Belang of beginsel?

Door Koen Vossen


Alle politieke partijen worstelen sterk met de vluchtelingencrisis, maar sommigen nog net wat meer dan anderen. Die worsteling hangt samen met een fundamentele spanning waar vrijwel iedere partij mee te maken heeft, namelijk de spanning tussen haar beginselen en de belangen van een deel van haar achterban.

De stroom vluchtelingen uit vooral Syrië, Irak en Eritrea heeft de Nederlandse bevolking sterk verdeeld, zo lijkt het. Aan de ene kant zijn er de vele Nederlanders die zich als vrijwilliger hebben aangemeld: hun aantal overtreft zelfs het aantal vluchtelingen.  Daartegenover staan de heftige beelden van rumoerige inspraakavonden in onder meer Steenbergen, Geldermalsen en Rotterdam Beverwaard. Er zijn de schrijnende verhalen over weggebombardeerde steden, wrede dictators en barre tochten naar Nederland. Maar ook bereiken ons berichten over meegekomen ‘gelukzoekers’ , soms uit veilige landen, over geweld in asielzoekerscentra, over discriminatie van homoseksuelen en over radicale islamisten die met kwade bedoelingen hier zouden zijn gekomen. In de verbale loopgravenoorlog tussen de verwelkomers en de achterdochtigen blijken beide kampen voorlopig nog wel even over voldoende munitie te beschikken.

Bij een succesvolle partij gaan beginselen en belangen hand in hand, soms zelfs zodanig dat er nauwelijks nog een onderscheid lijkt. Maar vroeg of laat duikt er een thema op dat het onderscheid tussen beide blootlegt. Het strikt naleven van de beginselen gaat dan in tegen de gepercipieerde belangen van een deel van de kiezers. “Onze partij komt niet meer voor ons op!” Een al te sterk benadrukken van de belangen roept daarentegen een verdenking van hypocrisie en opportunisme op. “Onze partij weet niet meer wat de ‘C’ in de partijnaam betekent!” 

Beginselpolitiek
Deze fundamentele spanning ontstond in de negentiende eeuw toen het fenomeen van de beginselpartij opkwam. Daarmee is bedoeld een partij die zich wil baseren op in tijd en ruimte onveranderlijke principes die bepalend zijn voor de meningsvorming over politieke thema’s en waaraan de door haar voorgedragen kandidaten zich te houden hebben. Niet ten onrechte wordt Abraham Kuyper als grondlegger van het fenomeen van de beginselpartij beschouwd. In 1879 richtte hij de Anti-Revolutionaire Partij op, de eerste moderne politieke partij die haar vertegenwoordigers wilde binden met het door Kuyper opgestelde programma Ons Program. Kuyper betitelde zijn achterban als ‘het volk achter de kiezer’, de orthodox-protestantse ’kleine luyden’ die dikwijls nog geen kiesrecht hadden.

Door zo duidelijk te benoemen wat de achterban was, maakte Kuyper van de ARP behalve een beginselpartij direct ook een soort belangenpartij voor een specifieke groep in de samenleving, met eigen materiële en immateriële belangen. Hetzelfde patroon zien we ook bij de andere twee grote stromingen die eind negentiende eeuw opkomen: de katholieken en de socialisten. Als een soort katholieke Kuyper wilde de priester Herman Schaepman een katholiek beginselprogramma dat grotendeels was gebaseerd op de pauselijke encyclieken (vooral Rerum Novarum) en dat leidend moest zijn voor de Katholieke Kamerclub. Schaepman had hiermee beduidend minder succes dan Kuyper omdat veel katholieke politici het louter verdedigen van de belangen van de Rooms-Katholieke Kerk en bevolking eigenlijk wel voldoende houvast voor politiek handelen vonden bieden. Bij de socialisten was eveneens de vraag wat nu de voorrang moest hebben: het marxisme, al dan niet revolutionair of reformistisch uitgelegd, dan wel de concrete belangen van de arbeidersbevolking in Nederland.  

Het probleem werd nog klemmender naarmate de staat meer intervenieerde in de samenleving en er dus steeds meer concrete sociaal-economische belangen behartigd moesten worden. Tussen 1900 en 1920 werd de ene na de andere belangengroep opgericht en sommigen van hen overwogen zelfs om als politieke partij aan verkiezingen te gaan deelnemen. Het antwoord van de gevestigde beginselpartijen was om nog sterker dan tevoren de noodzaak van beginselpolitiek te benadrukken. Politiek mocht niet ontaarden in platte belangenstrijd maar moest blijven gaan over hogere beginselen, grootse idealen voor de natie en een betere toekomst voor allen. De behartiging van de concrete sociaaleconomische belangen van de achterban werd uitbesteed aan belangengroepen die echter wel met de moederpartij verbonden waren. Hoewel er tal van voorbeelden zijn te noemen van grote spanningen tussen belangengroepen en moederpartij, gingen belangenpolitiek en beginselpolitiek goed samen. Afsplitsingen die zich sterker als belangengroep wilden profileren zoals de Roomsch-Katholieke Boerenpartij of de Christelijke Arbeiderspartij hadden minder succes. Hetzelfde gold voor afsplitsingen die zich louter als zeer zuivere beginselpartij profileerden, zoals de Hervormde (Gereformeerde Staatspartij (HGS) uit het interbellum.

Wat kan dit historische perspectief ons leren over de houding van de hedendaagse politieke partijen tegenover de vluchtelingenstroom? Op basis van hun beginselen zullen de meeste partijen geneigd zijn tot een ruimhartige opvang van in de verdrukking geraakte vluchtelingen. Liberalen, zeker de Nederlandse, hechten vanouds aan een internationale rechtsorde en internationale verdragen die zowel in goede als in slechte tijden moeten worden aangehouden. Plotse heroverweging van zulke verdragen doen, bezien vanuit deze liberale traditie, hypocriet aan. Sociaaldemocraten hebben een grote traditie van internationale solidariteit en empathie met onderdrukten die niet zomaar overboord kan worden gegooid. De christelijke partijen zullen het gebod tot barmhartigheid voor vluchtelingen niet kunnen negeren, al is het alleen al omdat de kerken hen daar herhaaldelijk op zullen wijzen. Natuurlijk heeft geen enkele partij een beginselprogramma dat een pasklaar antwoord biedt op alle concrete kwesties, maar wel stellen de beginselen de marges waarbinnen een partij zich kan bewegen. In de Bondsrepubliek Duitsland is de aanvankelijk ruimhartige houding van Angela Merkel niet los te zien van haar interpretatie van de christelijke beginselen van het CDU. Maar deze hebben haar er ook weer niet van weerhouden om in tweede instantie een toch strenger toelatingsbeleid te propageren.

Belangen
Een behoorlijk deel van de Nederlandse bevolking lijkt de komst van de vele vluchtelingen echter niet te bezien vanuit hooggestemde beginselen maar meer vanuit de perceptie dat daarmee de eigen belangen direct bedreigd worden. Daarbij gaat het voor een deel om eenvoudig te begrijpen argumenten. Vluchtelingen zorgen voor concurrentie op de arbeidsmarkt en woningmarkt en brengen het toch al uitgeklede stelsel van sociale zekerheid verder in gevaar. De door sommige verwachte economische baten van de komst van vluchtelingen blijven vooralsnog abstract en contra-intuïtief. Ingewikkelder wordt het bij minder tastbare argumenten over sociale en culturele overlast waar de nieuwkomers voor zouden zorgen. Allereerst is het lastig omdat immigratie, criminaliteit, islam en asielzoekerscentra voor veel kiezers een vrijwel onontwarbare kluwen zijn geworden. Maar ook is hier minder duidelijk waar veel ‘achterdochtigen’ nu precies tegen zijn en wat zij vrezen. Gaat het om de culturele of etnische zichtbaarheid die als bedreigend wordt ervaren? Gaat het om het verlies van een niet altijd even helder omschreven identiteit? Is het de vrees voor een clash of civilisations?

Niet te onderschatten is de invloed van het door Geert Wilders en zijn fellow travellers, vertelde verhaal, onder meer door Geen Stijl verspreid, dat er sprake is van een strategie van islamisering waarbij immigratie, criminaliteit, intimidatie en vluchtelingenstromen bewust ingezette middelen zijn. De Syrische asielzoeker wordt daarmee geen vluchteling en zelfs geen gelukzoeker, maar een jihadist die er op uit is Nederland te islamiseren. Daartegenover stelt de PVV een heldere boodschap: eigen volk eerst. Ofwel, Nederlandse politici moeten in eerste instantie opkomen voor degenen door wie ze zijn gekozen en dat zijn niet Syrische of Eritrese nieuwkomers die ons land in gevaar brengen. Het nationaal-populisme van de PVV ontleent zijn kracht aan het uitdrukkelijk hand in hand gaan van beginsel en belang. De verdediging van het belang van het Nederlandse volk is het beginsel.

De kritische burger
Daartegenover staan de overige partijen met hun beginselen die niet noodzakelijkerwijs naar de verdediging van de vermeende belangen van de eigen kiezers wijzen. Beginsel en belang gaan niet hand in hand, zeker niet bij partijen die het voor een deel moeten hebben van juist de groepen die sociaal-economisch de meeste concurrentie ondervinden. Zie bijvoorbeeld de worsteling van de SP met het vraagstuk. Die spanning wordt versterkt door twee andere ontwikkelingen. Allereerst is dat het feit dat veel kiezers zich sinds de jaren negentig al minder onderdeel voelen van een bepaalde stroming en nog minder van een specifieke partij. Zij kijken kritischer naar de prestaties van partijen, zowel in de behartiging van belangen als in het vasthouden van hun principes en zijn eerder geneigd om verkiezingen te gebruiken voor een politieke afrekening. Bovendien is er een perceptie van een kloof tussen de hoger opgeleide elites die de lakens uitdelen binnen de partijen en de lager opgeleiden die geacht worden hen te legitimeren. Of deze befaamde ‘diplomademocratie’ daadwerkelijk bestaat, is daarbij niet interessant: feit is dat het hier om een perceptie gaat waarvan de consequenties voelbaar zijn. Een van die consequenties is een opmerkelijk wantrouwen tegenover het morele appel op gevoelens van empathie en solidariteit waarvan de lusten ten goede zouden komen aan de elite, die zich moreel superieur kan wanen, maar de lasten –sociaal-economisch en sociaal-cultureel – moeten worden gedragen door de ‘gewone kiezers’. De beginselen zijn als het ware verworden tot vrome praatjes waarvan de consequenties door anderen moeten worden gedragen. 

Tegen de achtergrond van een kritische, minder loyale burger en de groeiende populariteit van de PVV als de nationale belangenpartij zullen de gevestigde beginselpartijen alle zeilen bij moeten zetten om in het huidige vluchtelingenvraagstuk de beginselen en de belangen van althans een deel van de achterban enigszins in overeenstemming te brengen met elkaar. Zeker voor partijen met een grote achterban van lager en middelbaar opgeleiden kan het vluchtelingenvraagstuk een splijtende werking hebben. Dit risico geldt zeker ook voor een partij als de ChristenUnie met haar grote achterban van lager en middelbaar opgeleiden en haar bevlogen, grotendeels hoger opgeleid en meer kosmopolitische gezinde kader.      


Auteur
Dr. Koen Vossen is politiek historicus, zelfstandig publicist en universitair docent politicologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.