Identiteitsgebonden zorg

Door Anja Haga


De jeugdhulp en de Wmo zijn per 1 januari 2015 taken van de gemeenten. Voordat het zover is moeten gemeenteraden het beleidsplan 2015 en de verordening vaststellen. Dit dienen ze uiterlijk 31 oktober 2014 te doen. In het beleidsplan en de verordening moet onder andere komen te staan op welke wijze de keuzevrijheid wordt geborgd. Het is aan gemeenten om hier op tijd de juiste keuzes in te maken. Om ChristenUnie-raadsleden op weg te helpen is onlangs de Handreiking beleidsplan Wmo en Jeugdwet verschenen. Dit artikel is op die Handreiking gebaseerd.

De ChristenUnie heeft zich hard gemaakt voor keuzevrijheid in de Wmo en Jeugdwet. De reden hiervoor is dat ondersteuning succesvoller zal zijn wanneer deze aansluit bij de zorginhoudelijke wensen en de belevingswereld van de cliënt en zijn of haar sociale netwerk. De ChristenUnie heeft er daarom in de Tweede en Eerste Kamer voor gepleit dat keuzevrijheid onderdeel van de nieuwe wetten wordt. Met succes! Dit betekent dat gemeenten rekening moeten houden met keuzevrijheid in de beleidsplannen en verordeningen van de Wmo en Jeugdwet. De vraag is op welke wijze gemeenten dit gaan doen.


Zorg en geloof
Gemeenten moeten in de keuze voor zorgaanbieders rekening houden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van cliënten. Gemeenten zijn verplicht om identiteitsgebonden organisaties evenveel kans te geven om zorg te leveren als elke andere organisatie. Dit zorgt voor keuzevrijheid voor de cliënt maar ook voor extra werk en kosten voor gemeenten. Daarnaast moeten gemeenten in 2015 een aanvraag voor een Persoonsgebonden Budget (PGB) honoreren wanneer iemand een PGB aanvraagt op basis van godsdienstige, levensbeschouwelijke of culturele overwegingen. Tenminste, de gemeente kan een PGB niet weigeren wanneer de aanvrager beargumenteerd kan onderbouwen dat het door de gemeente gecontracteerde aanbod niet passend is in zijn specifieke situatie. Mensen die in 2014 recht hebben op een PGB behouden dit recht in 2015. Gemeenten kunnen met een grote groep PGB-houders te maken krijgen. Ze zullen hier in hun beleid rekening mee moeten houden.

De gemeenten krijgen met de Wmo en Jeugdwet meer taken, maar moeten dit met minder geld doen dan er voorheen beschikbaar was voor dezelfde taken. Daarbovenop krijgen gemeenten te maken met keuzevrijheid, wat inhoudelijke en financiële consequenties met zich meebrengt. De vraag is dan ook: hoe regelen gemeenten keuzevrijheid?


2015: nieuwe
Jeugdwet
Op dit moment zijn gemeenten en provincies samen verantwoordelijk voor de zorg voor jeugd. Deze verantwoordelijkheden zijn vastgelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet op de jeugdzorg (Wjz). Vanaf 2015 wordt de zorg voor jeugd helemaal ondergebracht bij gemeenten (nieuwe Jeugdwet). De Jeugdwet treedt op 1 januari 2015 in werking. De bedoeling is dat het jeugdstelsel eenvoudiger, efficiënter en effectiever wordt. Gemeenten worden verantwoordelijk voor het leveren van alle jeugdhulp. De verwachting is dat zij door intensivering van preventie en ambulante jeugdhulp complexere (en duurdere) hulp kunnen voorkomen. In samenhang met deze decentralisatie wordt een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening). Dit gebeurt op de manier zoals eerder is gebeurd bij de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk).


Wmo en Wlz
Vanaf 2015 gaan gemeenten taken uitvoeren die nu nog onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vallen. Het is de bedoeling dat mensen die dat kunnen meer dan nu het geval is, in de eigen sociale omgeving oplossingen zoeken voor problemen die zich voordoen. Er wordt een groter beroep gedaan op de eigen draagkracht. Door verschillende wetten en regelingen te bundelen in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) krijgen gemeenten meer mogelijkheden om regie te voeren over samenhangende activiteiten van aanbieders van zorg, wonen, welzijn en dienstverlening.

Er komt een nieuwe Wet langdurige zorg (Wlz) voor de zwaarste, langdurige zorg. Lichtere vormen van ondersteuning uit de AWBZ, zoals begeleiding en dagbesteding, gaan over naar gemeenten, net als beschermd wonen voor mensen met een psychische stoornis. Mensen kunnen een beroep doen op de gemeente voor deze ondersteuning op grond van de Wmo. Verpleging en verzorging worden onderdeel van de Zorgverzekeringswet. Mensen die langere tijd zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, krijgen de eerste drie jaar van de opname via de zorgverzekering. De Zorgverzekeringswet wordt uitgevoerd door de zorgverzekeraars.


Identiteitsgebonden zorginstellingen
Gemeenten maken afspraken met zorginstellingen, maar zullen in de praktijk niet met alle bestaande zorginstellingen en hulpverleners in gesprek gaan. Het zijn er eenvoudigweg te veel. Voor identiteitsgebonden instellingen ligt het extra gecompliceerd omdat deze instellingen vaak georganiseerd zijn op regionaal of landelijk niveau. Ze hebben met veel verschillende gemeenten en inkoopmodellen te maken, en het is niet op voorhand volledig duidelijk in welke gemeenten er vraag zal zijn naar welke specifieke vorm van identiteitsgebonden zorg. Waarschijnlijk zal het volume van cliënten die waarde hechten aan een bepaalde levensovertuiging een grote rol spelen bij het inkopen van identiteitsgebonden hulpverlening. Hoe hoger het aantal cliënten met een identiteitsgebonden zorgvraag hoe relevanter het voor de gemeente is om (op voorhand) rekening te houden met deze behoefte bij het contracteren van zorgaanbieders.


Zelf het wiel uitvinden
Gemeenten zullen voor 1 januari 2015 moeten bedenken op welke wijze ze invulling willen geven aan identiteitsgebonden zorg en gecertificeerde instellingen met een regionaal of landelijk bereik. Dit betekent dat gemeenten zich moeten verdiepen in de verschillende mogelijkheden, de behoefte van cliënten in kaart moeten brengen en in gesprek moeten gaan met zorgorganisaties en andere gemeenten. Gemeenten hebben verschillende mogelijkheden om afspraken te maken met identiteitsgebonden instellingen (zie kader 1). Op voorhand is lastig te zeggen welk model het meeste recht doet aan identiteitsgebonden zorg. Er is nog geen ervaring opgedaan, elke gemeente zal het wiel zelf moeten uitvinden. Waarschijnlijk zal gaandeweg 2015 blijken welk model het meeste recht doet aan de keuzevrijheid met betrekking tot identiteitsgebonden zorg, en welk kostenplaatje hieraan hangt. Het is in ieder geval belangrijk dat gemeenten zich bewust zijn van de verschillende inkoopmodellen en nadenken over de voor- en nadelen.

Een gemeente kan bijvoorbeeld kiezen voor een overeenkomst op cliëntniveau omdat de inschatting is dat er niet veel vraag naar identiteitsgebonden zorg zal zijn. De gemeente maakt vervolgens afspraken met niet-identiteitsgebonden zorginstellingen. Als vervolgens blijkt dat de groep cliënten die gebruik wil maken van identiteitsgebonden zorg groter is dan verwacht, zal de gemeente hier niet onderuit kunnen. Wanneer een cliënt om identiteitsgebonden zorg vraagt moet de gemeente op zoek naar een oplossing. Dit kan tot de situatie leiden dat de gemeente alsnog identiteitsgebonden zorg moet inkopen terwijl er afspraken zijn gemaakt met niet-identiteitsgebonden instellingen. De kans bestaat dat  ingekochte zorg niet (volledig) wordt gebruikt en er extra kosten worden gemaakt voor identiteitsgebonden zorg. Deze situatie hoeft zich niet voor te doen wanneer gemeenten op voorhand goed onderzoek doen naar de zorgbehoefte van de cliënten en hier rekening mee houden bij de zorginkoop en het vaststellen van budgetten.


Keuzevrijheid en PGB
Met een persoonsgebonden budget (PGB) hebben mensen keuzevrijheid omdat ze zelf hun zorg en begeleiding kunnen regelen. Omdat mensen die in 2014 al zorg ontvangen via een PGB hier recht op houden onder de nieuwe wetgeving zullen gemeenten in 2015 een deel van hun zorgbudget kwijt zijn aan PGB’s. Hoe groot deze groep precies is weten veel gemeenten (nog) niet (zie kader 2). Daarnaast zullen er mensen bijkomen die onder de nieuwe wetgeving van Wmo en Jeugdwet aangeven dat ze de individuele voorziening (Jeugdwet) of de maatwerkvoorziening (Wmo) niet passend vinden en een PGB wensen. Dit moet duidelijk beargumenteerd worden. Wanneer de cliënt dit doet kan de gemeente het PGB-verzoek niet weigeren. De hoogte van het PGB moeten gemeenten vastleggen in de verordening. De hoogte van het PGB mag variëren maar het bedrag moet toereikend zijn om de door de cliënt gewenste zorg en ondersteuning in te kopen. In de wet is vastgelegd dat het budget van de gemeente niet bepalend mag zijn voor het aanbieden van een voorziening in natura of in de vorm van een PGB.

Gemeenten krijgen in 2015 met een grote groep PGB-houders te maken, zowel ‘oude’ als ‘nieuwe’ PGB-houders, waaronder PGB op basis van identiteitsgebonden overwegingen. De budgetten voor PGB’s moeten uit hetzelfde potje komen als de zorg in natura. Het totale budget dat beschikbaar is voor zorg  is kleiner dan tot nu toe beschikbaar was voor diezelfde taken. In de meest ongunstige situatie slokken de PGB-houders het totale potje op, en blijft er weinig of niets over voor zorg in natura. Of deze situatie zich voor zal doen is de vraag. Een PGB is op cliëntniveau namelijk goedkoper dan zorg in natura. Met hetzelfde geld kunnen meer mensen geholpen worden. Gemeenten zullen daarom goed moeten nadenken over de hoogte van het PGB-budget, zodat de keuzevrijheid met het PGB geborgd is.


Gemeenteraden
Keuzevrijheid doet recht aan de verscheidenheid van mensen, en het is goed dat dit onderdeel van de wet is geworden. Gemeenten moeten verstandig inkopen zodat de juiste zorg wordt ingekocht en er ruimte blijft voor individuele identiteitsgebonden wensen. Omdat de situatie per gemeente zal verschillen, is niet op voorhand te zeggen wat de beste oplossing is. Colleges hebben een belangrijke taak in het goed informeren van de gemeenteraden, waarbij het van groot belang is dat gemeenteraden een goede afweging kunnen maken over het totale zorgbudget. Het is niet wenselijk dat gemeenteraden besluiten nemen over deelaspecten van de Wmo en Jeugdwet zonder dat ze zicht hebben op het totale (financiële) zorgdomein van de gemeente.


Ontwikkelcultuur
Het moment om keuzes te maken is de vaststelling van het beleidsplan en de verordening Wmo en Jeugdwet en de begroting voor 2015. Het kan heel goed zijn dat gemeenten met creatieve oplossingen moeten komen om het totale zorgplaatje rond te krijgen. Vervolgens zal er ervaring moeten worden opgedaan met de nieuwe werkwijze. Gemeenteraden zullen de rust moeten bewaren om met voortschrijdend inzicht te groeien naar goede plaatselijke zorg. Wat de ChristenUnie betreft moet er sprake zijn van een groei- en ontwikkelcultuur in plaats van een afrekencultuur. Er komen ongetwijfeld goede voorbeelden van inkoop van identiteitsgebonden zorg die navolging verdienen. Het uitgangspunt moet in ieder geval zijn dat zorg toegankelijk moet blijven voor iedereen.


Samenvatting

1)    Keuzevrijheid voor cliënten is gegarandeerd in de nieuwe Wmo en Jeugdwet

2)    Identiteitsgebonden instellingen en PGB’s zijn onmisbaar als het gaat om keuzevrijheid en identiteitsgebonden zorg.

3)    Het zal proefondervindelijk duidelijk worden wat de beste wijze is om identiteitsgebonden zorg te organiseren.

 

Bronnen:
Handreiking Identiteitsgebonden Hulpverlening VNG
Handreiking PGB in de WMo en Jeugdwet VNG
Brief VNG mbt Proces invoering PGB Trekkingrecht


Anja Haga is werkzaam als adviseur voor de BestuurderVereniging van de ChristenUnie en is fractievoorzitter van de Statenfractie ChristenUnie Friesland. 

Overgangsregeling PGB-houders

Mensen die in 2014 een PGB krijgen hebben in 2015 recht op dezelfde zorg onder de huidige indicatie. Ook mogen ze dezelfde zorgverlener houden. Omdat gemeenten alle zorg, ook de PGB’s, uit een en dezelfde zak met geld moeten bekostigen zullen gemeenten met de PGB houders in gesprek moeten om te kijken of de zorg anders, oftewel goedkoper, georganiseerd kan worden. Dit is op basis van vrijwilligheid. Wanneer iemand hier niet voor open staat kan deze persoon niet gedwongen worden. Mocht de situatie zich voordoen dat een gemeente veel PGB houders heeft waarbij (vrijwel) iedereen vasthoudt aan de rechten die ze hebben dan kan dit betekenen dat een groot deel van het zorgbudget van gemeenten opgaat aan PGB’s, en er te weinig budget overblijft voor de nieuwe zorgtaken die gemeenten erbij krijgen. Wanneer deze situatie zich voordoet zullen gemeenten het geld ergens anders vandaan moeten halen. In de meeste gevallen zal dit een bezuiniging op een ander beleidsveld betekenen. Gemeenten ontvangen in september de gegevens van de PGB

houders, waarna ze met deze mensen in gesprek zullen gaan in de periode september

december 2014. Ondertussen krijgen gemeenten in 2015 te maken met een bezuinigingsopdracht van 25 procent op begeleiding. De grootste 32 gemeenten (G32) hebben hierover de noodbel geluid.

 

KADER 2

Mogelijkheden voor gemeenten om afspraken te maken met instellingen die identiteitsgebonden zorg leveren.

Model voor inkoop identiteitsgebonden zorg

Inhoud

Algemene oplossingen voor inkoop

  • Catalogusmodel

 

 

 

 

 

  • Overeenkomst op cliëntniveau

 

  • De gemeente sluit een overeenkomst af met alle aanbieders die voldoen aan bepaalde minimumvoorwaarden. De cliënt mag kiezen van welke aanbieder hij gebruik wil maken indien hij in aanmerking komt voor een voorziening. De cliënt kan bij zijn keuze rekening houden met identiteitsgebonden hulpverlening.
  • De gemeente legt een algemeen aanbod vast en een deel van het budget wordt apart gehouden voor specifieke hulpvragen, zoals identiteitsgebonden hulpverlening. De gemeente kan, als de situatie zich voordoet, een specifieke inkoopafspraak maken met een aanbieder of een PGB verstrekken.

Specifieke aandacht (selectief inkopen)

  • Het stellen van eisen gericht op identiteitsgebonden hulpverlening.

 

 

 

  • Het opnemen van gunningcriteria gericht op identiteitsgebonden hulpverlening.

 

 

 

 

  • Het inrichten van een perceel voor identiteitsgebonden aanbieders.

 

 

  • De gemeente kan in het Programma van Eisen, of binnen de minimumeisen gesteld in de offerteaanvraag, eisen opnemen die gericht zijn op het leveren van identiteitsgebonden zorgverlening.
  • De gemeente kan wensen opnemen die te maken hebben met het leveren van identiteitsgebonden hulpverlening. Hoe beter een aanbieder hieraan voldoet hoe meer kans er is om door de gemeenten te worden gecontracteerd.

 

  • Een gemeente kan voor identiteitsgebonden hulpverlening een specifiek perceel (een deelopdracht) inrichten als onderdeel van de totale aanbesteding. Om juridische procedures te voorkomen kan een gemeente ervoor zorgen dat niet-identiteitsgebonden aanbieders kunnen inschrijven op een ander perceel waarin de opdracht is beschreven voor niet-identiteitsgebonden hulpverlening.

Hoofdaannemer en onderaannemer

 

 

De gemeente formuleert een meer integrale inkoopopdracht bestaande uit zowel de hulpverlening voor niet-identiteitsgebonden als ook de identiteitsgebonden hulpverlening. Zorginstellingen kunnen zich hiernaar organiseren: aanbieders kunnen zelfstandig inschrijven voor de betreffende inkoopopdracht, zich verenigen en gezamenlijk inschrijven als het ware als één partij of in een hoofdaannemer-onderaannemerconstructie.

Samenwerken met andere gemeenten

 

Het samenwerken op inkoopgebied kan op verschillende manieren en op verschillende schaalniveaus. Bij de inkoop van identiteitsgebonden hulpverlening kan een gemeente overwegen om - vergelijkbaar met andere specialistische vormen van hulpverlening - samen te werken met andere gemeenten.