2013) van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) over de sociaal-culturele afstand en positie van migrantengroepen in Nederland. Meer dan twee derde van de Turken en Marokkanen is sociaal-cultureel gesegregeerd, gematigd gesegregeerd of etnisch geïsoleerd. De onderzoekers concluderen dat jongere generaties uit deze groepen op zijn minst een complexe, soms afstandelijke verhouding hebben tot de Nederlandse samenleving. De studie onderstreept wat je in de volkswijken van onze grote steden zelf kunt waarnemen: het multiculturele drama dat Paul Scheffer in 2000 in zijn bekende essay beschreef, is nog niet voorbij.

De sociaaleconomische emancipatiemythe
Hoe kan dat? Immers, door de Fortuyn-revolte in 2002 zijn integratie en migratie bovenaan de politieke agenda terecht gekomen. Sindsdien wordt een veel strikter immigratiebeleid gevoerd. De eisen aan migranten zijn aangescherpt, van het inburgeringsexamen tot de taaleis in de bijstand. Heeft dat dan niet geholpen? Ja en nee. Uit het jaarbericht (2014) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over integratie blijkt dat kinderen van migranten (de tweede generatie) het sociaaleconomisch beter doen dan hun ouders. Er is nog altijd een zorgelijke achterstand bij veel migranten, maar er zijn in ieder geval tekenen van hoop. Ik vind echter dat in de integratie de nadruk te eenzijdig op die sociaaleconomische emancipatie is gelegd. Het belang van culturele integratie is onvoldoende onderkend.Zeker, een baan is belangrijk. Daardoor kunnen op de werkvloer culturen bij elkaar komen en dat kan een begin zijn van wederzijds begrip. Maar een baan is niet het antwoord op de vraag hoe Nederlanders en nieuwkomers meer op elkaar betrokken kunnen raken in de samenleving. Een eenzijdig sociaaleconomische benadering verraadt een naïef individualisme. Integratie is geen individueel vraagstuk, maar een collectieve opgave. Niet alleen de individuele ontplooiing van migranten, maar ook de manier waarop wij samenleven staat op het spel.

Stroopwafel-cultuur
De afgelopen jaren is geprobeerd via het integratiebeleid elementen van onze cultuur aan nieuwkomers over te brengen. Met weinig succes. In inburgeringsexamens werd onze cultuur platgeslagen tot lesjes vaderlandse geschiedenis en praktische tips over sociale gewoonten. Het heeft iets weg van een souvenirwinkel: iedere Nederlander grinnikt als hij toeristen met blikken stroopwafels en houten klompen in de handen ziet. De culturele overdracht aan migranten heeft tot nu toe weinig te maken met de essentie van onze cultuur: het geheel van onze geestelijke verworvenheden. Dat we er niet in slagen migranten de kern van onze cultuur over te brengen komt ook omdat autochtonen zelf steeds minder een beeld hebben van wat onze geestelijke verworvenheden eigenlijk zijn. ’Het is niet gemakkelijk om een plek te vinden in een samenleving die met zichzelf overhoop ligt’, constateerde Paul Scheffer in zijn Land van aankomst (2007, p404) al. Ook onder autochtonen brokkelt de samenhang af en neemt de verdeeldheid tussen groepen toe, volgens de WRR in haar studie Gescheiden werelden? uit 2014. Er lijkt steeds meer mist op te trekken rond de inhoud van onze cultuur. En dus wordt steeds onduidelijker waarvan we nieuwkomers precies vragen onderdeel te worden.

Straatverlichting
Tien jaar geleden werd ik gevraagd een column te schrijven over de betekenis van 9/11 voor mijn generatie. Ik kwam daar toen niet goed uit, maar na een paar jaar in de volkswijken van Den Haag weet ik wat ik had moeten schrijven. Terroristische aanslagen, gericht tegen onze manier van leven, confronteren ons met een wezenlijke vraag, die lange tijd niet gesteld hoefde te worden: wie zijn we als gemeenschap en waar geloven we in? Zijn we nog bereid te vechten voor het project van onze vrije democratische samenleving? Slechts een kwart zou letterlijk die bereidheid hebben, meldde recent een onderzoek. En we zijn het er wel over eens dat waarden als ‘democratie’, ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ belangrijke verworvenheden zijn, maar over de inhoud daarvan verschillen we sterk van mening.[1] Door individualistisch denken zijn we vertwijfeld geraakt over onze manier van samenleven en hebben we cultuurrelativisme als deugd omarmd. Samenleven heeft een utilistisch karakter gekregen. Het is versmald tot een wederzijds voordelige afspraak die er voor zorgt dat de straatverlichting ’s avonds brandt. Is het gek dat je daar aan het einde van de dag niet voor wil vechten?

Gedeelde liefde
We hebben onze cultuur niet te heroveren op vluchtelingen, maar op onszelf. Augustinus zegt dat we als volk en natie niet kunnen zonder een gedeelde liefde.[2] Een samenleving is een moreel bepaalde gemeenschap.[3] Een verbond dat erkent dat er bronnen zijn van recht en moraal die het zelf niet voortbrengt[4], maar die het wel nodig heeft. We leven wat dat betreft in culturele blessuretijd, omdat we nog kunnen teren op de morele erfenis van religie.[5] Maar wat te doen nu het steeds moeilijker zal worden die gedeelde liefde, de morele bronnen van onze samenleving, aan te wijzen? Voor samenleven is dat immers essentieel. Bijvoorbeeld om tolerantie te kunnen opbrengen voor verschillen. Andreas Kinneging wijst ons erop dat christelijke deugden als toegeeflijkheid, zachtmoedigheid, clementie, goedertierenheid, lankmoedigheid en geduld noodzakelijke elementen zijn van een dergelijke tolerantie (als we daarmee tenminste meer bedoelen dan onverschilligheid).[6] Om met nieuwkomers samen te wonen moet je ook de pijn van verschil kunnen verdragen. Het christendom draagt in haar boezem de waarden die dat mogelijk maken. Zonder die waarden zal ons land de komst van meer groepen nieuwkomers niet kunnen verwerken en verder segregeren. Dat is onverantwoord. Om C.S. Lewis aan te halen: wij castreren, en verlangen van de castraten vruchtbaarheid.[7]

Leitkultur
Om noodzakelijke waarden zeker te stellen wordt regelmatig de Joods-Christelijke traditie als Leitkultur bepleit. Ik denk inderdaad dat het christendom belangrijke waarden in zich draagt die prikkelen tot samenleven en onderlinge betrokkenheid. Die waarden kunnen een gezamenlijke liefde vormen, die ons samenleven hernieuwde energie kan geven. We moeten er wel voor waken dat cultuur een politiek project wordt. Onze cultuur is niet het eigendom van de overheid, maar in de eerste plaats van de samenleving. Daar wordt die cultuur gevormd en uitgedragen. Een politiek pleidooi voor een christelijke Leitkultur kan daarom snel holle retoriek worden, of zelfs een dekmantel voor politieke projecten die met het christendom niets te maken hebben.

Politiek van goed en kwaad
De politiek heeft wel een eigen rol in het gesprek over onze cultuur en de politiek moet die ook waarmaken. In de afgelopen jaren is het politieke debat steeds meer een uitwisseling van utilistische argumenten geworden. Het morele karakter van het debat is daarmee tot een enkele (maar wel dominante) morele theorie versmald, waarin vooral CPB-berekeningen goed gedijen. Dat is geen route naar versterking van onze cultuur. Ik geloof dat de politiek een taak heeft voorbij het maken van goede wetten en regels. Het is ook het marktplein van de samenleving. De plaats waar wij met elkaar spreken over goed en kwaad en waar we de morele grondtonen van onze samenleving proberen te ontdekken. Alain Finkielkraut beëindigt zijn boek Ongelukkige identiteit (2014) met het pleidooi om de idee en de praktijk van de democratie niet zonder slag of stoot over te laten aan het gelijknamige proces. Dat onderschrijf ik. Het goede is niet de uitkomst van een democratisch debat. Onze gedeelde liefde kan niet slechts het bestuurlijke proces zijn. We moeten ook de funderende waarden van de democratische rechtsstaat en ons samenleven delen. Om die te ontdekken, moet een natie diepe morele gesprekken voeren op haar centrale fora. We kunnen beginnen met het herstel van de verdeeldheid door zelfbewust te formuleren wat ons bindt. Daarvoor is een nationale dialoog nodig over onze identiteit, onze gezamenlijke cultuur en onze morele uitgangspunten. Ik denk dat een politiek-maatschappelijk debat over een preambule bij de grondwet een dergelijk gesprek over onze gedeelde liefde in Nederland kan aanvuren. We hebben alle reden om dat te proberen, want de maatschappelijke vrede staat op het spel. En zonder overeenstemming over een gedeelde liefde kunnen we nieuwkomers niet op een verantwoorde manier blijven opvangen.

 

Auteur
Mr. Harmjan Vedder is beleidsmedewerker bij de Tweede Kamerfractie van de ChristenUnie. Dit essay is geschreven op persoonlijke titel.



[1] Zie: Gedeelde waarden en een weerbare democratie, SCP, 2016

[2] Augustinus, De Stad Gods, boek XIX, hoofdstukken 24 en 27

[3] Stefan Paas, Vrede stichten, politieke meditaties, p. 21

[4] Roel Kuiper, Moreel Kapitaal, p. 175.

[5] Ibid. p. 159

[6] Andreas Kinneging, Geografie van Goed en Kwaad, p. 47

[7] C.S. Lewis, De afschaffing van de mens, p. 36