Coöperatiemaatschappij

Door Wouter Beekers

Het is bijzonder om te zien dat in onze tijd vele nieuwe maatschappelijke initiatieven ontstaan. En het is mooi dat de overheid daarop reageert. Maar haar houding richting de samenleving moet er geen zijn van: doen jullie het dan maar zelf. Ook de overheid moet leren op een nieuwe manier samen te werken.


Broodfondsen
‘De herovering van de solidariteit’, zo luidde de veelbelovende titel van een krantenartikel van Pieter Hilhorst drie jaar geleden. De latere Amsterdamse wethouder was toen nog fulltime publicist, zzp’er welteverstaan. En ook een zzp’er moet zich verzekeren tegen zaken als arbeidsongeschiktheid. Hiervoor was iemand als Pieter Hilhorst aangewezen op commerciële verzekeraars en tussenpersonen, die via de kleine lettertjes stilzwijgende verlengingen van vele jaren opdrongen en zoveel uitzonderingsbepalingen hanteerden dat het in feite nooit van uitkering kwam. ‘Legale oplichters’ waren het in de ogen van Hilhorst.

Volgens Hilhorst was het tijd voor een alternatief. Mensen konden beter zelf hun onderlinge solidariteit organiseren: dicht bij huis. Hij hoefde het alternatief niet uit te vinden, enkele jaren daarvoor waren de eerste ‘broodfondsen’ opgericht. Zij zijn gebouwd op persoonlijk contact en vertrouwen. Twintig tot vijftig mensen leggen een buffer aan van twee- tot drieduizend euro. Bij ziekte van een van hen wordt een uitkering betaald uit deze individuele buffers, voor een maximale termijn van twee jaar.

Het broodfonds waaraan Hilhorst deelnam kreeg pas anderhalf jaar na de oprichting te maken met een langdurige ziekte, een van de leden kampte met een burnout. Het fonds had toen al dertigduizend euro in kas, ‘een kleine overwinning op de grote verzekeringsgiganten,’ aldus Hilhorst. Voor de opgebrande zzp’er werd solidariteit heel concreet, toen hij van tientallen mensen een storting op zijn bankafschrift zag. Bovendien kon hij door zijn broodfondscollega’s geholpen worden bij een carrièreomslag.[1]


Alternatieve economie
De broodfondsen laten zien hoe mensen vandaag de dag de economie en de solidariteit heruitvinden: dichtbij huis, persoonlijk. Dat is verrassend te noemen. Tot voor kort waren er velen die meenden dat onze samenleving haar sociaal kapitaal verloren nagenoeg verloren was. Gewezen werd dan op de gevolgen van de individualisering en de opkomst van de netwerksamenleving, die maakt dat verbanden tussen mensen minder hecht zijn. Gevolgen werd ook op de globalisering, die maakt dat mensen zich vaak niet met hun eigen omgeving verbinden, maar bijvoorbeeld via internet met mensen wereldwijd.

Maar juist binnen deze nieuwe context zien we ook nieuwe initiatieven ontstaan. Wijkbibliotheken waarvoor sluiting dreigt worden overgenomen door buurtbewoners. Bewoners, verenigd in een coöperatie, nemen huizen over die op de sloopnominatie staan. Ouders richten samen een crèche op en houden die draaiende door op vrijwillige basis zelf mee te werken. Met de straat richten mensen een energiecoöperatie op om goedkoper duurzame energie te produceren.

Sociale actie manifesteert zich tegenwoordig minder vaak op het Malieveld, mensen proberen in hun eigen omgeving vorm te geven aan een alternatieve samenleving. Dat is overigens evengoed een vorm van maatschappijkritiek op het ontbreken van de menselijke maat in de bureaucratieën van onze tijd. Stichting Present, een netwerkorganisatie voor vrijwilligers, formuleert haar doel bijvoorbeeld als volgt: ‘We geloven dat de ontmoeting tussen mensen in kwetsbaarheid een antwoord is op de vervreemding en rationalisering van de moderne samenleving.’[2]


Collaboration & craftmanship
In de internationale literatuur duiken twee termen op die deze initiatieven en gemeenschappen karakteriseren. Het zijn gemeenschappen die draaien om collaboration, oftewel samenwerking. Ze zijn gericht op een cultuur van in gezamenlijkheid werken, besluiten en delen. En ze draaien om craftsmanship: ambachtelijkheid. De verschillende talenten van mensen staan centraal.[3]

Deze gemeenschappen kunnen op allerlei manieren vormkrijgen: informeel, lokaal, soms in grote groepen, vaak met internet als instrument. Zo delen mensen in hun lokale gemeenschap hun tuingereedschap of auto. Mensen zijn binnen een dergelijke gemeenschap vaak tegelijkertijd producent en consument.[4]

Met een Nederlands woord kunnen we de nieuwe maatschappelijke beweging duiden als een coöperatieve beweging. De coöperatie draait om wederzijdse verbondenheid, wederzijdse afhankelijkheid, wederzijds voordeel van elkaars talenten en inbreng. In een coöperatie gaat het niet om weinig tastbare idealistische doelen, maar om gemeenschappen die samen het goede leven willen vormgeven. Het is niet toevallig dat hun aantal de afgelopen jaren sterk groeit.[5] In woon-, zorg- of energiecoöperaties brengen mensen hun talenten, hun vak, hun kennis en kapitaal samen. De leden hebben directe zeggenschap over de inzet van de middelen en ze profiteren daarvan wederzijds. Een mooie nieuwe vorm van sociale dynamiek in onze tijd.


Participatiesamenleving?
Ook Den Haag heeft oog gekregen voor deze nieuwe dynamiek. In de Troonrede van september 2013 duidde de regering onze samenleving zelfs als een participatiesamenleving. Een maand later verduidelijkte minister-president Rutte om welke verandering het hem ging: ‘Vaste verbintenissen en hiërarchie doen er steeds minder toe. De verschillende netwerken waarin mensen functioneren en de emotie van het moment worden belangrijker. Mensen organiseren in die verandering steeds meer zelf en nemen zaken in hun omgeving in eigen hand. Niet omdat het moet, maar omdat het kan en omdat ze het willen.’[6] Deze herontdekking en herwaardering van de kracht van de samenleving, van het aanwezige sociale kapitaal, is iets wat we moeten koesteren.

Het is ook mooi dat de overheid zoekt naar een nieuwe rol die aansluit bij deze ‘participatiesamenleving’. Decentralisatie is daarbij een belangrijk begrip. Niet de Haagse bureaucratie moet bepalen hoe het in ons land gaat. Lokaal, op gemeenteniveau, moet aangesloten worden bij de nieuwe sociale dynamiek.


Valkuilen
Toch dreigt het bij het huidige denken over de participatiesamenleving ernstig fout te gaan. Die fout zit reeds besloten in de manier waarop de regering het begrip in september 2013 introduceerde, door te stellen dat ‘de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving’. Zo wordt impliciet een tegenstelling geschapen tussen de overheid en de samenleving. Wat de overheid deed kan de samenleving nu doen.

Maar wanneer we het hebben over de verzorgingsstaat en de participatiesamenleving, dan hebben we het voor een belangrijk deel over onvergelijkbare grootheden. In de nota’s van de overheid gaat het over buurtbarbecues, het buurthuis, de buurtbibliotheek of de gedeelde buurttuin. Maar bij de hervorming van de verzorgingsstaat gaat het om sociale zekerheid, langdurige thuiszorg, intensieve jeugdzorg etcetera. Dat is wel even iets anders dan een buurtfeestje.

Daarbij kent de netwerksamenleving het gevaar van nieuwe vormen van uitsluiting. De netwerksamenleving vraagt sterke sociale vaardigheden van mensen en is ook wel als een ‘diplomademocratie’ geduid. Mensen die minder sociaal vaardig zijn, geen goede opleiding hebben, geen sociaal netwerk hebben of om andere redenen kwetsbaar zijn dreigen buiten te boot vallen. Dat vraagt om alertheid, ook van de zijde van de overheid.


Christelijk-sociaal alternatief: de coöperatiemaatschappij
Juist in deze tijd biedt het christelijk-sociale denken een mooi alternatief. Het kan inspireren tot een andere, nieuwe route tussen de uitersten van een alomtegenwoordige verzorgingsstaat en zelfredzame participatiesamenleving.

In plaats van de verzorgingsstaat of de participatiesamenleving wordt in de christelijk-sociale traditie veeleer gedacht in termen van een coöperatiemaatschappij.[7] Het goede samenleven is niet het werk van een overheid of mensen die individueel participeren aan een publieke omgeving. Het goede leven ontstaat in het samenspel tussen verschillende maatschappelijke verbanden: mensen, gemeenschappen, organisaties, ondernemers én overheden. Juist veel nieuwe maatschappelijke initiatieven floreren op basis van dit grensoverschrijdende samenspel, denk bijvoorbeeld aan nieuwe zorgmodellen als die van de Eigen Kracht Centrale of nieuwe sociale ondernemingen zoals de Thomashuizen.


Soevereineit en subsidiariteit 2.0
Twee kernbegrippen uit de christelijk-sociale traditie helpen ons ook vandaag de dag om aan die samenwerking een goede vorm te geven. In de eerste plaats: het beginsel van soevereiniteit in eigen kring. Het ging de uitvinder, Abraham Kuyper, ook niet om een tegenstelling tussen maatschappelijke verbanden. Hij benadrukte dat de samenleving tot stand komt door de samenwerking van verschillende, gelijkwaardige maatschappelijke verbanden, met elk hun eigen verantwoordelijkheid. Of het nu gaat om ondernemingen, ziekenhuizen, woningbouwverenigingen, sportclubs, gezinnen of overheden. Het is belangrijk die maatschappelijke kringen niet te overvragen, maar wel ruimte te geven aan hun eigen idealen en doelen. Het goede samenleven ontstaat door ‘coöperatie vanuit eigen kring’.

In de tweede plaats: het subsidiariteitsbeginsel. Hierbij gaat het niet om een verabsolutering van decentralisatie. In de kern komt het subsidiariteitsidee neer op een erkenning van het recht van mensen verantwoordelijkheid te nemen in hun leven. Als partner, gezinslid, professional, vrijwilliger, ambtenaar, ondernemer proberen we gestalte te geven aan die verantwoordelijkheid. Juist in deze tijd zien we een grote behoefte om in onze inzet, in ons werk, in ons beroep eer te leggen. Die zoektocht naar beroepseer, naar het ware ambacht, is aanleiding geweest voor het ontstaan van veel maatschappelijke initiatieven. En het recht op verantwoordelijkheid van mensen is behoorlijk bekneld geraakt door een rigide denken in termen van gelijkheid, beheersing en controle. Het is tijd voor meer ruimte voor mensen om eigen vorm te geven aan de manier waarop zij samenleven.

Het is te koesteren dat we constateren dat mensen in deze tijd nieuwe manieren vinden om samen te leven. Het is mooi dat de politiek meer ruimte zoekt voor dit nieuwe samenleven. De ChristenUnie kan daaraan vanuit haar eigen politieke traditie een waardevolle bijdrage leveren.

Coöperatiemaatschappij in de praktijk, enkele aanbevelingen uit de publicatie

  1. Veranker een uitdaagrecht voor burgers om collectieve voorzieningen in eigen hand te nemen.
  2. Veranker een recht op regie van zorgvragers op hun eigen zorgverleningstraject.
  3. Verruim de mogelijkheden tot het vormen van kleinschalige woon- of zorgcoöperaties.
  4. Werk aan regelarme omgevingen om professionals de ruimte te geven.
  5. Stimuleer sociaal ondernemerschap, bijvoorbeeld via overheidsaanbestedingen.

 

Wouter Beekers is directeur Wetenschappelijk Instituut ChristenUnie. Dit artikel verschijnt naar aanleiding van de WI-publicatie Coöperatiemaatschappij. Solidariteit organiseren in de eenentwintigste eeuw. De publicatie is te bestellen (gratis voor donateurs) of te downloaden via www.wi.christenunie.nl/cooperatiemaatschappij.


[1] P. Hilhorst, ‘Het broodfonds’ en ‘De herovering van de solidariteit’ De Volkskrant (resp. 12 en 19 juli 2011); ook: P. Hilhorst en J. van der Lans, Sociaal doe het zelven. De idealen en de politieke praktijk (Amsterdam 2013) 51-54.

[2] Formulering op www.stichtingpresent.nl.

[3] R. Sennett, De ambachtsman. De mens als maker (Amsterdam 2008) en M. Castells, Communication Power (Oxford 2009).

[4] Vgl. interview Roel in ’t Veld in DenkWijzer (april 2014).

[5] Bv. Roel van Beest, Inventarisatie Zorgcoöperaties 2014. Burgerinitiatieven in wonen-zorg-welzijn in Nederland & omstreken (rapport Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg).

[6] M. Rutte, ‘Sterke mensen, sterk land. Over het bezielend verband in de samenleving’ (Dreeslezing 14 okt. 2013).

[7] G. Buijs, De eeuw van de burger (Groen van Prinstererlezing WI ChristenUnie; Amersfoort 2014).