'Wat een politicus doet heeft een signaalfunctie'

Door Mirjam Kosten en Geert-Jan Spijker


Politici moeten geen barmhartigheid preken – eerder rechtvaardigheid – maar kunnen als voorbeeld voor een morele gemeenschap wel barmhartigheid tonen. Bijvoorbeeld door een vluchteling in huis te nemen, zoals een Duitse minister deed. Emeritus hoogleraar ethiek Paul van Tongeren pleit voor meer deugden in de politiek. ‘Degenen die leiding geven aan een gemeenschap hebben een heel grote en heel zware taak om te zorgen dat het met die gemeenschap goed gaat. Daar ligt mijn sterkste verwijt aan politici op dit punt met betrekking tot de vluchtelingencrisis.’


In een interview met Trouw stelde u dat we heus wel weten wat we moeten doen rond de vluchtelingencrisis, waarom?
Volgens mij is dat volstrekt duidelijk en is het niet mogelijk om vanuit een serieuze ethische theorie iets anders te argumenteren dan dat mensen in nood geholpen moeten worden. En het gaat om mensen in nood. Er wordt wel gezegd dat er ook anderen tussen zitten, maar dat betekent niet dat je mensen in nood niet moet helpen.


U heeft in de Nacht van de filosofie aandacht gevraagd voor ‘de tragiek van het bestaan’ en de spanning tussen idealisme en realisme in het vluchtelingendebat. Waar zit die spanning?  
Die spanning is de realiteit van onze morele situatie. Ik denk niet dat die op zichzelf slecht is. Wat slecht is, is dat je de spanning probeert te vermijden door ofwel idealist te zijn die de realiteit niet ziet ofwel een realist te zijn die het ideaal niet meer ziet. En van politici verwachten we toch ook dat ze precies die twee dingen bij elkaar houden. Ik begrijp heel goed dat politici ook moet zorgen dat de grenzen bewaakt worden en dat het hard nodig is dat we die hebben. Maar dat is iets wat je óók moet doen, wat je onvermijdelijk moet doen, maar wat niet de aandacht mag verdringen voor wat je in de eerste plaats moet doen, en dat is helpen.


Welke ethische posities ziet u terug in het debat over de opvang van vluchtelingen?
Als wij in onze samenleving ethisch nadenken, doen we dat doorgaans op de wijze van de plichtsethiek en het utilisme. De deugdethiek is minder vanzelfsprekend en uitgerangeerd geraakt, onder meer door een sterk individualisme vanuit de moderniteit. De invulling van een geslaagd leven wordt aan de individuele voorkeuren overgelaten en niet ontwikkeld tot een publiek te gebruiken discours.


Welke aanknopingspunten geven de plichtsethiek en het utilisme?
De Kantiaanse ethiek of plichtsethiek concentreert zich op de fundamentele verplichting waaraan elk mens onderworpen is. En dat is er maar een volgens die ethiek: de verplichting om redelijk, rationeel te zijn. Dat wil zeggen dat je moet handelen zoals je kunt aannemen dat elk rationeel wezen zou handelen. Wat betekent dat concreet? Een heleboel dingen, maar onder andere dat als iemand in nood is, dat die geholpen moet worden Het utilisme zegt dat je zo moet handelen dat je het nettoresultaat van de mogelijke handelingsopties die je hebt, maximaliseert. Alle opties hebben bepaalde voordelen en bepaalde nadelen, die kun je verzamelen en in een rekensom brengen. Je moet die optie kiezen die voor zoveel mogelijk mensen een zo hoog mogelijke opbrengst oplevert. Het verschil in de nood aan de ene kant en de kosten van de pijn die het mij oplevert aan de andere kant is zo groot, dat je je nauwelijks een berekening kunt voorstellen die niet daarop uitkomt dat je die nood moet verlichten.


En uw specialisme, de deugdenethiek?
De deugdenethiek zegt niet zozeer wat iemand moet doen maar eerder hoe mensen zich zo goed mogelijk verwerkelijken, hoe je een volwaardig en een bloeiend mens wordt. Het lijkt mij evident dat iemand die een ander helpt als voorbeeldiger gezien wordt dan iemand die voordat hij gaat helpen nog wel vijf keer nadenkt of hij daar zelf geen nadeel van heeft. Als je iemand ziet die de nood van anderen überhaupt voelt, tot zich laat doordingen en daarop reageert met een poging om te helpen, zullen we dat herkennen als een betere, meer volwaardige manier van leven. We moeten ons volgens de deugenethiek proberen zo te vormen dat we voortreffelijke mensen worden. Dus ook een deugdenethiek zal op een heel andere manier redenerend, komen tot de positie dat daar geholpen moet worden.


De deugdenethiek kunnen we dus niet op een collectief toepassen?
Niet op het niveau van een collectief dat alleen door formele banden nog samenhang vertoont. Een nationale gemeenschap is geen kwestie van wel of niet een morele gemeenschap zijn, het is een kwestie van meer of minder een morele gemeenschap zijn. Naarmate een gemeenschap formeler wordt, is het moeilijker deugdethisch te denken. Aristoteles zegt het zo: ‘elke gemeenschap wordt gevormd door de regels van rechtvaardigheid en door banden van vriendschap’. En naarmate de banden van vriendschap sterker zijn, zijn er minder regels van rechtvaardigheid nodig, en andersom. Een nationale gemeenschap wordt ook door affectieve banden gevormd en die banden moeten door de leiders van de gemeenschap ook onderhouden, mee-gevormd en gekoesterd worden. Ik zeg dat niet vanuit de illusie dat wij een simpele gemeenschap zijn, maar politici moeten ook dit aspect meer ontwikkelen en aan de orde stellen; het parlement moet eigenlijk het keukengesprek op het niveau van de nationale gemeenschap zijn.


Wat is in de vorming van gemeenschappen de taak van politici?
Degenen die leiding geven aan een gemeenschap hebben een heel grote en heel zware taak om te zorgen dat het met die gemeenschap goed gaat. Daar ligt mijn sterkste verwijt aan politici op dit punt met betrekking tot de vluchtelingencrisis. Behalve door Wilders is op geen enkele manier het gemeenschapskarakter van de Nederlandse bevolking aangesproken. Alleen degene die een slechte gemeenschap vormt, Wilders, spreekt in termen van gemeenschap. Daarmee dreigt zich een egoïstische, kortzichtige, immorele gemeenschap te vormen. En wat zie ik de andere politici doen? Ze durven nog wel te spreken van de nood van de vluchteling, maar al heel gauw zie je dat zij de nood worden van ons, dat wij bedreigd worden. Maar ik hoor politici niet of nauwelijks zeggen dat wij ook deel zijn van een grotere gemeenschap, dat wij ook als gemeenschap aangesproken kunnen worden door mensen uit een andere gemeenschap of door ontheemden. Deugdenethiek is zeer gevoelig voor de kwaliteit van een gemeenschap en dat betekent dat de taak van degene die leiding geven aan de gemeenschap extra groot is. Politici hebben volgens mij, een beetje extreem gezegd, een opvoedend taak, een vormende taak en men is daar als de dood voor. De enige die een vormende taak op zich neemt, lijkt nu Wilders te zijn.


Een partij als de ChristenUnie wordt er wel van beticht te moralistisch of betuttelend te zijn. Klopt dat dan niet?  
Bij de kleine christelijke partijen zie je wel morele elementen, maar we moeten oppassen dat we een moreel vormende taak niet gaan identificeren met een vastbijten in een bepaald soort van morele issues, als bijvoorbeeld Second Love. Ik ben het inhoudelijk helemaal eens met Van der Staaij, maar het ingaan op morele issues is iets anders dan het vervullen van die vormende taak waar ik op doel. Ik vind dat juist bij de vluchtelingenkwestie heel duidelijk. Daar gaat het er niet alleen om om te zeggen ‘kijk eens hoe erg die mensen het daar hebben’, maar om te zeggen ‘wat kunnen wij daar nu aan doen als gemeenschap’. Laten we eens kijken welk draagvlak er is. Als we op een bepaalde sociaaleconomische laag in de bevolking een appel doen in de trant van ‘stel dat we nu allemaal één procent..’. Dat is spreken in termen van ‘wij’ en dat is nog iets anders dan de moralist uithangen, als ik het even negatief zeg. Het heeft er wel iets mee te maken, dat je durft morele noties naar voren te brengen, maar in de zin van gemeenschapsvorming is meer nodig dan dat.


Geert Wilders spreekt over een ‘patriottistische lente’, is dat een vorm van deugdenethiek?
Wilders heeft ergens een punt en deels is het ook een pervertering van de deugdenethiek. Hij gebruikt de illusie van een gemeenschap. Je ziet dat hij inderdaad effect heeft daarmee en dat mensen spreken in termen van ‘wij zijn het volk’, zoals ook Pegida dat doet. Dat is een illusie omdat er van een volk met een gemeenschappelijke morele cultuur geen sprake is. Het is een volk dat door de volksmenner geconstrueerd wordt, en met succes, want mensen gaan zelf ook in die termen spreken. Het is een illusie ook omdat hij suggereert dat er in dat volk alleen maar unanimiteit bestaat, waarvan absoluut geen sprake is. Dat is een van de redenen waarom Wilders niet gaat regeren want dan blijkt onmiddellijk dat ook daar heel veel verschillende wensen zijn waarmee hij op een of andere manier moet gaan marchanderen. De idee van eenheid van dat volk is een moedwillig aangekweekte illusie. Het perverterende dat daarin zit is dat met het werken met de illusie van een gemeenschap – waar geen gemeenschap is – zich een kwalijke gemeenschap dreigt te gaan vormen.


Maar hij heeft dus ook een punt?
Zeker, en dat legt een probleem in de deugenethiek bloot. De deugenethiek is een communautaire ethiek, een ethiek die niet individueel tot stand komt maar altijd in gemeenschappen. Voortreffelijk leven is een leven dat herkend wordt als een voortreffelijk leven, en dat veronderstelt een gemeenschap. Dat geeft een probleem in de deugdenethiek omdat er geen absolute morele ijking is buiten de concrete gemeenschappen waarin iets als moreel goed of slecht herkend wordt. Daardoor ben je gebonden aan de cultuur van een gemeenschap en zijn perversies mogelijk, zoals we ook gezien hebben in Hitler-Duitsland, waar als voorbeeldig ervaren werd wat wij absoluut zouden veroordelen. Het gevaar bestaat van een vergroeiing, een pervertering van een hele gemeenschap. Dat betekent dat het principieel mogelijk is dat er een Nederlandse volksgemeenschap ontstaat waarin hulp aan vluchtelingen als abject, verderfelijk, slecht of dom gezien wordt en dat wie varkenskoppen ophangt bij asielzoekerscentra geprezen wordt als iemand die dapper weet te strijden voor de goede zaak.


Hoe ziet u dan de paus die vluchtelingen in huis neemt, is dat hoe het moet?  
Ik vind dat schitterend. Net als een Duitse politicus die twee Ethiopiërs in huis nam. Hij was realistisch genoeg om politicus te zijn, pure idealisten houden het niet vol in de politiek, en neemt tegelijkertijd in zijn eigen huis twee vluchtelingen op en dat laat iets zien. Ik heb dat bij onze politici niet gezien eerlijk gezegd. Veel van wat een politicus doet heeft een signaalfunctie. Maar ook wat een universiteit doet. Onze universiteit heeft de internetverbinding doorgetrokken zodat er in Heumersoord ook WiFi is. Mensen zijn er concreet mee geholpen maar het heeft ook een signaalfunctie. De universiteit zegt daarmee als organisatie iets tegen die zesduizend mensen die hier werken. En dat is wat politici ook moeten doen en wat de paus ook gedaan heeft. Hij heeft het laten zien en daarom bewonder ik deze paus. Hij heeft niet gezegd dat andere politici barmhartig moeten zijn. Hij is verstandig genoeg om te weten dat hij daar waar hij staatshoofden aanspreekt, het in termen van rechtvaardigheid moet doen. Maar dat hij tegelijkertijd zelf barmhartigheid toont, dat maakt hem voorbeeldig.


De ChristenUnie heeft het in de vluchtelingencrisis over ‘barmhartige zijn, barmhartigblijven’, wat is volgens u de verhouding tussen barmhartigheid en rechtvaardigheid?
Dat het over barmhartigheid gaat vind ik niet evident eerlijk gezegd. Het is eerder een kwestie van rechtvaardigheid dan van barmhartigheid. Dat wil zeggen, hoe kan ik alle luxe die ik heb rechtvaardigen tegenover de absolute nood van iemand die toevallig ergens anders geboren is? Als we over die christelijke deugden gaan spreken dan komt er nog iets anders in het spel. Ik denk dat de christelijke deugden tamelijk extreme deugden zijn. Barmhartigheid is een van de uitingen van de caritas, van de liefde, en ik denk dat de christelijke liefde, de liefde als christelijke deugd extremistisch is omdat hij geen grens kent. Zelfs de grens van Kant, helpen tot je in vergelijkbare nood bent, geldt niet voor de eis van christelijke liefde. Er is geen grens aan barmhartigheid en wel aan rechtvaardigheid. Dus de barmhartigheid als vorm van liefde, samen met het geloof en de hoop hebben, een beetje polemisch, iets zeer extreems.


Barmhartigheid kunnen we niet van de samenleving vragen?
Deze deugd heeft iets heel uitdagends en ook iets heel belangrijks. Maar ze wordt te gemakkelijk iets wat van iedereen gevraagd kan worden. Terwijl een van de kenmerken van de christelijk deugden is, dat het genadegaven zijn. Je kunt ze niet van iedereen verwachten. Ze moeten niet totaal afwezig zijn in de politiek, maar ze kunnen alleen maar een andere pretentie hebben, naar degene toe die ze praktiseert.


Prof.dr. Paul van Tongeren (1950) is emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen en buitengewoon hoogleraar ethiek aan de Katholieke Universiteit Leuven. In 2012 schreef hij Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst. Daarnaast is hij lid van het filosofisch elftal in Trouw. In de Nacht van de Filosofie sprak hij onder de titel ‘Waarom ik geen vluchteling in huis neem’.