Een pornofilter opleggen?

Een pornofilter opleggen?

Door Wilhelm Kolkman


In diverse christelijke media kreeg in de zomer van 2013 het voorstel van de ChristenUnie Tweede Kamerfractie om onderzoek te doen naar het verplicht stellen van een internet-porno-filter door middel van wetgeving nogal wat bijval. Nu vind ik zeker dat we onze kinderen moeten beschermen tegen de uitwassen van porno. Mijn vraag is echter: heiligt zo’n doel dan ook deze middelen?

Mogen we van de overheid in een democratie ook juist niet verwachten dat belangen van reguliere internetgebruikers en mogelijke slachtoffers zorgvuldig afgewogen worden? Hoe verhoudt zich de intentie van voorgesteld beleid tegenover de uiteindelijke effectiviteit? En zouden ChristenUnie-politici zich ook niet moeten afvragen of dit soort overheidsingrijpen werkelijk de best mogelijke oplossing is, vanuit onze eigen christelijk sociale traditie en vanuit een breder christelijk perspectief? In dit artikel wil ik, met deze casus als voorbeeld, een aantal aspecten van vrijheid, verantwoordelijkheid en de mogelijke rol van de overheid hierin bespreken.


Een Bijbels perspectief
Net als de boekdrukkunst is het internetgebruik een voorbeeld hoe moeilijk we het vinden om, ook in christelijke kring, met vrijheid om te gaan. En dat terwijl vrijheid een kernwaarde van het evangelie is. Immers volgens de Bijbel is God liefde en liefde kun je alleen geven en ontvangen in vrijheid. Je kunt het niet opleggen, kopen, of afdwingen. Maar de Bijbel leert ook dat die vrijheid niet absoluut is of alleen bevrijding van (vanzonde en wet). Het is ook een vrijheid tot: tot verantwoordelijk gedrag en dienstbaarheid aan God, gezin, naaste en samenleving. Ook de Tien Geboden beginnen juist met die herinnering aan de bevrijding uit de Egyptische slavernij, om ons vervolgens aan te sporen uit dankbaarheid deze tien leefregels na te volgen. Juist om niet weer in een nieuwe, andere slavernij te vervallen. Vrijheid en verantwoordelijkheid zijn dus twee kanten van dezelfde Bijbelse medaille.

Is de eerste vraag dus niet veel meer hoe we als individu, gezin en samenleving die lastige balans tussen vrijheid en verantwoordelijkheid, tussen waarden en normen goed houden? En is vervolgens de uitdaging voor christelijke politiek in een post-christelijk Nederland niet hoe we dit dan als christelijke minderheid met democratische middelen proberen vol te houden, ten behoeve van onze eigen achterban en ons land?

Eigen verantwoordelijkheid eerst
Zou het daarom niet verstandig zijn dat we eerst onze eigen, burgerlijke verantwoordelijkheid en die van onze maatschappelijke organisaties zouden nemen, in plaats van al te snel terug te vallen op overheidsingrijpen en wetgeving om vrijheid in te perken? Volgens mij hebben we dan voldoende mogelijkheden om het gestelde doelte bereiken. Bijvoorbeeld door als individu die pornosites niet te bezoeken, internetfilters thuis en op school te installeren, porno te bespreken in gezin, op school en in de kerk, een internetabonnement nemen bij een internet-aanbieder die een porno-filter aanbiedt, etc.

Het uiteindelijke voorstel van de Tweede Kamerleden Gert-Jan Segers en Joel Voordewind, dat beoogt dat voldoende internetaanbieders een filter-optie aanbieden en dat de overheid dit wettelijk toestaat, lijkt dan ook een goede oplossing. In die zin is het internet inderdaad niet anders dan elk ander medium: de Playboy verbieden we niet, evenmin geven we de overheid het monopolie op de drukpers. Maar we (overheid, burgers en bedrijven) spreken wel met elkaar af dat we de Playboy niet open en bloot naast de Donald Duck in de schappen zetten.

Het imago van de overheid als probleem-oplosser lijkt me mede een gevolg van een cultuur in het recente, naoorlogse verleden waarin de centrale overheid steeds meer taken op zich nam, en waarop we door middel van de zuilen en een christelijke politiek (die vaak een noodzakelijke coalitiepartner was) relatief veel invloed ten goede hadden. Een wat kleinere overheid lijkt mij echter meer in lijn met onze eigen christelijk-sociale principes van Soevereiniteit-In-Eigen-Kring en Subsidiariteit. Zo’n overheidsmodel zou hoogstwaarschijnlijk ook minderheden meer vrijheid geven en effectiever kunnen beschermen tegen zowel progressief als libertair (dwingend) overheidsingrijpen.


Vrijmoedig over seks praten
Verder verdient het (in eerste instantie sympathieke) argument om met een pornofilter te voorkomen dat, als christenen gesproken, onze kinderen opgroeien met verkeerde ideeën over seks, nadere overdenking. Betekent dat immers impliciet niet, dat we er niet goed in slagen met onze kinderen over lastige thema’s als seksualiteit te praten op een vrijmoedige, Bijbelse manier? En dat we dit tijdig doen, dus voordat we ze een smart-phone of PC geven. Als wij dat niet doen of durven, van wie moeten ze die positieve visie dan wel krijgen? Het verbieden van uitwassen kan helpen, maar is dat genoeg? Juist als christenen zouden we moeten weten dat je offers aan afgoden nooit duurzaam met wetten stopt, maar met een blijde boodschap van genade en verandering van hart en gedrag.

Gezien de perceptie van doorgeschoten vrijheid in Nederland, ontkomen we dan ook niet aan enige kritische zelfreflectie: klaarblijkelijk zijn we geen aansprekende getuigen van dat Evangelie geweest. Was de prominente rol van porno in de samenleving (en dus de noodzaak voor een internetfilter) ook ontstaan, indien wij als christenen vrijmoedig over liefde en seks hadden gesproken en dat voorgeleefd hadden? Seksualiteit is tenslotte een onderdeel van de schepping en Hooglied is niet voor niets een Bijbelboek.


Waarden gaan voor normen
Hebben we in het verleden en soms ook nu niet al te gemakkelijk de nadruk gelegd op christelijk gedrag en regels, ten koste van het hart en de overtuiging? Deze nadruk heeft waarschijnlijk ook bijgedragen tot de secularisatie: immers waarom zou je, in een veranderende wereld, in iets blijven geloven dat je niet meer begrijpt of uitgelegd krijgt? Is het niet raar dat in de uitdrukking ‘normen en waarden’ de norm voor de waarde genoemd wordt? Gaat het juist in het evangelie niet eerst over de genade en liefde (de waarde) en dan pas over Christus navolgen uit dankbaarheid, met de wet als leidraad (de norm)? Uiteindelijk is een norm een sterk door cultuur, tijd en omstandigheid bepaalde uiting van een waarde, en moet je die van tijd tot tijd aan veranderende omstandigheden aanpassen, juist om die onderliggende waarde te borgen.

En was de boodschap van de reformatie juist niet dat we worden behouden uit genade, niet vanwege onze daden? Balkenende’s ‘normen en waarden’ aanpak faalde, in mijn mening, ook omdat we dit gesprek over waarden niet voldoende in leven hielden, die waarden niet op een erg aansprekende manier voorleefden (en zo geen gedeelde waarden, en dus ook geen gedeelde normen en gedrag kregen). En als wij zelf niet in staat of bereid zijn onze waarden met familie, vrienden en buren te bespreken, is het dan fair, democratisch, effectief en duurzaam om van onze christelijke politici te vragen dit soort normen en gedrag alsnog via wetten af te dwingen?


Overwin het kwade door het goede
Natuurlijk mogen en moeten we binnen de kaders van onze democratische rechtstaat en met van behulp christelijke politieke partijen en belangverenigingen opkomen voor onze ideeën, waarden en belangen en die nastreven. En laten we dat dan ook zo goed mogelijk doen, samenwerken waar het kan en alle kansen benutten, zeker wanneer we zoals nu een noodzakelijke constructieve coalitie partner blijken te zijn. Maar laten we ons wel realiseren dat dit geen permanente garantie voor succes is, zeker niet voor een minderheid: geen enkele politicus, institutie, wet of regel kan uiteindelijk zonder draagvlak in de samenleving. In onze democratie moeten ook wij rekening houden met mensen die er anders over denken, andere belangen hebben en zijn uiteindelijk altijd compromissen nodig. Bovendien politieke verhoudingen (en invloed van christelijke partijen) kunnen snel weer veranderen.

Volgens de econoom Sedlacek leert de gelijkenis van het zaad ons dat het bevorderen van het goede (in plaats van het kwade bestrijden) vaak de voorkeur verdient, omdat het onderscheiden van kwaad en goed lang niet altijd eenvoudig is, omdat kwalijke zaken ook soms ten goede gebruikt kunnen worden, en omdat ook het goede vaak leidt onder het uitrukken van het kwaad. Verder is mijn ervaring dat met het goede bezig te zijn en dat te stimuleren veel motiverender is dan het kwade voorkomen. Het evangelie is goed nieuws: laten we dus – als burgers en christenen - daar ook onze inzet op focussen in plaats van ons vooral op het kwade te richten (ook al doen we dat met de goede intentie het te voorkomen).


Oefenplaatsen
Voor een toekomstbestendige oplossing is het daarom essentieel om als christenen in Nederland terug te keren tot de kern van het Evangelie, het zo voor te leven dat we onze kinderen en medeburgers overtuigen dat ook te doen, en zo samen het kwade door het goede proberen te overwinnen. Kerken en andere christelijke gemeenschappen zijn inderdaad oefenplaatsen daarvoor. Christelijke politieke partijen en maatschappelijke organisaties zullen intussen moeten blijven nadenken en uitproberen wat op dit moment de beste speerpunten, voorhoede-gevechten, communicatiemanieren en organisatievormen zijn om hun doelen te bereiken. De Stichting Present, de Alpha-cursus, het gevecht tegen prostitutie, etc. zijn mooie en inspirerende voorbeelden. Het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie is daarom bezig met projecten over zorg, economie, onderwijs binnen de onderzoekslijn Christelijk sociaal 2030, waarbij uw hulp en expertise meer dan welkom zijn. Zeker, dit alles blijft een lastige en spannende uitdaging, waarbij we elkaar zeker moeten helpen, juist in het vertrouwen op de belofte dat we er niet alleen voor staan.

 

Ir.Wilhelm.H. Kolkman is lid (penningmeester) van het curatorium van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.